De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

12 minuten leestijd

De R-K. Kerk en de niet-christelijke godsdiensten

Het tijdschrift voor zendingswetenschap 'De Heerbaan' beëindigde de 23ste jaargang met een themanummer over verlossing en bevrijding. De eerstkomende conferentie voor wereldzending en evangelisatie zal immers dit thema op allerlei wijze aan de orde stellen (The good news of Salvation today). Daarmee gaat deze conferentie zich dus bezig houden met de vraag, wat de inhoud van het Evangelie is, dat verkondigd moet worden temidden van een wereld, die in zeer snel tempo diepe veranderingen ondergaat in allerlei opzicht.

Het is een thema met veel facetten. Niet alleen de bijbelse gegevens over verlossing en bevrijding komen aan de orde, maar ook de confrontatie met de religies en het levensgevoel van de geseculariseerde wereld.

Prof. dr. A. Camps,ofm, hoogleraar aan de Katholieke universiteit van Nijmegen geeft in dit themanummer van 'De Heerbaan' een bijdrage over de r.k. visie op de niet-christelijke godsdiensten. Er vindt een verschuiving plaats die hij als volgt typeert: van aanpassing naar dialoog. Deze verschuiving raakt zowel de theologische bezinning, als de missionaire practijk.

Juist in een tijd, waarin men met name op het terrein van zending, evangelisatie, kortom de apostolaire taak van de kerk, streeft naar samenwerking tussen r.k. en reformatorische kerken, integratie van raden etc, is het goed ons er rekenschap van te geven, hoe Rome de niet-christelijke godsdiensten benadert. Maar al te zeer wordt de indruk gewekt, dat er een dusdanige geloofseenheid in Christus is, dat gemeenschappelijk handelen gerechtvaardigd is. Men denke slechts aan het vele dat er gezegd is over de deelname van de roomse kerk aan de tweede actie 'Kom over de brug'. De GZB heeft gemeend zich van medewerking te moeten onthouden, wanneer de roomse kerken meedoen. Niet uit antipapistische motieven maar omdat men theologisch tussen Rome en de Reformatie een dusdanige kloof ziet, dat het onverantwoord is een dergelijke gezamenlijke actie op te zetten, terwijl er theologisch zulke grote verschillen bestaan.

Deze diepingrijpende beslissing heeft dus een duidelijk principiële achtergrond. Tegenover het eenheidsstreven van allerlei groepen is het geloofsstandpunt gesteld dat zich gebonden weet aan de Schrift en de belijdenis der reformatie. De vraag die nogal eens gesteld wordt, met name door hen die een dergelijk eenheidsstreven willen bevorderen, is deze: Kan men deze principiële houding volhouden, nu er zoveel verandert in de roomse kerk en nu men op allerlei punten aan vernieuwing toe is?

Daarom waren we benieuwd naar dit artikel van prof. Camps. Zeker hij vertegenwoordigt éen stem, maar een ter zake kundige! Is er b.v. inzake de benadering van de niet-christelijke godsdiensten zoveel veranderd, dat dit een samengaan rechtvaardigt? De lezer oordele zelf.

Van aanpassing naar dialoog

Terwijl de theologie van de aanpassing in feite een eenrichtingverkeer betekent van concessies van het westers christendom aan andere godsdiensten en geen zicht heeft op de plaats van de andere godsdiensten binnen de heilsgeschiedenis, begint dit in de zestiger jaren te veranderen: een andere benadering komt naar voren.

De zgn. adventstheologie beschouwt het christendom als een vervulling van niet-christelijke godsdiensten. Men neemt dan zijn uitgangspunt in een algemene heilswil van God, die zich realiseert in een algemene heilsgeschiedenis van genade, zonde en verlossing. Binnen deze algemene heilsgeschiedenis kan men verschillende fasen onderscheiden. Er is een opklimming. De Kerk is Gods voltooide heil. In dit fasen-schema hebben dus ook de religies een plaats. Men moet daarom, rekenend met de algemene heilswil van God, de andere godsdiensten tegemoet treden in een geduldige dialoog. Uit een dergelijk geduldig luisteren tussen godsdiensten en openbaringen kan een inheemse kerk ontstaan.

