Kerk en wereld in de bijbel
I
Wanneer wij in een paar artikelen iets willen gaan schrijven over Kerk en Wereld bedoelen wij daarmee niet het gelijknamig instituut te Driebergen. Nee, wij willen een summiere bijbels-theologische fundéring van deze woorden geven. En tegen déze achtergrond willen wij dan nágaan hoe men tegenwoordig de verhouding Kerk en Wereld ziet.
Wij beginnen met het woord Wereld. Het woord 'wereld' kan volgens het grondwoord, dat in het Nieuwe Testament gebruikt wordt, drie betekenissen hebben:
1. Het Heelal, met inbegrip van al het geschapene. Het Oude Testament spreekt dan van hemel en áárde. Het is de kosmos (= sieraad). Het geboren en ongeboren leven is schepping Gods. Tegelijk zegt het Oude Testament, dat die wereld vergankelijk is. (Psalm 102). Toch hebben we als christenen een taak om de schepping goed te beheren.
2. De tweede betekenis van het woord wereld is: de woonplaats der mensen, de wereld als schouwplaats der geschiedenis. Denk b.v. aan Lukas 2, dat er een gebod uitging van de keizer, dat de gehele wereld (oikoumenè) beschreven zou worden. Wereld is hier een ruimtelijk begrip. Zo spreekt b.v. het Evangelie van Johannes van een komen in de wereld. Jezus is óók in de wereld gekomen.
3. De wereld als gevallen schepping, levend in tegenstelling met Gods bedoeling, dus levend in vijandschap tegen God. De wereld zoals zij in haar huidige toestand is. Tegelijk vinden we hier de schouwplaats van het heilshandelen van God. En in deze artikelen willen we het met name over de wereld in déze zin hebben. Het is de wereld, die naar het woord van de apostel Johannes, in het boze ligt. (1 Joh. 5:19). Reeds de Heere Jezus heeft tegenover Zijn werken en spreken de wereld als zodanig getypeerd. Hij spreekt van de 'overste' dezer wereld en de 'kinderen' dezer wereld, nl. satan en zijn aanhangers. Als satan Jezus in verzoeking wil brengen toont hij Hem de koninkrijken der wereld. (Matth. 4:8). In het Johannesevangelie worden de wereld en Christus tegenover elkaar gezet als de duisternis en het licht. Toch zegt Jezus: de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht. De wereld haat Mij, omdat Ik van haar getuig, dat haar werken boos zijn' (Joh. 7:7). Daarom kan de wereld de Geest niet ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet (Joh. 14:17). Jezus geeft ook een andere vrede dan die de wereld geeft. Deze wereld háát niet alleen Jezus, maar óók Zijn volgelingen. 'Indien gij vàn de wereld waart, zo zou de wereld het hare liefhebben, doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, dáárom haat u de wereld' (Joh. 15:19). Wanneer de discipelen bedroefd zijn, zal de wereld zich verblijden (Joh. 16:20). Daarom zullen zij in de wereld verdrukking hebben, maar mogen zij moed putten uit het woord van Jezus: Ik heb de wereld overwonnen. (Joh. 16:33). In het hogepriesterlijk gebed zegt Jezus: Ik bid voor hen, Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt (Joh. 17:9). Verder staat er: De wereld heeft ze gehaat, omdat zij van de wereld niet zijn, gelijk Ik van de wereld niet ben (Joh. 17:14). Inderdaad: de discipelen zijn nog wel in de wereld maar niet van de wereld (Joh. 17:16). En bijna aan het eind van dit gebed: Rechtvaardige Vader, de wereld heeft U niet gekend, maar Ik heb U gekend en dezen hebben bekend dat Gij mij gezonden hebt (vs. 25).
Geen wonder, dat Jezus voor de aardse rechter (Pilatus) sprak: 'Mijn Koninkrijk is niet van déze wereld, dàn zouden Mijn dienaren wel voor Mij gestreden hebben’.
