De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Openingswoord

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Openingswoord

Contio predikanten van de Gereformeerde Bond op 6 en 7 januari 1971 te Woudschoten

12 minuten leestijd

Het is nu reeds twintig jaren, dat de contio van predikanten onder ons gehouden is. Steeds weer in de winter is op vaste tijden deze predikantensamenkomst gehouden. Hoewel het weer menigmaal een belemmering kon zijn, kwamen toch altijd weer aantallen variërend van tachtig tot honderd à honderd en tien predikanten, uit alle oorden van het land tezamen. Wij komen dan bijeen als leden van de Gereformeerde Bond. Het is dachten wij, goed, elkander als zodanig te ontmoeten, want dit zijn wij en dit willen wij zijn. Uit zulke ouders zijn wij geboren, uit zulk een volk zijn wij voortgekomen. Het Gereformeerde volk, waaruit wij gesproten zijn, hetwelk wij dienen, waarvoor wij staan, is ons lief, omdat hun religie ons lief is, omdat wij daarin de bijbel vinden en de belijdenis. Hierin zien wij, vanuit de openbaring Gods, in de belijdenissen van de Oude kerk en in die van de kerk der Reformatoren en in de Gereformeerde lijnen, die ook door ons volk en door onze kerk lopen, dat ene ongebroken geloof, dat ons van de vaderen is overgeleverd. Om dat geloof te bewaren, om dat geloof te verbreiden, werd eertijds de Bond opgericht. Niet om daarin een krachtige organisatie te scheppen, die als kerkpolitiek lichaam zich in de worsteling der meningen en overtuigingen kon werpen, werd de Bond opgericht. Niet om als krachtig orgaan in de kerk naar de hegemonie te streven hebben wij de Bond geërfd. De Bond is wel in de loop der jaren vrijwel de grootste groep, die steevast voor de bijbelse stukken, voor de geloofsstukken in de bres is getreden, maar wij zijn ook weer niet de enigen geweest. Terwijl alle richtingsorganisaties geminimaliseerd zijn in de kerk, is er een meerwaardigheidsgevoel gegroeid bij de uit heterogene bestanddelen bestaande leidinggevende groep in de kerk en is er een politiek gevoerd, die het voortbestaan van de Bond meer dan ooit noodzakelijk bleek te maken. Daarnaast en daar omheen werd dit eenheidsstreven van de leidinggevenden versterkt door een oecumenische band aan kerken wier inzichten deels niet veel verschillen van de hunne, deels zich aan de hunne assimileerden, terwijl de hunne zich assimileerde aan de opvattingen, de zich wijzigende opvattingen dier kerken.

Het Gereformeerd belijden van de kerk en het Gereformeerde karakter, dat in de naoorlogse jaren bijzonder werd aangetast en dat naar het leven werd gestaan, maakte het zijn van de Bond en het optreden van de Bond noodzakelijker dan ooit. Wij leefden toch niet alleen van deze kerk, maar vóór deze kerk. Ons zijn in de kerk werd meer dan ooit nodig ten báte van de kerk. Kopstukken van andere richtingen hebben dit voor en na, hoewel eerst bij het scheiden van dit leven, toegegeven. Wij beschouwen dit late erkennen als een ons niet ondierbare erfenis. Kopstukken van de kerk geven ook heden toe dat het streven van de Bond legitiem is en dat de leden van de Bond legitieme leden der kerk zijn. Zij zeggen zelfs, dat in de kerk alleen nog iets van deze groep te verwachten is.

