De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het apostolaat in de grote stad

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het apostolaat in de grote stad

6 minuten leestijd

I

Toen de Nieuwe Kerkorde destijds aanvaard werd, is één van de springende punten in de discussie hieromtrent geweest de volgorde van de artikelen 8 en 10. Artikel 8 handelde over het apostolaat en artikel 10 over het belijden der kerk. Vooral van hervormd-gereformeerde zijde is toen erop gewezen, dat deze volgorde onjuist was. Zij moest precies andersom zijn. Eerst moet vast staan, wat de kerk belijdt. En dan pas heeft zij vanuit dit belijden de opdracht te verstaan om haar boodschap te verkondigen in de wereld.

Van de andere zijde is toen betoogd, dat juist wanneer de kerk zich werpt in het apostolaat voor haar dan al doende de kracht en de inhoud van haar belijden duidelijk gaat worden. Daarom werd deze volgorde aangehouden, principieel.

Het valt niet te ontkennen, dat dit een optimistische visie op het kerk-zijn insloot. Maar dat optimisme tierde in de kerk toen welig. Men meende, dat de kerk uit de oorlog als een vernieuwde en ontwaakte kerk te voorschijn was getreden. En men zag een grote taak gereed liggen. De kerk moest het volk kerstenen. Het apostolaat was haar eerste en meest wezenlijke roeping.

Het is nu twintig jaar later. Misschien mag nu gevraagd worden naar de realiteit en de realisering van bovengenoemd optimisme. Er mag naar gevraagd worden, waar deze apostolaire drang van de kerk toe gebracht heeft, welke vruchten zij heeft opgeleverd voor de kerk en voor het volk. Dit onderzoek mag niet hooghartig gebeuren. Maar wel dient het reëel te zijn. Het apostolaat zelf vraagt daarom.

Het leek ons in dit verband juist om ons af te vragen, wat in de grote stad het apostolaire bezig-zijn van de kerk heeft opgeleverd. Wat is er daar van te merken? Welke plaats neemt de kerk in de grote stad in?

Ik moet me daarbij beperken tot de stad Amsterdam, waar ik nu enkele jaren werkzaam ben. Hoe ziet het er daar uit? Uiteraard is mijn ordeel beperkt en subjectief. Mijn interpretatie van de feiten zal niet die van iedereen zijn. Maar in ieder geval wil ze tot nadenken stemmen, tot nadere bezinning op de roeping van de kerk, met name in de grote stad, maar ook wel in het algemeen.

Ik begin met de vraag, hoe het met de gemeente gesteld is in de grote stad. Die gemeente slinkt zienderogen. Cijfers noem ik niet, maar wat ik met mijn ogen zie, is, dat de kerken matig tot zeer slecht bezet zijn. Dat is vergeleken bij nog geen 20 jaar geleden een achteruitgang van ver over de helft.

Nu hoeft dit op zichzelf nog niet alles te zeggen. Wanneer deze gereduceerde gemeente de betekenis en de kracht zou bezitten van een levende kern, dan zou het een hoopvolle zaak zijn. Dan zou er in ieder geval een basis zijn om van daaruit te werken, wervend in de wereld.

Maar de overgebleven gemeente is geen kern-gemeente, maar een restant-gemeente. Te vergelijken min of meer met de restanten, die in een uitverkoop tegen verlaagde prijs verkrijgbaar zijn. Geen rooskleurige typering is dit, maar zij is helaas reëel.

Het is al te merken aan de leeftijdsopbouw van de kerkende gemeente. Die is ver boven de middelbare leeftijd. Bijzonder weinig jeugd, en eveneens weinig jonge gezinnen. Dat betekent dus, dat de ouderen nog naar de kerk gaan. Zij houden de traditie nog aan. De jongeren voelen er niet meer voor. Zij laten het afweten. Ook inhoudelijk blijkt het zo te zijn. Degenen, die nog naar de kerk gaan, drukken inderdaad het stempel van restant-gemeente te zijn op de kerk. Ze worden beheerst door de mentaliteit van een aflopende zaak. Van: nog redden wat er te redden valt. En het geloofsleven is weinig krachtig, sterk moralistisch ingesteld, horizontaal, burgerlijk. Een onder-onsje-sfeer.

De gedachte kan opkomen, dat de horizontale prediking bepaald niet uit de lucht is komen vallen. Het klimaat van de gemeente past er goed bij. Maar juist dat maakt de gemeente tot een clan en niet tot een beweging. Uiteraard is dit oordeel generaliserend. Er zijn naar verschillende kanten gunstige uitzonderingen.

Daar komt bij, dat de steeds groter wordende financiële tekorten de toerusting van de gemeente gaande meer gebrekkiger doen worden. Kerken worden gesloten (verkocht), predikantsplaatsen worden opgeheven, predikanten krijgen halve taken op diverse terreinen toegewezen waar volledige taken op hen wachten. Dat maakt de zo broodnodige intensivering van het kerkelijk leven tot een nog onmogelijker zaak.

Wat de kerk naar buiten te betekenen heeft, is daaraan navenant. Er zijn jaren geleden vele taken door de kerk ter hand genomen. Wij denken aan het jeugdwerk in al zijn verschillende facetten, aan het maatschappelijk werk, aan het werk onder de bejaarden, het Open deur-werk. Zien wij nu, wat daar nu van is overgebleven, dan is dat heel weinig. Er is nog een enkele Open-deur groep, die gebrekkig functioneert. Maar in de meeste gevallen wordt aan direct evangelisatiewerk òf helemaal niets gedaan, òf het beperkt zich tot het toevoegen van een Kerstnummer van de Open deur bij de kerstbakjes voor de zieken en de bejaarden.

Predikanten, die zich rechtstreeks met apostolaat, inhoudelijk, bezighouden, zijn er niet. De kerkeraden zijn functioneel zo noodlijdend, dat zelfs het hoognodige pastoraat te kort schiet. De predikant is in vele gevallen de enige, die het werk moet doen.

Een andere ontwikkeling is die, welke andere min of meer apostolaire taken van de kerk betreft. Het jeugdwerk is opgezet destijds vanuit genoemde apostolaire visie op de kerk. Maar al doende is dit werk zo geseculariseerd, dat men er nu aan toe is om het een zelfstandige plaats te geven, die de verbinding met de kerk tot het minimale beperkt. Eenzelfde ontwikkeling is gaande bij het bejaardenwerk en in mindere mate ook bij het maatschappelijk werk.

Er blijkt in plaats van een kerstenende een seculariserende invloed van de kerk uit te gaan, in al deze takken van het werk. De werkgroepen verzelfstandigen zich, vinden de kerk een lastige bevoogding, en proberen de band zo los mogelijk te maken of geheel te verbreken. In feite is dat vaak daardoor veroorzaakt, ik denk dan aan het open jeugdwerk b.v., dat de mensen die het werk moesten doen, niet door de kerk of zelfs niet door het evangelie werden geïnspireerd, maar door een seculiere technische visie op hun werk.

Trekken wij een samenvattende conclusie, dan moet worden gezegd, dat het apostolaire werk van de kerk in een stad als Amsterdam momenteel tot een minimum is gedaald.

Natuurlijk wekt dit de zorg van velen, ook van leden en ambtsdragers van de gemeente Amsterdam. Het is op dit ogenblik een punt van ernstige bezinning. En er worden ook pogingen in het werk gesteld om deze malaise op te heffen. Daarover een volgende keer meer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Het apostolaat in de grote stad

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's