De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Achtergronden en uitzicht

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Achtergronden en uitzicht

Geesten en goden

10 minuten leestijd

Naar aanleiding van het boek van dr. F. de Graaff: Als goden sterven, Uitg. Lemniscaat, Rotterdam, 1969, 382 blz.

Als in deze tijd machtige bewegingen als niet te stuiten vloedgolven de gehele wereld overspoelen en bezig zijn haar zo te veranderen, dat wij toe zijn aan wat de psalmist zegt: de fundamenten der aarde wankelen, dan is het nodig, dat wij ons gaan afvragen, wat dit voor geesten zijn, waardoor waarheden, geboden en normen, die eeuwen lang vaststonden omver worden geworpen. Wat zijn de achtergronden van de omwentelingen, die in deze tijd zich voltrekken?

Dr. De Graaff doet in het bovengenoemde, verre van eenvoudige werk een poging om zicht te geven op het wezen en de achtergronden van de crisis, waarin de westerse cultuur zich bevindt.

Daarbij gaat hij uit van een psalm van Asaf (Ps. 82), die licht geeft op het probleem van crisis en ondergang van culturen. Twee 'profetische figuren uit de moderne tijd', Nietzsche en Kafka hebben hem tot deze psalm geleid. U verwondert zich er over deze drie bij elkaar te vinden: Nietzsche, de man van het vele malen aangehaalde: God is dood; Kafka, wiens werk dr. De Graaff ziet als een commentaar op Ps. 82 en als derde de psalmist. Nu spreekt men wel meer van de dood van God. Zo citeert de schrijver (in een intermezzo na de reformatie) Eckhart over het minnen der ziel; waar dat verdwijnt, daar doodt men God 'wenn man so etwas in den Mund nehmen darf'.

De verklaring van Ps. 82

De schrijver meent, dat het in Ps. 82 gaat over wat hij noemt godswezens (een term ook door Weiser gebruikt) of tussenwezens. Deze wezens zijn historische machten, die de culturen beheersen. Zij sterven omdat de God van Israël over deze godswezens, door Hem met onsterfelijkheid begiftigd het doodvonnis uitspreekt, omdat zij geen barmhartigheid kennen.

De uitleg van Ps. 82 is verre van gemakkelijk. In Joh. 10:34 wordt deze psalm op aardse rechters betrokken: Indien de wet hen goden genaamd heeft, tot wie het Woord Gods is geschied en de Schrift niet gebroken kan worden, zegt gij tot Mij, die de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: Gij lastert God? Ook elders worden rechters wel goden genoemd (Ex. 22:8, 9). Nu beroept zich de schrijver op Buber, die de exegese als zou in ps. 82 van aardse rechters sprake zijn onhoudbaar acht, omdat men van aardse rechters niet kan zeggen, dat zij als mensen zullen sterven (vs. 7). Ondanks Buber en vele exegeten van deze tijd, kan ik dit argument niet dwingend vinden. Ik geloof, dat zeer goed de gedachte te verdedigen is, dat in vers 7 bedoeld wordt: gij zult sterven als een — ander — mens, als ieder ander mens. Ik noem twee voorbeelden: Ps. 73:5 luidt in de Statenvertaling: Zij zijn niet in de moeite als andere mensen en worden met andere mensen niet geplaagd. Het woord andere staat cursief gedrukt, d.w.z. eigenlijk is dit woord ingelast, maar het is geheel in overeenstemming met de zin en de bedoeling van de hebreeuwse tekst. Ook in de nieuwe vertaling van het NBG is ander bijgevoegd: met andere mensen worden zij niet geplaagd. Op eenzelfde wijze vertalen en verklaren wij het ieder mens in Richt. 16:7, over de geschiedenis van Simson in de zin van: gelijk ieder ander mens.

Daarbij komt, dat de Schrift nergens spreekt van stervende goden — een gedachte die wel in Egypte, Babylonië-Assyrië en Ugarit voorkomt. In de Schrift is de tegenstelling: dode (af)goden en de levende God van Israël. Hoe de schrijver zich deze dingen voorstelt blijkt uit een opmerking als deze: Een gestorven god blijft ook voortbestaan. Als zelfs een mens na de dood voortbestaat, geldt dit zeker voor een god. Of elders lezen we: De mens houdt de dood van het tussenwezen nog tegen. De god van het Westen is ter dood veroordeeld omstreeks het jaar 1000. Maar Thomas van Aquino heeft samen met de gothiek de executie nog voor eeuwen weten uit te stellen.

Beter uitgangspunt?

