Boekbespreking
B. Wentsel, Natuur en Genade; Uitgave J.H. Kok N.V., Kampen; 521 pag. ƒ29,50.
Deze diepgaande studie is een dissertatie waarop de schrijver cum laude te Kampen is gepromoveerd. Het boek getuigt door omvang en inhoud ervan dat deze predikant zich zeer intens aan het onderwerp heeft gewijd. Wie zich op de hoogte wil stellen van de ontwikkelingen in de rooms-katholieke theologie rond het tweede Vaticaanse concilie kan dit boek niet ongelezen laten.
Het lezen van dit boek vraagt echte studiezin, maar wie deze opbrengt zal zijn moeite beloond vinden. Elke theoloog kent wel de namen van De Lubac, Rahner, Von Balthasar, en Schillebeeckx, maar hier worden we ingeleid in de gedachtenwereld van elk van hen, in het bijzonder toegespitst op de verhouding van natuur-genade. Van elk wordt ook een karakteristiek van leven en werken gegeven. Ze worden getekend in hun eigenheid en in hun onderlinge verhouding, terwijl de helderheid sterk wordt bevorderd door samenvatting van elk deel van het onderzoek.
In het volgende hoofdstuk wordt natuur en genade volgens Vaticanum II aan de orde gesteld. De verhouding van de heilsopenbaring en de natuurlijke religie wordt beschreven. Natuurlijk worden Vaticanum I en II vergeleken inzake de heilsopenbaring, de natuurlijke openbaring en de natuurlijke Godskennis.
Hoe belangrijk zijn al deze zaken voor de verhouding Reformatie-Rome. Want ieder zal toegeven dat de leer aangaande natuur en genade het kernprobleem is in het gesprek met Rome. De schrijver is van oordeel dat er nog geen sprake is van een doorbreking van het oude schema natuur-bovennatuur, ondanks geconstateerde verschuivingen. 'Dat genade als gunst verstaan dient te worden speelt weliswaar een rol, maar wezenlijk blijft de gedachte dat de menselijke natuur verheven wordt tot een hoger niveau. In dit genadebegrip wordt innerlijk verwerkt dat de genade conformerend, restaurerend, ontplooiend werkzaam is t.a.v. de natuur. Maar de nieuwere opvattingen blijven cirkelen rondom de kern van de visio als participatie aan Gods persoon en natuur.
En hiermee constateren we een grote mate van continuïteit in de r.k. theologie, in weerwil van de geconstateerde verschuivingen' (pag. 316).
In de nieuwere r.k. theologie wordt de godsbetrekking als constitutief gezien voor het mens-zijn en er is verzet tegen een onafhankelijk autonoom natuurbegrip. Dat zijn winstpunten. Maar de gedachte dat de genade tot het wezen van het mens-zijn behoort, moet worden afgewezen. De Schepping is geen genade. In de H.S. staat genade altijd tegenover de zonde. Bezwaarlijk is dat de zonde niet diep genoeg wordt doorgetrokken tot het wezen van de mens, aldus Wentsel.
De hoop van de schrijver inzake de toenadering van Rome-Reformatie is gericht op een beter verstaan van de bijbel.
Belangwekkend is zijn opmerking: 'De r.k. theologie heeft onderkend, dat de Heilige Geest werkmeester is van alle genade, maar volstrekt onvoldoende komt bij haar tot uiting dat de genadige gezindheid Gods jegens de zondaar gesteld moet worden tegenover het rechtvaardig-veroordelend vonnis ten dode', (pag. 427)
Veel gedachten in moderne r.k. werken treffen we ook aan bij protestantse theologen uit de school van Barth. De overeenstemming met de ref. theologen die zich door Calvijn en H. Bavinck laten leiden is veel minder. Ik zou deze bespreking willen beëindigen met de opmerking dat de twee laatsten met dit werk ingenomen zouden zijn geweest, als ze het hadden kunnen lezen. De lof lijkt me zeer verdiend.
Dr. Ph.J. Huyser: Het verwordingsproces in de Gereformeerde Kerken; Uitgave Buyten en Schipperheyn, Amsterdam; 119 pagina's; ƒ4,50.
Een fel geschreven boekje laat zich altijd vlot lezen. Zo ook deze publicatie, waarin dr. Huyser zich op felle wijze keert tegen de ontwikkelingen in de Geref. Kerken. 'Zonder twijfel hebben de theologische professoren in Amsterdam en Kampen het reuzenaandeel gehad in het tot stand brengen van de deformatie, van kerk en theologie', aldus de schrijver. En dan passeren allerlei publicaties van theologen de revue, waarin sprake is van een ernstige ombuiging van visie op het gezag van de Schrift, met annex daarmee een herwaardering inzake de ethiek op allerlei terreinen. De publicaties van de hoogleraren Kuitert, Ridderbos, Berkouwer, Lever, Koole e.a. worden kritisch bekeken. De ontwikkelingen in Gereformeerde kring inzake de opvattingen over de moraal worden scherp getekend.
Voor wie zich in de loop van de jaren op de hoogte heeft gehouden over wat in de Gereformeerde Kerken aan de hand is, is er op zich niet veel nieuws in dit boekje. Het zet alle dingen nog eens op een rijtje. En dan kunnen we ons indenken dat de schrijver geschokt is. Wie zou er niet door geschokt zijn?
