Wat een dag
en zij volgden Jezus. En Jezus, zich omkerende en ziende hen volgen zei tot hen: Wat zoekt gij? En zij zeiden tot Hem: Rabbi — hetwelk is te zeggen, overgezet zijnde, meester — waar woont Gij? En hij zei tot hen: Komt en ziet. Zij kwamen en zagen waar Hij woonde en bleven die dag bij Hem. En het was omtrent de tiende ure. Johannes 1:38—40.
Ziet, het Lam Gods! Dat is maar niet een woord, dat Johannes uitspreekt, dat is een vinger, die hij uitstrekt, een wenk: Vervoeg u bij Hem. Zo verstaan die twee het. Zij volgden Jezus. Ze blijven niet bij Johannes, ze veranderen van leermeester, voortaan zijn ze leerlingen van Jezus. Volgelingen zijn leerlingen! Zij weten er nog niet alles van, ze weten er nog maar heel weinig van. Hoe komen wij er toch aan, elkaar te vertellen, dat wij eerst dit en dat moeten weten, om te mogen volgen? Alsof we iets te weten zouden komen, zonder Hem te volgen. Er gaat niet veel aan vooraf in dit evangelie, en we mogen er niets aan toedoen. In het vervolg blijkt wel, hoe onwetend ze nog waren! Maar ze wisten wel wat dat inhield: het Lam Gods! Dat dacht u maar. Als het Lam ter slachting geleid wordt, trachten zij het te verhinderen. Nee, u zoekt het steeds weer aan de verkeerde kant. U zoekt het bij die twee, u moet het bij Christus zoeken. Zij volgden Hèm, zij gingen bij Hem in de leer. Niemand volgt Jezus, omdat hij weet wie Jezus is, omdat hij weet wat dat is, het Lam Gods. Wij volgen Hem, om het te weten te komen. Daarin is een aanvankelijk vermoeden wakker geworden en werkzaam, vooral werkzaam. Bij Hem moet ik zijn, want Hij is het.
Zo raakt Johannes twee toegewijde leerlingen kwijt. Hij ziet hen gaan en roept hen niet terug. Hij moet wassen en ik minder worden. De vriend van de bruidegom verblijdt zich.
En Jezus, zal Hij de leerlingen van Johannes overnemen? Die twee volgen Hem wat schoorvoetend. Ze lopen Hem na. Zij roepen Hem niet na, daartoe missen ze de moed, daarvoor is de nood niet hoog genoeg gestegen. Maar het verlangen is levend, dat wel. Durven ze Hem niet aanspreken, Jezus keert zich zeer opzettelijk om. Want Hij liep op hen te wachten. Hij ziet hen volgen. Zijn eerste leerlingen, Hem door de Vader gegeven. Hij neemt hen scherp op. Dat zijn ze dus. Johannes en Andreas. Zijn discipelen van nu, zijn apostelen van straks. Hij aanvaardt hen met alle lasten daaraan verbonden. Hij zal van deze leerlingen leraren maken en wat ze nu ternauwernood verstaan, zal hen gaandeweg duidelijker worden. Zijn Geest zal hen in alle waarheid leiden. Laat dat maar aan Hem over. Hij is een goede leermeester. Hij is blij met zijn leerlingen. Hij is blij met ieder, jong en oud, die Hem volgt. Ga maar mee, zegt Hij.
En ziende hen volgen. Het Lam volgen. Bij het Lam Gods in de leer gaan. Dat wordt de kruisweg gaan. Onderweg sterven we aan onze goede wil, aan onze goede voornemens, aan onze goede gevoelens. Wat zal er, al volgende, van overblijven? Zullen we niet veel meer de zonden zien toenemen? Dat zullen we. Zo zal dit volgen, een sterven zijn, om te leven. We gaan achter het Lam aan, omdat de zonden anders op ons terugvallen, daarom. Wij volgen Hem als de schuldovernemende en schuldwegdragende Christus, Hij is onze gerechtigheid en onze heiligheid voor God. Dit volgen is leren, en leren is: vervolgen te kennen.
Zo ver is het nu nog niet. Jezus stelt de eerste vraag: Wat zoekt gij? Zijn eerste woord in dit evangelie is een vraag. Om hen aan het spreken te krijgen, om hen uit hun tent te lokken. Keert Hij zich niet telkens om, opdat wij voor de dag zouden komen met wat ons ten diepste beweegt? Wat zoekt gij? Ja, daar bent u mee bedoeld, u die dit leest. Waar is het u om te doen? Om alles en nog wat, behalve om Hem? Alles behalve! Hem zoek ik, van Hem hoorde ik, tot Hem kwam ik. Hij vraagt mij wel eens: zult gij ook niet heengaan? En dan: wat zoekt gij de Levende bij de doden. Zulke vragen zijn ontdekkend. Zij trekken de band met Jezus weer wat strakker aan. Zij maken mij ook wel eens beschaamd.