Liever had ik gezien, dat de schrijver was uitgegaan van plaatsen uit het Nieuwe Testament als Ef. 6:12. Wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, de machten, tegen de geweldhebbers dezer wereld, der duisternis dezer wereld, tegen de geestelijke boosheden in de lucht. Of 1 Cor. 15:24 over het teniet doen van alle heerschappij en macht en kracht. Vg. Ef. 3:10, Col. 1:16.

Dit alles in aanmerking nemende verving ik wanneer de schrijver spreekt van godswezens, tussenwezens deze woorden in gedachte menigmaal door geest(en), zoals het Oude Testament spreekt van een geest van onreinheid (Hos. 4:12; — 5:4) een geest van diepe slaap, van wijsheid e.a. De geest is de drijvende kracht van de ziel (Pedersen) en zo blijft de vraag: Wat zijn de drijvende krachten in het leven van onze tijd? Welke geesten roept men in deze tijd op, die men straks niet meer kwijt raakt en waarvan men zich niet meer kan ontdoen?

Zoals bij de uitleg hier blijkt, komt ook elders de invloed van Buber bij de schrijver; daarvan zijn heel wat voorbeelden te noemen. Ik wijs alleen op het voor mij irriterende: de hinderaar, vertaling aan Buber ontleend voor satan. Waarom zulk een neologisme terwijl er meer dan één nederlands woord is om iemand te benoemen die een ander voor de voeten loopt: wederpartijder, tegenpartij, tegenstander. Maar dit alleen maar tussen haakjes.

Achtergronden

Bij het zoeken naar een antwoord op de vraag welke culturen op de westerse beschaving invloed gehad hebben besteedt de schrijver aandacht aan het indo-europese erfgoed, aan Hellas, aan Rome, aan Germanië, aan Israël: De eenheid van oerdistantie en betrekking is de vrees van Jahwè — zo met andere woorden Hempel: Israëls godsdienst wordt beheerst door de eenheid van afstandsgevoel en verbondenheid. Jahwe verkiest Israël tot dienst. Het is Israëls messiaanse roeping om de wereldstammen als volk voor te leven, wat het inhoudt met Jahwe en met elkaar te zijn. — In de typering van het oerchristendom zegt de auteur van de verzoening, dat Jezus de toorn Gods, dat is de door de zonde veranderde genade weer in de oorspronkelijke genade verandert. Jezus haalt de diepste vonk uit de toorn Gods, dat is de genade. Sinds een schisma zich voltrok tussen Joden en Christenen is het christendom eenzijdiger geworden. Waar het de Joodse levensstijl hoe langer hoe minder doorzette, kon het gemakkelijk veel van een niet-bijbelse levensstijl overnemen. Dat is de grote aanvechting van het Christendom geworden.

De oud-christelijke kerk heeft het Oude Testament met allerlei kunstgrepen gelezen. Waar in de tekst van het volk van Israël sprake was las men platweg hiervoor de christelijke Kerk; de volgende kunstgreep was de allegorische exegese. In de tijd van de Middeleeuwen vond de kerk een voorbeeld voor haar organisatie in het romeinse imperium. De pauselijke macht werd steeds meer uitgebreid. De Kerk was tolerant, als men zich maar stelde onder haar oppergezag. De tussenwezens kregen hoe langer hoe meer betekenis en invloed en zij verduisterden de bijbelse noties. De schrijver meent, dat de kerk van de contrareformatie de satan, de geest uit de afgrond in haar dienst heeft genomen. Het grondmotief, dat de kerk gaat regeren is de wil tot macht. De paus krijgt alle eigenschappen van de vorst van Machiavelli. Het Vaticaan wordt hoe langer hoe meer de aardse gestalte van het bovenzinnelijke gebied der moderne autonomie. De machten der heidense goden hadden een toevluchtsoord in de Kerk gevonden, waardoor zij hun bestaan konden rekken.

De schrijver ziet het eigenlijk nieuwe, het wezenlijke van de Renaissance in de autonomie van de mens. De autonome menselijke subjectiviteit is karakteristiek voor de religie der Renaissance: het geloof verandert hoe langer hoe meer in een overtuiging. Men wil daarom vrijheid van overtuiging, maar dat is iets anders dan geloofs- of gewetensvrijheid.

Reformatie en Renaissance

De Reformatie roept op tot geloof; zij heeft in de Renaissance herkend de steeds toenemende vereenzaming van de autonome mens. Hoe kan de eenzame mens weer met God verbonden worden? Met de problematiek is Luther ver boven de naïviteit van de renaissance uitgestegen. Erasmus heeft het nihilistische en demonische wezen van de renaissance niet herkend.