Daarnaast voert men een pleidooi voor het anonieme christendom (Rahner, Anita Röper). Sinds de komst van Gods Woord in Christus vormt het christendom de enig wettige godsdienst. Dat betekent echter niet, dat andere godsdiensten direct hun legitimiteit verliezen.

Dat geschiedt pas wanneer het christendom tot concreet heilsaanbod wordt. Tot dan toe blijven andere godsdiensten heilswegen, want zij bevatten naast natuurlijke Godskennis bovennatuurlijke genade-elementen. Daarom moet men spreken van anoniem-christelijke godsdiensten.

Een derde theologie is de theologie van de plaatsvervanging. Christus staat plaatsvervangend voor ons allen, zeggen de vertegenwoordigers van deze school. Dat wordt in de Kerk voortgezet, want de kerk is de voortzetting van Christus. De niet-christen wordt dus gered omdat de christen zijn plaats inneemt.

Daarbij kan men deze plaatsvervanging actief of passief opvatten.

Uit deze summiere weergave, waarbij we het betoog van prof. Camps volgen, blijkt hoezeer hier de positieve betekenis van de niet-christelijke godsdiensten plaats heeft. Een theologie van de algemene verzoening wordt hier verbonden met de oude leer van de natuurlijke theologie. Duidelijk schemert ook door het typisch roomse schema van natuur en genade.

Men kan m.i. hier alleen maar de vraag stellen: Wat blijft hier nog over van het bijbels getuigenis inzake de radicale verdorvenheid en vervreemding van de God, het ten onderhouden van de Waarheid, in een dergelijk optimistische visie op de niet-christelijke godsdiensten?

Zeker, ook in Romeinen 1 is sprake van een algemene openbaring. Echter alles, wat Paulus daarover opmerkt, krijgt zijn spits in het aangrijpende woord, dat de mens buiten God en Christus niet te verontschuldigen is.

De reformatorische tegenstelling tussen zonde en genade voert tot een geheel andere benadering dan de roomse visie op natuur en bovennatuur.

Verschuivingen in het missionair handelen

De theorie staat niet los van de practijk. Volgens prof. Camps is hier sprake van wederzijdse beïnvloeding door theologie en practisch missionair handelen. Hij schrijft in dit verband:

Er zijn altijd missionarissen geweest, die de missionaire methode voortvloeiend uit de aanpassingstheologie niet bevredigend vonden. Een voorbeeld hiervan is pater Placied Tempels o.f.m., die zijn werk: Bantoefilosofie, in 1946 te Antwerpen uitgaf. Het gaat Tempels niet om uiterlijke aanpassing van afzonderlijke elementen van de Bantoegodsdienstigheid; hij wil in contact komen met de kern van het Bantoedenken, dat bestaat in een intens verlangen naar meer levenskracht, waarbij men moet bedenken, dat God de uiteindelijke gever van alle levenskracht is. Tempels presenteert het christendom als de vervulling van deze fundamentele aspiratie van de Bantoe, omdat Christus gezegd heeft: Ik ben gekomen, opdat zij het leven ten volle zullen bezitten. Daaruit ontstaat een geheel eigen dialogale missiemethodiek die Tempels uiteenzette in zijn werk: Notre rencontre, Léopoldville 1962. De Jama's, een eigen vorm van christelijk samenzijn in de Kongo, is er een resultaat van. De dialogale methode werd ook gevolgd door Jacques Dournes, die over zijn werk onder Jörai in Zuid-Vietnam een boeiende studie schreef: Dieu aime les paiëns, une mission de l' église sur les plateaux du Viet-Nam, Parijs 1963. Bij Dournes wordt een consequentie van de nieuwe aanpak zeer duidelijk: hij nam zes jaar de tijd om inzicht te krijgen in het religieuze denken van dit volk en toen nam hij zich voor geen afzonderlijke mensen te dopen maar alleen de hele gemeenschap, wanneer zij zich daartoe aanbood. Hij wilde komen tot een diep verankerd christendom, dat aansloot op de eigen heilssituatie van de Jörai.

