Het moderamen over de werkbezoeken
Het moderamen van de Hervormde Synode heeft in een brief aan kerkeraden, predikanten en de classicale vergaderingen haar visie gegeven op de aan de classes gebrachte werkbezoeken. Eerst wordt gesproken over de noodzaak van een goede onderlinge communicatie. Daaraan ontbrak nogal eens één ander volgens het moderamen. Vervolgens wordt toegezegd dat de mogelijkheid van een periodiek contact tussen het moderamen en de classes zal worden onderzocht. Nadat daarna is aangedrongen op een goed functioneren van de classicale vergaderingen, gaat de brief over concrete punten die op de werkbezoeken naar voren kwamen. De inhoud daarvan geven we hieronder weer, met daaronder ons commentaar:
’In vrijwel alle classes bleek datgene wat door ons gesteld werd over het 'geloven en belijden' in het middelpunt van de aandacht te staan. Dit heeft ons verheugd, omdat de kerk met haar belijden staat of valt. Niet overal bleek echter datgene, wat door ons werd naar voren gebracht over de twijfels ten aanzien van het 'bestaan' van God die in onze tijd leven, te zijn begrepen en gewaardeerd. Zit daar wel altijd een verlangen naar God achter, zo vroeg men ons. In de bijbel vinden we wel de klacht van de gelovige dat hij Gods wegen niet begrijpt, maar alleen de dwaas zegt in zijn hart, dat er geen God is. Moet niet voor alles gewezen worden op de vijandschap die zich in onze tijd ten aanzien van God en Zijn Woord openbaart? Een vijandschap die zich ook in ongehoorzaamheid keert tegen Gods geboden?
Zonder de waarheid die in deze woorden ligt te willen ontkennen, menen wij niettemin er tegen te moeten waarschuwen, te snel met oordelen te zijn. Er is een twijfel die vaak juist de meest gewetensvolle mensen van onze tijd aangrijpt als ze letten op de verbijsterende gang van de geschiedenis in onze dagen en op de onafwendbaar schijnende catastrofen, die het leven van mensen en volkeren bedreigen. Daarom betreuren wij het dan ook, dat de vragen omtrent het belijden van God en van Zijn Naam werden losgemaakt van de problematiek van de samenleving.
Wij menen dat de gemeenten en classes, die zo eenzijdig bezig dreigden te zijn met de vragen van staat en maatschappij er goed aan zouden doen met grote zorgvuldigheid na te gaan wat met gerechtigheid en vrede in bijbelse zin kan zijn bedoeld, terwijl wij omgekeerd de gemeenten en classes die met grote zorg voor het rechte belijden zijn vervuld, zouden willen vragen met even grote intensiteit bezig te zijn met de vraag voor welke verantwoordelijkheid het belijden van Gods gerechtigheid en het leven uit Zijn vrede ons als christenen stelt met betrekking tot de vragen en noden van mens en samenleving in onze dagen.
Een enkel woord nog over de verhouding van de modaliteiten in de Ned. Hervormde Kerk en over de verhouding tot andere kerken.
Binnenkort zal opnieuw de aandacht van de kerkeraden en de classicale vergaderingen voor het vraagstuk van de 'minderheden' als toespitsing van dat van de 'modaliteiten' worden gevraagd. Het is eigenlijk een droevige zaak, dat de kerk in onze tijd, waarin het meer dan ooit nodig is, dat zij als een geestelijke eenheid — als een eenheid van geloven, belijden en werken — met haar boodschap naar buiten treedt en om gehoor vraagt, zelf de geloofwaardigheid van deze boodschap in ernstige mate aantast door haar innerlijke verdeeldheid. Als men er met ons van overtuigd is, dat de christelijke gemeente ook in onze dagen haar geestelijke wapenrusting hard nodig heeft, wil zij weerstand kunnen bieden aan de anti-christelijke machten, dan dient men zich ernstig af te vragen of de bestaande gescheidenheid nog wel te verdedigen is met het argument dat het om de strijd om de waarheid of om de zuiverheid van de christelijke gemeenschap gaat.
Wij denken er niet aan om deze strijd om de waarheid, die in wezen in alle eeuwen dezelfde is, gering te achten en een eenheid te bevorderen, die een andere eenheid zou zijn dan die in de éne Heer, het éne geloof en de éne doop. Niettemin kunnen wij ons niet aan de indruk onttrekken, dat de christelijke gemeente soms gevaar loopt te blijven strijden op de fronten van gisteren en het front van nu niet te zien. Men luistert niet naar elkander, men heeft geen ontzag voor het geloof van de ander en faalt daarom in de gehoorzaamheid aan Gods gebod elkander lief te hebben, zoals Christus ons liefgehad heeft.