Wij zeggen dit niet om onszelf te prijzen, ook niet om ons gelijk te demonstreren. Wij zeggen dit om onszelf en elkander te meer aan de onaantastbare dingen Gods, aan de onaantastbare dingen der kerk te binden. En deze onaantastbare dingen zijn: Gods Woord, de belijdenis en de kerk zelf. Gods Woord moet voor ons èn in ons persoonlijk leven, èn in ons kerkelijk leven boven alles staan en gaan. Daaraan moge tornen wie wil, dat moet voor ons zijn als de 'Banner of Truth'. Daarmee moeten wij staan of vallen. En deze banier kent geen vallen. Alleen haar dragers kunnen vallen en dan is dat vallen een afvallen, een vervallen. U weet, wat een aanvallen daar nu weer op gedaan worden, hoe oude en bekende aanvallen worden vernieuwd. En wat in andere kerken gebeurt, gaat aan ons niet voorbij. Het ziet er voorshands niet naar uit, dat de Gereformeerde kerken met de onze samensmelten. En vooral de neiging tot samengaan van de rechtzinnigen in die kerken met de Artikel 31ers en met de Christelijk Gereformeerden herinnert ons aan de dagen der afscheiding. Deze neiging tot zulk samengaan, is voor ons als Hervormd Gereformeerden opnieuw zo niet een getuigenis van ontrouw, als wel een getuigenis van onvermogen. Intussen werkt voor ons de tijd. Het is meer het afnemen van de aantallen leden der kerk, als het toenemen van eigen gelederen, dat onze positie in de kerk versterkt. Het zal weer de herstructurering zijn, die de positie der anderen sterk veranderen zal. Dit zijn dingen, die wij daarom niet begeren! In de kerk te onzen bate en in de kerk vooral ook te hunnen bate moet onze arbeid in de kerk geschieden. Wij leven niet slechts voor onszelf maar ook voor de anderen, die kinderen der kerk zijn. Wij hebben nodig wat zij nodig hebben. Zij hebben dat Woord nodig, waarom wij het onverkort hebben te prediken.

Ná het Woord is er ook de belijdenis. Het is ons allen bekend, dat de belijdenis sedert lang op non actief gesteld is. Thans wordt ook in de A.K.V. opnieuw een aanval daarop gedaan. Wil men dat zeggen, maar vernieuwd, maar vereenvoudigd, geen bezwaar! Als dàt er maar uitkomt, dat ten volle. Die belijdenis is het antwoord in de kerk op het woord, maar zij is ook het getuigenis van de kerk, het getuigenis van de kerk in deze wereld. Altijd tegen tegenstanders gedaan! Altijd tegen ketters gesproken! Dat is ons bezwaar tegen de kerken der scheiding, dat zij ons verbieden willen, om tot hen, die dwalen, te spreken het zuivere woord der kerk. Het is toch maar een wonderlijk ding, dat de belijdenis altijd en overal weerklank vindt, waar zij gesproken wordt. Het bezwaar tegen de Bonders en tegen de Bondsgemeenten is niet — en dat geldt zeer zeker ook de Confessionelen, de Kohlbruggianen — dat zij de belijdenis te veel spreken en te goed kennen, maar dat zij ze niet of niet genoeg spreken en niet kennen. Alleen de belijdenis, de leer moet voor ons léven, moet in ons leven. En is het niet de Geest, Die ons in alle waarheid leidt? Waar deze dingen voor ons zijn gaan leven en in ons leven, daar zullen wij ze ook levend voordragen en zij zal de gemeente doen leven.

