Ingezonden
Het is algemeen bekend dat de toestand van onze Hervormde Kerk zeer precair is. Enkele weken geleden zond de praeses van de synode een brief aan 2000 Hervormden met het verzoek een bedrag van ƒ500,— te schenken, teneinde op die manier de kerk voor het faillissement te behoeden.Nu zal ieder, die deze brief ontving, daarop naar eigen inzicht hebhen gereageerd. Het zou bepaald niet passen daarover in ons blad één en ander te zeggen. Desalniettemin nemen we hieronder de brief op, die een lezer van ons blad schreef in antwoord op het verzoek van de synodepraeses.Men zou naar aanleiding hiervan kunnen vragen of het wel juist is om een antwoordschrijven op een persoonlijk gerichte brief te publiceren. Evenwel menen we dat een brief, die aan 2000 personen werd gericht, moeilijk nog als een privé aangelegenheid kan worden aangemerkt. Bovendien is hier in het geding de financiële positie van de kerk waarvan wij allen deel uitmaken.De reden echter waarom we vooral deze brief bredere bekendheid willen geven is de motivering, die in deze brief wordt aangevoerd inzake zijn besluit om het gevraagde bedrag niet te geven. Als wij dit stuk dan ook plaatsen gaat het ons niet om het al of niet geven van die ƒ500, nog minder om het ontketenen van een soort tegenactie — met plaatsing hebben we overigens gewacht tot genoegzaam kon worden aangenomen dat ieder, die de brief ontving, er op gereageerd heeft — maar om onze instemming te betuigen met de overwegingen, die de lezer hier aanvoert.Binnenkort wordt een extra synodevergadering gewijd aan de financiële positie van onze kerk. Wat zou het mooi zijn als daar nu eens niet het hoofdaccent zou liggen bij de financieel-technische aspecten, maar als eens iets gepeild zou worden van de oorzaken van de geestelijke crisis waarin we ons bevinden, oorzaken die ook alles te maken hebben met de financiële debacle die dreigt. De inhoud van onderstaande brief kan, naar het ons voorkomt, bij zo'n peiling van dienst zijn. Met het oog daarop menen we er goed aan te doen deze brief te plaatsen.De Redactie
2 januari 1971
Aan de Hoogeerwaarde Heer Ds J.A.G. van Zanten
Praeses van de Generale Synode der Nederlandse Hervormde Kerk, Carnegielaan 9, 's-Gravenhage
Hoogeerwaarde Heer,
Hierdoor bevestig ik de goede ontvangst van uw schrijven d.d. 21 december 1970, waarin u verzoekt om financiële bijstand in het tekort dat voor de Nederlandse Hervormde kerk voor 1971 wordt geraamd.
Ik heb deze brief met veel belangstelling gelezen omdat het welzijn van de kerk, en dus ook het financiële aspect daarvan, mij zeer ter harte gaan. Het in de brief vervatte verzoek heb ik daarom ernstig en gewetensvol overwogen.
Nochtans meen ik, er niet op te moeten ingaan.
Als blijk van hoe ernstig mij dit heeft beziggehouden moge ik u enige motieven noemen die mij tot het afwijzen van uw verzoek deden besluiten.
1. Hoewel het in een schrijven als het uwe niet direct aan de orde behoefde te komen, zou het anderzijds toch ook niet misplaatst zijn geweest, de financiële noodtoestand in verband te brengen met de deplorabele toestand van de kerk in het algemeen. Uw brief gaat daar geheel en al aan voorbij. Daardoor zou de schijn kunnen worden gewekt dat de leiding der kerk voor zulk een verband onvoldoende oog heeft.
2. Om duidelijk te zijn moet dit wat nader worden gepreciseerd: met 'deplorabeIe toestand' bedoel ik het functieverlies van de Nederlandse Hervormde kerk in de ruimste zin. Dit functieverlies heeft een zodanige omvang aangenomen dat de kring van belangstellenden, die de activiteiten der kerk financieel draagt, te klein is geworden. Uw actie betekent een poging, een laatste poging om de debacle nog wat uit te stellen. Zij wordt echter door geen enkele suggestie begeleid om de oorzaken weg te nemen die tot de debacle hebben geleid. Dit maakt een financieel bijspringen onaantrekkelijk. Er wordt niets in uitzicht gesteld.
3. Te minder spreken de klachten over de financiële toestand aan op hen, die het functieverlies der kerk met name in verband brengen met haar voortdurend afnemende geestelijke spankracht in zoverre deze bij de leiding der kerk tot uiting komt. Het is deze leiding, die als geheel na de oorlog de kerk een zo extraverte houding ten opzichte van de wereld heeft opgedrongen, dat de indruk wel moest ontstaan dat de geloofsbinding van de ranken aan de Wijnstok voor het bezig zijn van de kerk in de wereld niet meer als wezenlijk noodzakelijk wordt gezien. Dit weinig acht slaan op de bronnen van het geloofsleven en van het kerkelijk leven uitte zich reeds kort na de oorlog in de prioriteit, die destijds aan het apostolaat boven het belijden werd toegekend. Het heeft zich zeer verbreed in het horizontalisme dat thans opgeld doet, dat allerlei normen vervaagt omdat het allerlei gezagskaders (de Schrift, de presbyteriale kerkstructuur) relativeert, dat daardoor de kans krijgt om de kerk uit te leveren aan een kleurloos oecumenisme, en dit ook doet.
4. Prof. Berkhof karakteriseerde de wijze, waarop de Heilige Geest de kerk in alle waarheid leidt, als een telkens weer teruggeroepen worden van de gemeente uit haar eigenwillige dwaling tot het eeuwig blijvende Woord Gods (Geschiedenis der Kerk, 6e druk, blz. 147). Het komt mij voor dat de leiding der kerk als geheel in eerste aanleg dit terugroepen van de kerk tot haar vaste, onveranderlijke fundament thans evenzeer heeft te vertolken als de Reformatie dat in de 16e eeuw heeft gedaan. Mocht de leiding der kerk zich hiertoe zetten, dan zou zij aan deze reformatorische vertolking niet voorbij kunnen gaan.
5. Ik erken, dat de wereld maatschappelijk en vooral geestelijk een snelle ontwikkeling doormaakt, en dat de kerk die ontwikkeling in het oog heeft te houden. Ik neem aan dat de leiding der kerk dit ook zo ziet. Ik ben evenwel niet overtuigd dat zij inziet, dat de kerk voor een juiste opstelling 'het eeuwig blijvende Woord Gods' met de daaraan direct ontleende waarden zelf bepaaldelijk niet aan deze evolutie mag prijsgeven. De kerk schijnt het gevoel voor de juiste verhouding tussen wat verandert en wat blijft te verliezen.
6. Mocht de kerk, geleid door de H. Geest, indachtig aan haar reformatorisch verleden, zich laten oprichten uit deze haar dodelijke ingezonkenheid, dan zal een beroep op enkelingen voor financiële moeilijkheden op den duur niet meer nodig zijn. Mocht zulk een beroep aanvankelijk nog noodzakelijk zijn, dan zal daaraan eerder gevolg worden gegeven indien daarbij het opwekkend perspectief kan worden geboden van een terugkeer tot datgene wat blijvend is.
Bovengenoemde punten konden noodzakelijkerwijs niet in details afdalen. Ik moge u verzoeken, mij te willen verontschuldigen wanneer de formuleringen om deze reden aan duidelijkheid inboetten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's