Waarheid en eenheid in de ontmoeting der kerken
IV
De Gereformeerde Bond en de Vrijzinnigen
Maar goed, moeten we dan toch niet, zij het op een totaal andere wijze, een snelle eenwording tussen de Hervormden en de Gereformeerden zoeken te bevorderen? Zijn er niet juist ook in de Gereformeerde Kerken de verontrusten, die niet roepen om een nieuwe verwoording van de belijdenis (Augustijn), die het confessionele karakter van de Kerk willen vasthouden op de wijze van de Reformatie? Moet de Gereformeerde Bond hier dan soms weer hand in hand gaan met de Vrijzinnigen in onze Kerk in het bezwaar maken tegen een fusie? Dezen hebben er immers ook geen zin in, maar dan om tegenovergestelde redenen, nl. omdat zij vrezen, dat zij met de gereformeerden erbij weer oneindig veel tijd moeten gaan spenderen aan het praten over theologische vragen van gisteren en eergisteren, waar wij immers allang aan voorbijgeleefd zijn (P. Smits).
Het einde van een huishoudelijke twist?
Prof. Van Ruler heeft onlangs gesproken over het einde van een huishoudelijke twist. 'In Nederland is voor ons als hervormden en gereformeerden de eerst aangelegen oecumenische taak, dat we onze huishoudelijke twist oplossen of eenvoudig verwaarlozen en één kerk gaan vormen, voor het jaar 2000.' Als dat niet gebeurt, mislukt de oecumene in Nederland. Hij geeft dan de raad om samen alvast dolle dingen te gaan doen: als kerkeraden samen vergaderen, samen evangeliseren of diakonaal-maatschappelijk werk doen, samen avondmaal vieren, van kansel ruilen ... Tussen Rome en de Reformatie zit tenslotte de religieuze kwestie. Daar gaat het over het Evangelie, het heil, de genade, de bestemming van de mens. Er ligt een afgronddiepe kloof tussen Rome en de Reformatie. Maar de Gereformeerden en Hervormden zijn niet slechts religieus, maar zelfs confessioneel (bevindelijk) één. De huishoudelijke twist, die wij hebben, loopt over de kwestie van de tucht en de christelijke organisaties. Verder is de belijdenis (ondanks de onthoofding van art. 36 bij de gereformeerden) overeind gebleven. En wat de tucht betreft: hoe belangrijk ook, het modernisme van de 19de eeuw is er nauwelijks meer of het sterft een natuurlijke dood. Het krijgt door een leertuchtproces in ieder geval enorm de wind in de zeilen. En als het over tucht gaat, we weten wel, waar we beginnen moeten, maar niet, waar we eindigen zullen. Dat hebben de gereformeerden zo langzamerhand ook wel doorgekregen. Er is aan de rechter flank van de kerk trouwens ook nogal wat te 'tuchtigen', als het erop aan komt.
Meer dan de gereformeerden in de geweldige nadruk, die de belijdenis bij hen altijd heeft gehad, wil prof. Van Ruler terzake van de kerk nadruk gelegd zien op het historische, het verbondsmatige, het ambtelijke, het sacramentele, het liturgische (Hoedemaker-Gunning). Dus niet praten en handelen alleen onder het gezichtspunt: de kerk als gemeenschap van hen, die waarlijk Christus belijden en liefhebben. 'Zijn de vrijzinnigen niet onder het verbond der genade? Zijn ze niet geordend in het ambt? Alle leertucht zet een snede in de realiteit van het genadeverbond.'
Het verbond en de geloofsbeleving
Wij kunnen met deze visie van prof. Van Ruler niet accoord gaan. In de eerste plaats, omdat wij wel graag met hem de breedheid van het verbond onderstrepen en het ambtelijke in ons spreken over de kerk niet willen loslaten, maar dit graag tegelijkertijd verbonden willen zien met het gezichtspunt van onze belijdenis: de kerk als een vergadering van ware christgelovigen. Het moet in het oecumenisch gesprek wel degelijk van meetafaan gaan over het geloof en de geloofsinhoud: Waarheid en eenheid, gelijk we dat vanuit de heilige Schrift elkaar hebben voor te houden. En van daaruit is de vrijzinnigheid, ook in zijn nieuwste jas, een levensgrote bedreiging voor de kerk. Van daaruit moeten we zeggen, dat er leraars en leden in de kerk zijn, die wel onder het genadeverbond vallen, maar dan onder de vloek en de wraak van dat verbond en die derhalve op geen wijze geduld mogen worden, als verleiders van hun eigen ziel en die van anderen.