Dan is de Gereformeerde kerkinrichting, kerkstructuur voor ons een zaak, die wij in de kerk hebben voor te staan. De kerk is een geloofsartikel, de Gereformeerde kerkinrichting is een belijdenis. Zij hangt met dat gereformeerde geloof samen, zij hangt met het gereformeerd verstaan van de bijbel samen. Men kan moeilijk een gereformeerd christen zijn met een Roomse of Lutherse kerkopvatting. De leiding der kerk staat naar andere structuren, omdat zij anders is gaan geloven, wàt anders is gaan geloven. Het is voor ons iets meer dan conservatisme, dat wij aan deze kerkstructuur willen vasthouden. Ik versta dat niet, dat men allerlei wil veranderen in democratische zin en dat men dan juist deze kerkregering van onderop wil afschaffen. Ik versta dat niet! Wij willen hiermee niet zeggen, dat de presbyteriale kerk inrichting een democratische is. Maar Christus regeert niet van boven naar beneden, maar van beneden naar boven. Dit hangt ten nauwste met ons geloof in Christus samen. Een herstructurering zal ons àllen aangaan en zal ons op allerlei wijze beroeren! Een van de eerst aangelegen punten voor ons is dan, dat de noodgemeenten en ook mentale gemeenten van allerlei aard, geïncorporeerd worden, ook in onze gemeenten. Niettemin zal dat in vrijzinnige en midden-orthodoxe streken — ik denk aan het noorden en zuiden van ons land — de meeste slachtoffers maken. Ook de A.K.V. dringt hierop sterk aan. (De A.K.V. dringt ook sterk aan op een herstel van prof. dr. P. Smits — maar dit hoort meer bij het voorgaande). Om de kerk dus — om hunnentwil — om onzentwil, zullen wij ons daartegen met kracht moeten verzetten.

U weet hoe de financiën der kerk er voor staan. Wij zouden kunnen zeggen: dat is hun verdiend loon. De slechte positie van de financiën zal op alles drukken. De onwezenlijk grote kop van de kerk is het synodale en provinciale bestuursapparaat, de generale financiële raad en al de raden, die onnoemelijk veel gekost hebben. Instellingen als het Seminarium, kerk en wereld, hebben natuurlijk ontzaglijk veel gekost. De kinderen van de rekening zijn vooreerst de grote steden, waar vele predikantsplaatsen zijn gesticht, waarvan nu ook vele weer opgeheven worden. Voor de uitbetaling van pensioenen dreigt niet voldoende geld te zijn. En zo voorts. De kerk heeft te duur geleefd en daar was niet voldoende leven in de kerk, arbeidzaam, productief geloofsleven, om op te brengen wat tot dit leven nodig was. Ik herinner mij, dat prof. dr. H. Visscher in de dertiger jaren tot mij zeide: 'Dit gaat onherroepelijk kapot'. En het gaat kapot. Wij zijn deelgenoot in deze kerk. Wij redden in het algemeen onze zaken wel, maar ook wij hebben aanvaard wat te hoog was opgeschroefd. Wat te doen? Zullen wij het faillissement mede trachten te voorkomen? Wij hebben wel wat veel geklaagd en onze zak toegebonden, als het ging over de financiën. In dit opzicht zijn wij wel wat meer getrouw geweest financieel, dan in onze belijdenis. Of moet ik ondanks alles, wat dit schrijven betreft, zeggen: ontrouw?

Hoe staan wij dan als Gereformeerde mannen in deze kerk, in onze kerk. Staan wij er werkelijk als Gereformeerde mannen? Wat ik u op deze contio — zo onder ons — zou willen vragen, is dit. Staan wij er? Of zijn wij genoopt en van zins om maar een goed heenkomen te zoeken? Gisteren ontving ik een telefoontje van een ouderling, in aansluiting op een brief, waarin mij gevraagd werd, of het nu geen tijd wordt om heen te gaan. Dan maar met achterlating van alles, om onze ziel als een buit uit te dragen? Mannen broeders, dat is maar niet een enkele stem. Ook hij, die nu tot u spreekt, heeft in het moderamen van de Synode voor slechts enkele jaren gezegd in een samenspreking van het Hoofdbestuur met het moderamen van de generale Synode: 'Wij zijn moeilijk voor elkaar, u voor ons en wij voor u. Doen wij maar niet beter, doen wij maar niet christelijker, met uit elkaar te gaan?' Zijn antwoord, mijn antwoord, is toen geweest: 'Neen, wij kunnen niet om de Kerk, wij kunnen niet om uwentwil, wij kunnen niet om onzentwil.’