Na Zijn opstanding en verheerlijking heeft Jezus Zich dan ook niet meer aan de wereld vertoond.
Wanneer wij nu nagaan hoe de apostel Paulus deze wereld ziet, dan bemerken wij, dat dit geheel in het verlengde ligt van wat Christus gezegd heeft. In Rom. 3:19 zegt hij, dat de gehele wereld verdoemelijk voor God ligt. Hoe zal God anders de wereld óórdelen? (Rom. 3:6). Vandaar ook de vermaning: Wordt deze wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds' (Rom. 12:2). Vooral in zijn eerste Korinthebrief laat Paulus uitkomen welk een tegenstelling er bestaat tussen het denken van de wereld en de Geest Gods. Het Evangelie van het kruis staat loodrecht op het werelds denken. Dat is immers het handhaven van de mens en de menselijke wijsheid? Toch heeft het Gode behaagd door de dwaasheid der prediking zalig te maken, die geloven. Het Evangelie is niet een wijsheid dezer wereld. (1 Kor. 2:6) Integendeel, het is een dwaasheid en ergernis voor de wereld. De Geest van God kan er alleen licht over laten vallen. Daarom zegt de apostel in 1 Kor. 2:12: 'Doch gij hebt niet ontvangen de geest der wereld, maar de Geest Die uit God is, opdat wij zouden wéten de dingen, die ons van God geschonken zijn'. De wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God (1 Kor. 3:19). Daarom zijn de gelovigen bij de wereld niet in achting. Paulus zegt: wij zijn een schouwspel geworden en het uitvaagsel der wereld en aller afschrapsel (1 Kor. 4:9, 13). Toch zullen eenmaal de heiligen de wereld oordelen (1 Kor. 6:22), want de gedaante dezer wereld gaat voorbij (1 Kor. 7:31). Daarom waarschuwt de apostel de gemeente van Korinthe voor de zonde, opdat zij niet mèt de wereld veroordeeld zal worden (1 Kor. 11:32).
In zijn tweede brief aan de Korinthiërs telt Paulus tegenover elkaar de droefheid naar God en de droefheid der wereld (2 Kor. 7:10). Het zijn twee zaken, die mijlenver van elkaar verwijderd zijn.
Ook in zijn andere brieven laat de apostel uitkomen, dat de gelovigen niet met de wereld leven mogen. In Gal. 1:4 zegt hij, dat Christus Zich gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige, boze wereld. Geen wonder, dat hij in het laatste hoofdstuk van de Galatenbrief zegt, dat hij nergens anders in roemen wil dan in het kruis van Christus 'door welke de wereld mij gekruisigd is en ik der wereld' (Gal. 6:14). Kruisigen betekent: dóden, doen sterven. Zo spreekt Paulus in Kol. 2 over het afsterven van de wereldgeesten (stoicheia). En datgene waar men aan sterven moet, moet men niet lief krijgen. Vandaar, dat Paulus schrijft aan Timotheüs (en hij doet het met verdriet) dat Demas hem verlaten heeft, omdat hij de tegenwoordige wereld heeft liefgekregen.
Wanneer wij de Hebreënbrief nagaan, bemerken wij dat de schrijver duidelijk maakt hoe de stemming moet zijn van de gelovigen, nl. een pelgrimstemming. Een pelgrim is iemand, die ergens wèl moet vertoeven, maar er niet thuis is. Hij is op zoek naar een ander vaderland. Een pelgrim gevoelt zich vaak eenzaam omdat hij niet begrepen wordt. De gelovigen aller eeuwen hebben met hun geloofshouding op een enorme tegenstand moeten stuiten. In Hebr. 11:38 staat, dat de wereld hunner niet waardig was. Er was in de wereld voor hen geen ruimte. Wanneer er wèl ruimte is, is er met de christenen wat aan de hand. Dan is er vriendschap met de wereld. En daar wordt juist zo voor gewaarschuwd in de algemene zendbrieven achter in het Nieuwe Testament. Daarover een volgende keer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's