De nieuwe missie-methodiek wordt dus gekenmerkt door een lange periode van pre-evangelisatie: een tijd van luisteren naar het religieuze goed van de ander, een tijd van ontdekken van zijn rijkdommen totdat de tijd komt om het juiste woord van het Evangelie te spreken. De geesteshouding eigen aan de pre-evangelisatie doordringt ook het verdere contact tijdens het katechumenaat en na de doop: zij is de aanzet tot een eigen vorm van christen zijn, van kerk zijn, en uiteindelijk tot een eigen theologisch denken. Door de theologische reflectie van de laatste jaren op de dialogale houding in het missiewerk zal de nieuwe methodiek verbeterd en meer verbreid worden.

Prof. Camps wijst er voorts op hoe ook het tweede Vaticaanse Concilie hierin zijn bijdrage heeft geleverd. Ook daar valt alle nadruk op de dialoog. Op de luisterhouding van de kerk 'om te vernemen welke rijkdommen de milde God aan de volkeren heeft uitgedeeld; zij moeten echter tevens proberen deze rijkdommen door het evangelisch licht te verhelderen, te bevrijden en terug te brengen onder de heerschappij van God, de Verlosser'. Ook wanneer de taak van de kerk t.o.v. de niet-christelijke godsdiensten ter sprake komt, legt Vaticanum II een sterk accent op de dialoog. Gedrags- en leefregels, geboden en opvattingen van andere religies weerspiegelen een straal van die Waarheid, welke alle mensen verlicht. De kerk heeft tot deze straal van Waarheid tot volle helderheid in Christus te voeren en de kerk moet dit doen door gesprek en samenwerking met andere godsdiensten om hun geestelijke, zedelijke en sociaal-culturele waarden te erkennen, te bewaren en te bevorderen.

Tot zover de weergave van Vaticanum II. Het is alles dialoog, gesprek, verheldering en vervulling wat de klok slaat. Zeker in het contact met vertegenwoordigers van andere godsdiensten is de benadering een belangrijk punt. Het is niet zo eenvoudig hier het juiste woord te kiezen: Moet men spreken van aangrijpingspunt? Van contactmogelijkheden? En dat het luisteren belangrijk is, niemand zal het ontkennen.

Maar de tact om te komen tot het contact mag toch nooit het getuigenis doen verdwijnen. In de huidige roomse missietheologie wordt de dialoog zo beklemtoond — en gezien de premissen van de roomse theologie is het verstaanbaar! — dat de oproep tot bekering nauwelijks meer gehoord wordt. Wij menen dat dat alles ons zeer voorzichtig moet maken. Wij kunnen daarin de weigering van de GZB ten volle verstaan.

Zolang er nog zulke punten in het geding zijn, is het eigenlijk onwaarachtig om in een gezamenlijke actie zich over dergelijke fundamentele verschillen heen te zetten. Prof. Camps gaf ons een duidelijke uiteenzetting van het r.k. standpunt, dat elk reformatorisch christen te denken moet geven. Een zendingstheologie en practijk, die ernst maakt met het reformatorisch belijden kan onmogelijk met Rome in zee gaan.

Rumoer rondom een bisschopsbenoeming

Er is nogal wat deining ontstaan rondom de benoeming van dr. A. Simonis tot bisschop van Rotterdam. Prof. Bronkhorst deelt in Hervormd Nederland van 9 januari mee, dat de protesten van progressieve zijde niet de persoon van de nieuwbenoemde betroffen, en evenmin zijn kwaliteiten.

De protesten betreffen de wijze van benoeming en de theologische inzichten van dr. Simonis. Prof. Bronkhorst schrijft hierover:

De protesten betreffen aan de ene kant de wijze, waarop de benoeming tot stand is gekomen. Sinds het tweede Vaticaanse Concilie wordt het normaal en vanzelfsprekend geacht, dat aan de bisdommen een zeker recht van inspraak wordt toegekend bij de benoeming van hun bisschop. Het bisdom Rotterdam heeft zich daarvoor veel moeite gegeven en zelfs op brede schaal medewerking gekregen om een soort 'portret' te tekenen, waarmee de nieuwe bisschop gelijkenis zou moeten vertonen. Verder is aan allerlei instanties om advies gevraagd.