Ons tweetal is op deze vraag niet verdacht. Zij liepen Hem na, en nu moeten ze zeggen waarom. Wat zoekt gij? Dat kunnen ze nog niet zo goed onder woorden brengen. Hun antwoord maakt een onbeholpen indruk: Rabbi, waar woont Gij? Over zo'n antwoord is menigeen niet tevreden. Is dat nu alles: waar woont U? Ziet het Lam Gods! Dan is er toch wel meer aan de orde, dan mag men toch een antwoord verwachten dat daarmee samenhangt. Er zijn zo veel mensen, die de antwoorden weten, maar ze nooit aan Jezus geven. Laten zij liever zwijgen, en Hem volgen. Wat zoekt gij? Och, ik kan het niet zo zeggen, als ik wel wilde.
Er ligt toch meer in, dan u op het eerste gehoor vermoedt. Rabbi, dat betekent meester. Maar dan zeer bepaald: leermeester. Dat is dus een belijdenis, die een keuze inhoudt. Johannes noemt Hem hier voor het eerst: Meester, ze waren niet langer leerlingen van Johannes. Gingen ze niet meer naar school? Ja wel, ze gingen bij een andere Rabbi naar school. Wat zoekt gij? Wij zoeken een leermeester, wij zoeken u als onze leermeester. Zij melden zich bij de hoogste Leraar, die de raad en de weg Gods tot zaligheid ons volkomen bekend maakt. En wat men ook van die beide mag zeggen — het zijn geen beste leerlingen, geen goede verstaanders, ze hebben meer dan een half woord nodig, ze zijn hardleers, en zo maar voort — één ding moet ieder toegeven: Bij deze belijdenis zijn ze gebleven. Tot Wien zullen wij heengaan, Gij hebt de woorden van het eeuwige leven Rabbi. Nooit raken we bij Hem uitgeleerd. En nooit worden we door Hem weggestuurd, al zijn de vorderingen niet naar de maat en de aard van de lessen. Geen kwaad woord over de lessen, geen kwaad woord over de leermeester Rabbi.
Waar woont Gij. Dat is niet zo onnozel als het klinkt. Het betekent: Wij zouden u graag eens spreken. Wilt u ons ontvangen? Zij vragen het niet uit nieuwsgierigheid. Zij zouden meteen met de lessen willen beginnen, als het mag. Rabbi, waar woont Gij ?
Jezus is een goed verstaander: Hij zei tot hen: Komt en ziet. Ga maar met Mij mee. Nee, Hij zegt niet: Ik dacht dat jullie leerlingen van Johannes waren, jullie moeten bij hem blijven. Hij zegt: Jullie mogen bij mij blijven. Ze worden als leerlingen aanvaard. En Hij stelt de ontmoeting niet uit tot overmorgen; vandaag nog zal Hij hen ontvangen. Komt en ziet. Ik liep hier heen en weer, nu lopen we samen naar het huis waarin ik mijn intrek nam. Ik zal u tot mijn kwekelingen maken. Ik zal u vormen tot evangelisten. Komt en ziet. Jezus stuurt nooit leergierige mensen weg, of terug, of door. Wel betweters. Wel mensen, die geen leermeester nodig hebben. En als wij zo onverstandig zijn, dat we ons niet durven scharen onder Zijn leerlingen? Belijdt Hem als Rabbi. Vraagt waar Hij woont. Want Hij woont nog onder ons. Verzuimt de bediening van het Woord en de Sacramenten niet. En bidt dat Hij daar gebruik van maakt, om u te leren.
Zij kwamen en zagen waar Hij woonde en bleven die dag bij Hem. De eerste schooldag. Johannes bewaart de woorden in zijn hart, hij deelt er ons verder niets van mee. Maar het is geen verloren dag geweest, o nee. Er werd zo veel geleerd, dat ze bij Hem bleven, voor goed! En Hem anderen aanbevelen!
Hoe laat begon de school? Het was omtrent de tiende ure. Ongeveer vier uur in de middag. Johannes ziet de zon nog aan de hemel staan. Onvergetelijk! Weer een dag. Een andere dag, een nieuwe, dag. Wat een dag.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's