Jeugdwerk in Noord-Holland
Enkele weken geleden heb ik één en ander geschreven over de kritieke kerkelijke situatie in Noord-Holland. In dit artikel wil ik aandacht besteden aan het jeugdwerk in Noord-Holland, zoals dat verricht wordt onder leiding van wika J.Th. Pietersen te Warmenhuizen. Het jaarverslag van de provinciale commissie voor de jeugdvorming in Noord-Holland over 1969 geeft daartoe gerede aanleiding. De inhoud daarvan is van dien aard dat ds. L.G. Zwanenburg te Huizen in een uitvoerig schrijven aan wika Pietersen erop is ingegaan. Een afschrift van zijn brief heeft hij aan verschillende instanties gestuurd. We hopen dat deze brief de aandacht zal krijgen die ze verdient. In het onderstaande wil ik, na enkele hoofdzaken uit het jaarverslag te hebben genoemd, enkele hoofdpunten van de brief van ds. Zwanenburg de revue laten passeren.
Het jaarverslag
Blijkens het genoemde jaarverslag werd onder leiding van wika Pietersen op zaterdag 11 en zondag 12 januari in het kerkelijk centrum te Overveen een bijeenkomst gehouden waar een paar honderd jonge mensen uit verschillende kerkgenootschappen bijeenkwamen, jongeren die werden getypeerd als behorende tot de middengroep van de kerken met interesses naar links. Het programma voor het weekend bestond uit een kabaret, een lekespel, waarin aan de orde kwam hoe slecht het met de kerken in de hedendaagse consumptiemaatschappij is gesteld, voordracht en zang (op de zondagmorgen) en een open avondmaalsviering. Over een normale kerkdienst met woordverkondiging wordt niet gesproken. Wat de voordracht en de zang betreft, deze werden verzorgd door drie Joodse vrouwen, die spraken van hun volk en van Jahwe 'die bij hen is sinds Abraham en bij hen blijven zal’.
Van de open avondmaalsviering wordt gezegd dat deze indrukwekkend was. De jongeren hadden geen behoefte daarover — dus ook niet over de vraag of het wel kòn — te discussiëren. Waar wèl druk over gediscussieerd werd was de vraag naar het bestaansrecht van de kerken. Onder leiding van wika Pietersen werd een aktiegroep van 16 personen gevormd, die zich gaat bezinnen op vragen rondom het bestaansrecht van de kerken. Bovendien zijn al verschillende plaatselijke groepen gevormd, die in samenwerking met de actiegroep van 16, zo spoedig mogelijk 'een revolutie in de kerken zullen proberen te ontketenen’.
In het verslag is verder opgenomen een referaat van wika Pietersen, gehouden op de provinciale kerkvergadering van Noord Holland. Daarin betoogt hij o.a. dat in de tweede helft van de zestiger jaren in het jeugdwerk van Noord-Holland de zogenaamde 'tweegodenleer' tevoorschijn kwam. Het jeugdwerk moest namelijk gesplitst worden in enerzijds open jeugdwerk op algemene basis en anderzijds de godsdienstige vorming van de jeugd.
Vervolgens gaat de wika in op wat hij noemt de protesten van de hedendaagse jeugd tegen de welvaartsmachine tegen de consumptiemaatschappij. Er bestaat bij hem geen twijfel aan het eerlijke streven van jongeren naar een betere, dat is naar een leefbare wereld voor ons allen. Wika Pietersen besluit dan met de opmerking dat de kerk de jonge medemens als gelijkwaardige dient te ontmoeten en dat gebruik gemaakt moet worden van hun visie en energie. Dat zou betekenen: 'Het doortrekken van de twee-godenleer van Noord-Holland naar het geheel loslaten van kerkelijke organisatievormen voor de vrijetijdsbesteding der jeugd en het oecumeniëren van de godsdienstige vorming, het ingaan op akties die de maatschappijstructuur raken en ten volle honoreren wat er uit de jeugd voortkomt ten aanzien van het leven der kerk’.
Wat de verdere teneur van het jaarverslag betreft, deze is te vangen onder twee begrippen, namelijk oecumeniëring en ingaan op de samenlevingsvraagstukken. Dat zijn met name ook de doelstellingen van de in Noord-Holland ontstane interkerkelijke lekenbeweging Logos.
In de kerkelijke crisis van Noord-Holland werpt men in het jeugdwerk aan die zijde het net uit, in de hoop daar iets te vangen. Of één en ander kerkelijk, laat staan confessioneel gebonden is, wordt niet van belang geacht. Het rapport zegt: 'Het geloven in Jezus Christus is voor vele jongeren niet gebonden aan het belijden van Hem door middel van het lid-zijn van een kerk. Naarmate de kerken meer open-komen voor elkaar en voor konkreet deelnemen aan het wereldgebeuren zullen mogelijk die nieuwe vormen van gemeente-zijn ontstaan, waaraan ook de jongeren willen deelnemen.