Het zal u bekend zijn, dat van de zijde van de gescheiden kerken degenen, die met ons één bijbel, één belijdenis, één ge­loof hebben, over ons gaan of blijven zich hebben uitgesproken. Degenen, die gezind zijn uit de Ger. kerken om met de Hervormde kerk samen te gaan, zeggen met ronde woorden, wat zij voorheen reeds te kennen gaven, dat zij allerminst van de Ger. Bond gediend zijn. Dat degenen, die als verontrusten met de Hervormde kerk om haar leervrijheid niet willen verenigen, is van hun standpunt uit bezien te verstaan. Van Christelijk Gereformeerde zijde is ons nog vrij recent toegevoegd, dat de Bond op twee gedachten hinkt. Van de zijde van de Gereformeerde Gemeente is men van oordeel, dat hun kerk een gezegende kerk is, maar velen hunner achten toch altijd nog de Hervormde kerk 'de kerk' te zijn.

Hoe dit zij, wij willen naar het beginsel van de Bond in deze kerk, als van God gesticht, staan en daarin staan als voluit Gereformeerde mensen, met al de pijn, die dit met zich brengt. Dit is wat ik van u vragen wilde. Niet alleen staan wij er, maar staan wij er zo? Wij hebben elkander als predikantleden van de Bond dringend nodig, om elkanders handen te sterken. U weet, dat wij naar links en naar rechts "mensen verliezen, soms door onze gemeentes mee te nemen naar een nietsbiedende middenorthodoxie. Wij zijn daar niet blij mee, als wij gemeenten verliezen, wij zijn daar niet blij mee, als wij predikanten verliezen. Dat doet ons leed om hunnentwil. Het doet ons te steviger de band aan ons beginsel vastgrijpen, maar wij verliezen dan wat, wat van ons geweest is. Het doet ons ook leed, als wij mensen verliezen naar rechts, mensen die hun zijn in de kerk als een kwaad zien en die feitelijk geheel een oud gereformeerde godsdienst en een oud-gereformeerde kerkopvatting huldigen. Dat doet ons leed om ons en om onze zaak, het doet ons leed om henzelf. Het doet ons te steviger ons beginsel onzer kerk vastgrijpen. Daarom is ons woord: laat ons elkander vasthouden en laat ons tezamen ons Hervormd zijn, en in deze kerk ten volle ons Gereformeerd zijn, vast houden en beleven. Wij vragen geen excessen noch naar links, noch naar rechts. Maar wij vragen van onszelf en voor elkander wel een stevige gereformeerdheid. Iemand heeft de Bond genoemd de ruggegraat van de kerk. Wij vragen niet naar complimenten. Het is ons genoeg het eenvoudigste deel der kerk te zijn, misschien een hand, misschien een voet. Maar als het moet en als het kan dan maar een ruggegraat en dan graag een stevige.

Wat kunnen wij aan de kerk bieden? Aan de kerk kunnen wij bieden wat wij hebben. En dat is een Gereformeerde kerkopvatting. Dat zal allen ten goede komen, ook die het niet kennen, ook die het niet begeren. En als dan de Gereformeerde kerk structuur heeft, wat dan? Elia moest door een structuur heen, die der kerk niet was. De Baälsdienst had helemaal niets van de kerk. Wij kunnen aan de kerk bieden, wat zij heeft en wat velen niet kennen, namelijk haar eigen rijke belijdenis. En wij zullen toch vinden, dat deze schatten der kerk, waar wij het niet eens verwachtten, als de schatten van Gods verbond zullen gewaardeerd worden. Wij kunnen aan de kerk vooral nog bieden onze prediking, die onze goede God ons te prediken geeft, in deze kerk, aan dit volk. Zo dat ik maar zeggen wil: Laat ons in deze onze plaats, onder dit volk maar nederige dienaren van Christus zijn. Laat ons dus met volle behoud van ons beginsel en met volle kracht van ons beginsel dienen, zolang God het ons geeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Openingswoord

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's