Ondanks de uiterlijke gestalte is diepe vroomheid in de kerk der contrareformatie bewaard gebleven.

In het hoofdstuk over de 18de eeuw lezen wij prachtige stukken over Goethe (maar legt de schrijver niet meer in de laatste woorden van Goethe: Mehr Licht, dan waargemaakt kan worden?), over Kant, over Bach (te ver gaat de schrijver als hij poneert: Bach laat de dode god rusten in het graf).

Ook over de Franse revolutie zegt de schrijver alles behalve achterhaalde dingen, als hij het heeft over de vrijheid, die ieder tot slaaf maakt, een schijnvrijheid die de kiem van de dictatuur in zich draagt. Met de liberté van de Franse revolutie is de ergste slavernij gegeven nl. een lijfeigenschap, die niet alleen bij het lichaam blijft, maar ook de ziel tot slaaf maakt. Ieder is slaaf van de staat geworden, zelfs de leiders.

Evolutieleer

Hoe verder wij in dit boek doordringen, hoe minder aanvechtbaar worden de door de schrijver gemaakte analyses, hoe interessanter wordt het betoog. Ik denk aan het gedeelte, waar hij de evolutietheorie onder de loep neemt: de geleerde projecteert zijn eigen wereldbeschouwing op de werkelijkheid. De evolutieleer heeft een verwoesting op zedelijk gebied aangericht, waarvan zich langzamerhand de contouren duidelijk beginnen af te tekenen.

Wezen van de techniek

Het wezen van de techniek, die als een demon de mens steeds meer gaat beheersen bestaat hierin, dat zij de schepping losmaakt van de Schepper en dit leidt tot verwoesting van het menselijke. Het regiem van de vorst der duisternis is bezig een rijk op te bouwen, dat concurreert met het Rijk Gods. En de moderne psychologie dan? Zij heeft de mens steeds meer ontzield. Voor Freud is de mens niet veel meer dan een neurotisch dier. De psychologie heeft de mens in zijn eenzaamheid gelaten. Scherp tekent de schrijver het nivellerende element in de moderne communicatiemiddelen. Het is de demon van de techniek, die vele nivellerende machten heeft ingezet om de mens van zijn oorspronkelijke wezen te vervreemden. Op wereldbeschouwelijk, op religieus, op ethisch terrein is de moderne massamens praktisch geheel weerloos beheersbaar geworden voor degenen, die de massapsychologie kundig weten toe te passen. In een toeristische levenshouding, waartoe ook het televisiekijken behoort zoekt men de eigen situatie te ontvluchten. Herinnerende aan een theologie, die meent, dat secularisatie een vorm kan zijn van het koninkrijk Gods (A.Th. van Leeuwen, Het Christendom in de wereldgeschiedenis) zegt dr. De Graaff: Vreselijk is het als degenen, die geestelijke leiders menen te zijn, niet meer in staat blijken het Rijk Gods te onderscheiden van het rijk der demonen.

Uitzicht

Vanuit de verzoening is er nieuwe hoop en een weg om aan de slavernij van de moderne wereld te ontkomen.

Vragen

Al gaat de schrijver wel eens te ver in zijn scherpe typeringen en niets ontziende analyses, hij heeft veel, soms generaliseert hij m.i., maar hij heeft en geeft een machtige visie op de achtergronden van het culturele leven van deze tijd, die waard is bestudeerd te worden. Er zijn heel wat dingen, die de schrijver poneert en waar­ op hij niet kan ingaan. Gaat de schrijver niet te ver als hij zegt, dat het Christendom een typisch ressentiments- en zelfs dikwijls een parvenuhouding heeft aangenomen tegenover het Jodendom? Wil het beeld Gods zeggen (de schrijver houdt zich aan de vertaling: geschapen in het beeld Gods): de mens is geschapen in het gesprek met God? De schrijver heeft ernstige bezwaren tegen de predestinatieleer, zoals wij die bij Calvijn vinden. Ook over wat hier geschreven is met betrekking tot de 'messiaanse roeping van Israël' is wel het een en ander te zeggen.

De vermaning van Johannes heeft in de tijd bijzondere betekenis: Beproeft de geesten, of zij uit God zijn, want er zijn vele pseudo-profeten in de wereld uitgegaan (1 Joh. 4:1) En Paulus zegt: Beproeft alle dingen d.i. toetst de dingen en behoudt het goede.

Het is een voorrecht bezig te mogen zijn met 'de mysteriën Gods'. De schrijver zegt ergens: De moderne mens kent het mysterie niet meer; het is vervangen door de absurditeit.

Een studiewerk, dat er mag zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Achtergronden en uitzicht

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's