Brief van ds. Zwanenburg
Op de totaalinhoud van het verslag van de provinciale commissie voor de jeugdvorming in Noord-Holland gaat ds. L.G. Zwanenburg in zijn brief aan wika Pietersen uitvoerig in. Hieronder volgen enkele passages uit zijn brief, die de inhoud van het verslag nog te scherper tekenen.
Over het jeugdweekend in Overveen zegt hij:
’Het is duidelijk dat 'rechts' niet wordt bereikt en geen vertrouwen heeft in deze opzet en doel. Jongeren uit kringen van de Geref. Bond uit heel Noord-Holland hebben hun eigen jaarlijkse bijeenkomst. Een traditionele preekdienst blijkt taboe. Ik neem zonder meer aan dat de zondagmorgenbijeenkomst indrukwekkend is geweest. Maar kwam duidelijk voor de jongeren uit dat 'God met ons' Jezus Christus is?
De kerken zijn bezig af te sterven omdat ze het Evangelie niet willen verstaan, of niet willen instaan voor de konsekwenties, aldus het verslag. Wat nu onder het Evangelie verstaan wordt, wordt niet duidelijk gemaakt, de konsekwenties worden omschreven. Het is alles daad wat de klok slaat.
Laten we toch bescheidener wezen. Zullen onze daden het bestaansrecht van de kerk moeten bewijzen? Hebben wij nu eindelijk het Evangelie begrepen? Of zouden we ook onze blinde vlekken hebben? Kunnen we nog luisteren naar anderen die er anders over denken? Als onze daden maar niet de kerk afbreken en nog meer doen vervreemden van het Evangelie. Als de beoogde revolutie ook in dit geval haar eigen kinderen maar niet verteert na vele slachtoffers te hebben gemaakt.
De theologische ondergrond van de verslagen werkzaamheden is een neerslag van een modern soort oecumenische theologie die zeer te kort doet aan de rijke inhoud van het Woord van God en alles verwacht van daden van mensen, christenen of niet-christenen.
Ik acht dit werk gevaarlijk voor de kerk. Het is een bezoeking voor hen die de gemeente willen vergaderen rond de verkondiging van het Evangelie. Ten enen male ontbreekt het bijbels getuigenis van Gods gericht en genade. De komst van Jezus Christus komt niet in zicht. Elk spoor van ootmoed ontbreekt, terwijl de situatie in jeugdland zo ernstig is. Het enige wat interesseert is een leefbare wereld, het protest van jongeren, maar niet de vraag of we ook uitzicht hebben op het eeuwige leven en hoe we de weg daarheen vinden. Wereldverbeteraars zijn 'in'. Voor zondaren die hun recht alleen in Gods genade in Christus vinden is geen aandacht.’
Over de groep Logos merkt ds. Zwanenburg op:
’Logos: een groot woord!
Er is veel sprake van samenlevingsvraagstukken. Hèt samenlevingvraagstuk is m.i. de algemene en toenemende vervreemding van God en zijn geboden. Die nood moet worden blootgelegd door het Woord van God. Dit moet daarom zijn volle ruimte hebben. Onze relatie tot God in en door Jezus Christus moet daarom resulteren in het ingaan op de bewuste of onbewuste geestelijke nood van onze medemensen. De mensen zijn niet gered als samenlevingsvraagstukken zijn opgelost en het menselijk geweten tegen misstanden is gemobiliseerd, hoezeer dit ook nodig is.
Als we dat vergeten, verzaken we onze roeping. Toen Christus zijn discipelen het verstand opende, zodat ze de Schriften verstonden, zeide Hij: Alzo is er geschreven, en alzo moest de Christus lijden en van de doden opstaan ten derden dage, en in zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving der zonden onder alle volken, beginnende te Jeruzalem. En gij zijt getuigen van deze dingen. Luk. 24:46-48. Verdisconteert 'Logos' deze dingen ook?
Is het toeval dat op pag. 4 in het verslag sprake is van de ene heilige algemene kerk i.p.v. ene heilige algemene christelijke kerk?'
Uit het schrijven van ds. Zwanenburg geef ik tenslotte ook enkele passages weer over de oecumene, o.a. zoals die door de groep Logos wordt nagestreefd.