De religie van de belijdenis
Bovendien: prof. Van Ruler mag er beducht voor zijn, dat het eigene van het kerk-zijn in de mist raakt (hij waarschuwt daartegen terecht), wij zijn er in tegenstelling tot hem ook bepaald niet gerust op, dat zowel de gereformeerden als de Hervormden, althans wat de huidige leiding van de kerken betreft, de belijdenis in Calvinistische zin zo trouw zouden hebben bewaard en dat ze elkaar daarin derhalve zullen vinden. Wij moeten helaas met verdriet constateren, dat zij, die de religie van de belijdenis willen vasthouden, in beide kerken, noodgedwongen een randbestaan moeten leiden.
De doorsnee-prediking van de Hervormde en de Gereformeerde dominee staat zo dicht bij elkaar helaas, omdat bij beiden de centrale stukken van de belijdenis in hun geloofsdoorleving niet (meer) integraal functioneren.
Als deze twee kerken elkaar thans vinden, waarin vinden ze elkaar dan? Dat blijft onze indringende vraag. Daarom roepen wij hier elkaar op om waakzaam te zijn. Het oecumenisch getij loopt door een laaggeestelijke (al is het dan tegelijk hoogkerkelijke) bedding. In zulke omstandigheden is het niet raadzaam om naar de overkant te varen. We raken zo spoedig aan de grond.
Wat wel raadzaam is? Midden in de stroom te gaan staan, ons niet te onthouden van het gesprek (Hervormd-Gereformeerd). En onszelf en elkander over heel de breedte van het verbond terug te roepen tot een diepe doorleving van het ware geloof. Dan zal er een herkenning kunnen volgen, die wat te maken heeft met Ef. 4, met Joh. 17. Een herkenning in de uitstraling van Christus' heerlijkheid in hart en leven, in huis en kerk. En eerst dan raakt de kerk waarachtig maatschappelijk geëngageerd.
Oecumene in de Gereformeerde Gezindte
Helaas, hoe weinig hebben wij van dit heerlijkheidsperspectief. Daarom vlot de zaak van de oecumene niet, ook niet onder broeders van hetzelfde huis. Ook niet binnen de kring van de gereformeerde gezindte. Daaraan staan wij allen schuldig. Schuldig staan wij ook, omdat wij als leden van de kerken, die de belijdenis der vaderen lief hebben, het kruis van de gescheidenheid al te lichtvaardig dragen. Bidden wij voldoende om de doorbrekende kracht van Gods Geest? Zoeken wij elkaar genoeg om elkander te versterken in het geloof, dat ons lief is geworden? Staan wij, in het bijzonder als ambtsdragers, met ons ongeloof, met onze halfheid, met ons vasthouden aan de zonde, met onze ingezonkenheid in het geestelijk leven de doorwerking van de heilige Geest (Die ook de Geest van de ware oecumene is) niet in de weg?
Ons past verootmoediging. Wij hebben elkaar als gereformeerde gezindte zo nodig. Wij moeten meer de handen ineenslaan. En vooral op het vlak van de plaatselijke gemeenten moeten wij elkaar veel meer ontmoeten als ambtsdragers en als gemeenteleden. Want de pluriformiteit van het gereformeerd kerkelijk leven is onze rijkdom niet. Ze is wel een aanklacht.
Mag ik tenslotte vurig wensen, dat wij door deze woorden een stuk huiswerk meekrijgen, waar we vooreerst nog niet mee klaar zijn. De zonde en pijn van de kerkelijke gescheidenheid brenge ons tot Christus' bede: Dat zij allen één zijn ... en tot een rusteloos zoeken van die eenheid onder hen, die de waarheid liefhebben en zonder elkander niet willen leven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's