Hetzelfde geldt eigenlijk ook voor de verhouding tot andere kerken. Zonder te ontkennen, dat er nog allerlei zaken zijn die de kerken verdeeld houden, waarin meer klaarheid moet worden gebracht, menen wij dat het er voor alles om zal moeten gaan om, ondanks alle verschillen, broeders en zusters in het geloof, in andere kerken te herkennen en mèt hen op te trekken. Daarom blijven wij erop aandringen, dat in de hervormde gemeenten waar verdeeldheid is, het kerkelijk gesprek opnieuw wordt begonnen en dat tegelijk naar vormen van kerkelijk samenleven wordt gezocht die het mogelijk maken het toepassen van noodmaatregelen 'van boven af' te voorkomen. Ook blijven wij erop aandringen ernst te maken met het overleg en met de samenwerking met de Geref. Kerken en met de andere kerken, die met ons zijn aangesloten bij de Raad van Kerken in Nederland.
Tenslotte nog een meer persoonlijk woord. In deze tijd wordt, vooral van hen die als ambts-dragers en als kerkelijke medewerkers een bijzondere verantwoordelijkheid voor de christelijke gemeente dragen, veel gevraagd aan geestelijke spankracht en vaak ook aan lichamelijk uithoudingsvermogen. Het is, menselijk gezien, niet eenvoudig om te blijven ijveren en strijden voor een zaak, waarvan velen de betekenis niet meer zien, die hen onverschillig laat of waar zij vijandig tegenover staan. De kerk heeft om zo te zeggen de wind tegen. Dat zou nog niet zo zwaar zijn te dragen, ware het niet, dat ook in de christelijke gemeente zelf innerlijke onzekerheden velen in de verleiding brengen alles niet meer zo ernstig te nemen, zich geen moeite meer te geven en zich zelfs een beetje voor het christen-zijn en het bij de kerk horen te schamen. Soms is het alsof zich een innerlijke verlamming en een gevoel van niet meer te overwinnen moeheid van ons meester heeft gemaakt en, wij tot niets meer in staat zijn. Als wij leden van de gemeente en ambtsdragers ontmoeten die met deze gevoelens te kampen hebben, dienen wij in de eerste plaats in hen ons zelf te herkennen.
Want wie moet, al mag hij zich gelovig weten, niet elke dag God bidden zijn ongelovigheid te hulp te komen? In deze tijd, waarin zoveel mensen geestelijk eenzaam zijn, zovelen ook in de christelijke gemeente de echte christelijke gemeenschap tevergeefs zoeken, moet onze zorg in de eerste plaats uitgaan naar de wederopbouw van die gemeenschap.
Solidariteit met de vragenden, zoekenden en twijfelenden wordt van ons alleen gevraagd ook en vooral als wij zelf leven uit de vrede, die alle verstand te boven gaat. Maar wie van ons ondervindt desondanks niet de geestelijke nood van onze tijd, zodra hij probeert het bijbelse getuigenis door te geven en wel zo, dat het b.v. ook door de jongere generaties wordt verstaan en aanvaard? Wie ondervindt deze nood niet als het er om gaat dit getuigenis mee te doen spreken in de strijd om wat meer gerechtigheid en vrede in de wereld van nu?
Toch weten wij, diep in ons hart, dat dit gevoel van onzekerheid over de inhoud van het evangelie niet in overeenstemming is met de vastheid van de beloften van God. Daarom moeten wij met allen, met wie wij in het geloof zijn verbonden, bidden om nieuwe overtuigingskracht. Wij moeten ons wèl schamen voor onszelf, maar we behoeven ons niet te schamen voor het Evangelie. Laten wij daarom elkander als ambtsdragers en leden van de Ned. Hervormde Kerk vasthouden om, tezamen met allen met wie wij ons in Christus verbonden weten, dienstbaar te kunnen zijn aan Gods bedoelingen met deze wereld. 'Want in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, die ons heeft liefgehad' (Rom. 8:37).'
We willen op deze brief niet te veel commentaar geven. Wel willen we zeggen dat er toch te veel in- en uitgepraat wordt zonder dat de diepere oorzaak van de kerkelijke crisis wordt gepeild. Eén opmerking moet ons wel van het hart. Als het moderamen zegt, dat de christelijke gemeente soms gevaar loopt te blijven strijden op de fronten van gisteren en het front van nu niet te zien, dan zouden we het moderamen kunnen vragen hier vooral concreet te worden. Want als er gevaar dreigt, dient men te weten waar het gevaar dreigt. Nergens zegt het moderamen echter, welke fronten van gisteren men bedoelt. Het zou eerlijk geweest zijn als dat zou zijn aangeduid. Op de laatstgehouden synode zei een Hilversumse dominee ook dat tijdens het werkbezoek aan de classis Hilversum vragen van gisteren aan de orde kwamen, terwijl wij voor ons menen dat de vragen die daar aan de orde kwamen de vragen van vandaag zijn, omdat het vragen zijn die alle te maken hebben met het reformatorisch karakter van onze kerk. Juist op dit punt laat het moderamen ons echter in de mist. Aan vaagheden hebben we niets. Het moderamen had er beter aan gedaan man en paard te noemen. In ieder geval, van echt leidinggeven is in deze brief geen sprake. Jammer!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's