Het catechisatiebezoek en andere vormen etc. lopen inderdaad op een enkele uitzondering na, ontstellend terug. De redding ligt m.i. niet in het serieus nemen van de wil tot eenheid van de jongeren, hoe legitiem deze wil ook op zichzelf is. Maar daarbij moet gevoegd worden dat de kerken moeten terugkeren tot de bediening der verzoening, het Evangelie van zonde en genade, bekering en vergeving. Als dit aan jongeren ontgaat, is het onze schuld. Als het niet lukt om de kennis van het Woord van God naar de belijdenis van onze kerk op jeugd over te dragen, dan zal de kerk inderdaad niet bestaan.
’De keuze van Logos komt me zeer dubieus voor. Het is nl. ook mogelijk dat de éne kerk die men wil, geen kerk zal zijn. De veelheid van kerken is waarlijk een aanklacht, maar slechts éne kerk garandeert nog niet de waarachtigheid van die kerk. De situatie van voor 1517 spreekt boekdelen.
Mag ik er ook op wijzen dat er nog vele meelevende jongeren zijn, die het bestaan van de kerk niet afhankelijk stellen van de eenheid, maar van het geloof in Jezus Christus hun Zaligmaker en in het bewaren van zijn woord. Waar de jeugd zich object weet, samen met ouderen, van Gods werk in de verkondiging van zijn Woord, verdwijnt ze niet. Waar dit niet het geval is, verdwijnen ouderen en jongeren samen.
Waarachtige oecumene is alleen mogelijk als we voor Gods Woord buigen, niet als het woord gesteld wordt onder onze kritiek.
Ware het niet beter om op grond van het jaarverslag 1969 te stellen dat we in Noord-Holland als kerk zeer klein zijn geworden en dat we dientengevolge in een zendingssituatie zijn terecht gekomen?
Dan kunnen we stellen: De kerk is zendingskerk of geen kerk. Dan is het ook aanvaardbaar dat in een dergelijke situatie allerlei op zichzelf genomen goede kerkordelijke regels niet meer en nog niet van toepassing zijn. De noodzaak om tegen allerlei kerkelijke zaken aan te schoppen verdwijnt dan ook. Het gaat niet aan voortdurend alleen de kerk om de oren te slaan. Zij die de kerk hebben verlaten dragen ook schuld.’
Tenslotte
Het is niet mogelijk het hele verslag en de hele brief van ds. Zwanenburg hier te behandelen. We kunnen er ons echter alleen maar over verheugen dat laatstgenoemde deze zaak zo duidelijk aan de orde heeft willen stellen. Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst. In zekere zin geldt dat ook voor de kerk, al weten we dat de toekomst van de kerk uiteindelijk niet door de jeugd wordt bepaald. Wanneer we de activiteiten in het jeugdwerk van Noord-Holland echter bezien, dan kunnen we niet zeggen dat hier gebouwd wordt aan een nieuw begin. Eerder is hier sprake van een restant van een verdwijnende kerk. Een laatste wanhopige poging om de kerk nog ergens aannemelijk te maken voor de jongeren door leuzen als sociale actie en oecumeniëring. Maar waar het Woord Zelf niet de dragende kracht daarvan is, daar zal de Heilige Geest niet de vernieuwing geven die nodig is.
Als we zo het kerkelijk leven in Noord Holland, met name ook wat betreft dit jeugdwerk bezien, dan moet je haast zeggen dat de kerk hier tot secte wordt. Geen enkele confessionele gebondenheid is er meer. Geen wonder als je je realiseert dat de catechese al sinds jaar en dag kwijnt, èn wat betreft de belangstelling èn wat betreft de manier waarop de catechese gegeven wordt.
Ik eindig dan ook met nog één opmerking van ds. Zwanenburg door te geven, die het hart van de zaak raakt:
'Voor jongeren zijn de vragen rondom het avondmaal niet interessante theoretische vragen. Wat dacht u anders te vinden bij jongeren die niet onderricht zijn in de leer van de kerk? Dit gegeven bewijst toch niet dat de vragen hierover niet belangrijk zijn? Weet men wel wat het avondmaal is en wie er aan uit het Woord niet hebben leren kennen en we niet tot Hem zijn bekeerd? Het grootste struikelblok is niet de veelheid van kerken, maar een haast algemeen ontbreken van het besef hoe ernstig de situatie is met het oog op de toekomst van Jezus Christus. 2 Kor. 5:10. Wie beweegt jongeren en ouderen tot geloof, wetende de schrik des Heren? Dringt de liefde van Christus ons? Komt het ons nog over de lippen: Wij bidden u van Christus' wege: Laat u met God verzoenen?
Dit komt niet uit het hart van een mens op, ook niet uit het hart van jonge mensen. Dit Woord staat tegenover ons en we moeten ervoor gewonnen worden door dat Woord zelf. De Kerk is geroepen dat Woord te bewaren, dus te verkondigen en te leren aan oud en jong.’
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's