Het schijnt dat het ontworpen 'portret' toch duidelijk andere trekken vertoonde dan de figuur van dr. Simonis.

Rondom de verdere aanbevelingen hangt een sfeer van een zekere geheimhouding. Dr. Simonis schijnt als kandidaat van een groep priesters uit het bisdom te zijn genoemd, maar hoe groot deze groep was in verhouding tot de aanhangers van andere kandidaten is niet bekend gemaakt. Wie precies door het Rotterdamse kapittel op het drietal zijn geplaatst, is ook niet gepubliceerd. Volgens veler opinie was dr. Simonis daar beslist niet bij en zou de Rotterdamse vicaris dr. Braun de eerste kandidaat zijn geweest op de officiële aanbeveling. Maar zekerheid daarover bestaat bij buitenstaanders tot nu toe allerminst.

Is dr. Simonis door de pauselijke pronuntius Felici aan het Rotterdamse drietal toegevoegd? Kan aan 'Rome' (hier: het Vaticaanse departement voor de bisschoppen, geleid door kardinaal Confalinieri) worden verweten, dat een dergelijk toegevoegd kandidaat met voorbijgaan van de anderen tenslotte benoemd is? Kerkrechtelijk is de inspraak van het bisdom nog op geen enkele wijze geregeld, al kunnen wij vanuit reformatorische overtuiging het moeilijk juist vinden, dat een bisschop aan een bisdom zou kunnen worden opgedrongen. In hoeverre is dat hier inderdaad geschied?

De bezwaren vanuit het bisdom betreffen echter vooral de theologische inzichten van de nieuwe bisschop. Die zijn zeker niet extreem conservatief. Zijn verklaring 'Als ik naast Ottaviani sta, ben ik progressief, als ik naast Hans Küng (een bekend Zwitsers r.k. vemieuwingstheoloog) sta, ben ik conservatief' acht ik een goede typering van zijn theologische positie. Maar hij heeft in de laatste dagen duidelijk laten uitkomen, dat hij in verschillende opzichten volkomen achter de uitspraken van paus Paulus VI staat (inzake diens afwijzing van de voorbehoedmiddelen in de encycliek 'Humanae Vitae' van 1968; inzake diens weigering het verplichte priestercelibaat te verzachten in 1970), waar de Nederlandse bisschoppen een veel genuanceerder standpunt innamen. Binnen het Rotterdamse bisdom zijn er daarom blijkbaar velen, die vrezen, dat hij niet de geschikte bruggenbouwer tussen de verschillende partijen en groepen zal kunnen zijn, als bijvoorbeeld naar veler verwachting vicaris Braun zou zijn geweest. En men vreest bovendien, dat hij de tot nu toe in het Nederlandse bisschoppencollege naar buiten getreden eenheid zou gaan verbreken. De koers, zoals die in Nederland sedert het slot van het tweede Vaticaanse concilie in 1965 door de bisschoppen gevolgd is, zou daardoor dubieus zijn geworden.

Wat de benoeming van dr. Simonis voor de oecumene betekent, valt nog moeilijk te zeggen. Zeker is, dat deze niet zonder betekenis is. Velen vrezen een afremming van de huidige ontwikkeling binnen de nederlandse kerkprovincie. Men zou natuurlijk ook kunnen zeggen dat de nieuwbenoemde een stroming vertegenwoordigt die zeker in de kringen van het Vaticaan nog sterk vertegenwoordigd is, een stroming waar we mee te rekenen hebben. Duidelijk is echter hoezeer de spanningen in de r.k.. kerk toenemen. Een dergelijk protest tegen een pauselijke benoeming zou tien jaar geleden nauwelijks denkbaar zijn geweest. In het contact met Rome komt steeds meer de vraag naar voren: Over welk Rome spreken wij? Het Rome, vertegenwoordigd door dr. Simonis of het Rome, waarvoor de progressieven pleiten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's