In het slothoofdstuk van dit boekje geeft dr. Huyser zich rekenschap van de kerkelijke positie van de verontrusten in de Geref. Kerken. Hij bestrijdt daarin o.a. ds. A.W. Meeder, die in 'Waarheid en Eenheid' schreef dat de verontrusten de kerkelijke weg tot het eind toe moeten bewandelen. Die weg is z.i. al een onmogelijke gebleken. Ook kiest hij niet voor de weg van de Afscheiding. 'Waar zouden we heen moeten' merkt hij op. Hij kiest voor de weg van de Geref. Bond in de Ned. Herv. Kerk en pleit derhalve voor een Gereformeerde Bond in de Geref. Kerken. Deze Bond moet contacten leggen met kerkeraden, moet een eigen orgaan hebben. Deze Bond dient een organisatie te zijn, die zich ten doel stelt de geestelijke erfenis van onze vaderen ongerept en zuiver te bewaren.
Nu zullen wij de laatsten zijn, die uitmaken welke weg voor de Gereformeerde Verontrusten de gewenste is in de kerkelijke nood, waarin ze zich bevinden. We weten zelf maar al te goed wat het betekende telkens weer vanuit andere kerken te hebben moeten horen wat onze kerkelijke weg eigenlijk diende te zijn. In dit opzicht hebben ons ook vanuit de Gereformeerde Kerken in het verleden allerlei stemmen tegengeklonken, die ons nu in herinnering komen, nu de Geref. Kerken in dezelfde positie zijn terecht gekomen als de Hervormde Kerk. Maar wel willen we dr. Huyser tegenkomen als hij het doet voorkomen alsof het stichten van een bond in de kerk zich niet zou verdragen met het bewandelen van de kerkelijke weg. Door alle aanvechtingen heen is het steeds het doel geweest van de Geref. Bond de kerkelijke lijn vast te houden. De Gereformeerde Bond heeft niet gekozen voor de binnen kerkelijke doleantie, maar heeft zich altijd op het geheel van de kerk gericht, zij het meest in critische positie.
Wat ons bij lezing van dit boekje inmiddels wel duidelijk wordt is hoe Afscheiding en Doleantie geen garanties waren voor een zuiver houden van de gereformeerde religie, zoals anderzijds ook de uittocht, die uit de Hervormde Kerk in de loop der jaren plaats vond, niet tot gevolg heeft gehad dat de gereformeerde religie daaruit wijken zou, een gedachte die bij dr. A. Kuyper nadrukkelijk leefde. De Gereformeerden zijn in het zelfde schuitje terecht gekomen als de Hervormden. Dit leert ons dit boekje duidelijk. Daarom kunnen we de geladenheid waarmee dit boekje geschreven is ook wel begrijpen. Evenwel, en dit is ons bezwaar, te vaak spreekt uit dit boekje een geëmotioneerdheid en geraaktheid, die niet bevorderlijk is voor de zaak die de schrijver dienen wil. Het gevolg is ook dat het boekje uitschieters bevat die afbreuk doen aan wat de schrijver beoogt. Bijvoorbeeld soms de scherpe kritiek op geestverwanten in zijn eigen kring. Of de ongenuanceerde wijze waarop hij voor de Telegraaf kiest in plaats van Trouw e.d. In verschillende gevallen zou dan ook een genuanceerder schrijven beter op zijn plaats geweest zijn.
Met deze kritische opmerking wil ik toch deze recensie beëindigen. We hebben begrip voor de zorg en de geschoktheid van de schrijver. Maar niet altijd voor de wijze waarop hij zijn gedachten onder woorden brengt.
J. Fangmeier, De theoloog Karl Barth, 72 blz., Boekencentrum N.V., 's-Gravenhage, 1970.
Dit is een uit het duits vertaalde, kleine biografie van de in 1968 overleden Karl Barth. De schrijver is iemand, die de laatste 10 jaar van Barths leven nauw met hem heeft samengewerkt, en die dus bij uitstek bevoegd is om Barths leven te beschrijven. Juist de kortheid van deze beschrijving bewijst, dat de schrijver daartoe bekwaam is.
De meesten weten nu wel het een en ander van Karl Barth af. Als men echter in korte trekken de betekenis van Barths leven en werk wil overzien, leze men dit boekje.
Het is wel zonder meer duidelijk, dat de biograaf een stricte volgeling is van zijn meester. Een critische opmerking over Barth heb ik niet kunnen vinden. En die zou toch ook nog wel gemaakt kunnen worden. Trouwens, de gedachte kwam bij mij boven: als Barth nu de grootste theoloog van deze eeuw wordt genoemd, hoe zou het dan komen, dat hij nu zo sterk en zo gauw al achterhaald is? Of zou het zo zijn, dat zijn echte betekenis nog ontdekt moet worden? Dat suggereert deze biograaf en hij is niet de enige.
We leven momenteel in de theologie in een duidelijke antibarthiaanse reactie. Het gevoel bekruipt mij wel eens, dat dit gezien moet worden als een eenzijdige reactie op een eenzijdige reactie. Er moet nog een andere weg zijn. Die is er ook.
Het boekje begint met een voorwoord van prof. Bronkhorst en eindigt met een uitvoerige literatuurlijst van werken van en over Barth.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's