’Israël, volk, land en staat’
II
Israëls verkiezing
Vorige maal zijn we geëindigd met de opmerking dat het niet eenvoudig is om in één ogenblik vast te houden het geliefd zijn om der vaderen wil en het vijanden zijn om wille van het evangelie.
Geliefd om der vaderen wil. Dat wijst op Israëls verkiezing. Daarom neemt Israël een uitzonderlijke positie in in de wereld, het is afgezonderd; de verkiezing Gods stelt Israël apart van alle andere volken der wereld: lectie sluit in selectie. Op die verkiezing wordt Israël vele malen aangesproken: Maar gij, Israël, mijn knecht, gij Jakob, die Ik verkoren heb, het zaad van Abraham, mijn liefhebber — (Jes. 41:8vv) Israël is het volk, dat de Here zich verworven heeft (ook de vertaling, het volk dat Hij zich geschapen heeft, is niet onmogelijk) Ex. 15:6. Israël is Gods eigendom: Indien gij naarstig Mijn stem zult gehoorzaam zijn en Mijn verbond houden, dan zult gij Mijn eigendom zijn (eigendom, een kostbaar persoonlijk bezit! )uit alle volken Ex. 19:5v. Mijn zoon. Mijn eerstgeborene is Israël, Ex. 4:22. Israël is Gods erfbezitting. Hij heeft het verlost en zo verkregen tot een eeuwige bezitting (bij erfbezitting ligt de klemtoon minder op de gedachte van de erfenis als veelmeer op de duur van dit bezit) Deut. 4:20. Wie zijn hand naar dit volk uitstrekt komt aan de Here zelf. Alleen, verkiezing en verbond behoren bijeen Ez. 20:5; verkiezing en een wandel in de vreze des Heren kunnen niet van elkaar worden gescheiden Deut. 6:21vv; 7:1—11, 14:1vv. Maar verkiezing is geen heilsautomatisme. En uitverkoren zijn van Israël betekent niet automatisch zaligheid en heil voor alle Joden. En dan ga ik niet in, op wat in het rapport en in het algemeen in de theologie in deze tijd geponeerd wordt, dat het bij Israël en diens verkiezing gaat om verkiezing tot dienst, dat is het ook wel, maar dat is niet het enige. En bovendien bij dienst is het eerste: de dienst des Heren.
God verkiest Israël tot Zijn dienst, best, maar deze verkiezing is weg en middel tot de verlossing der wereld. De Here verwent noch bederft Zijn lievelingen, al is Hij wel oneindig goed voor hen!
Ondanks alles blijft Israël het volk der verkiezing. Hoezeer ook de geschiedenis van Israël in het Oude Testament een geschiedenis is van ontrouw en afval, Israël blijft in de oudtestamentische bedeling de zichtbare manifestatie van de Kerk, Num. 20:4. De levende God wordt vele malen en lange tijd opzij gezet voor de dode afgoden der heidenen; ondankbaarheid en hoogmoed, wereldszin en vormendienst vieren hoogtij, maar de Here laat Zijn volk niet los. Voor velen was het in de dagen der profeten vanzelfsprekende zaak, dat de Here de zaak van Zijn volk behartigde. Voor velen was het zuiver een kwestie van afstamming: Men was een zoon van Abraham en had dus recht op Gods weldaden. En zo weinig heeft bij het volk als geheel de prediking der profeten weerklank gevonden, dat Johannes de Doper het vlammende woord tot de leidslieden van het volk richt: Meent niet bij uzelf te zeggen: wij hebben Abraham tot een vader, want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken, Matth. 3:9. Ik denk aan de onderscheiding zichtbare en onzichtbare kerk, die ik enigszins hier wil toepassen. Het is niet alles Israël, wat Israël genaamd wordt, zegt Paulus. En tot in deze tijd leest men het argument van vroeger: wij zijn Abrahams zaad. De bekende Rosenzweig zegt: Moet ik mij bekeren, terwijl ik van geboorte uitverkoren ben (von Geburt her)?
Deelhebben aan het geloof van Abraham
Het is geen kwestie van geboorte; in dit geval komen wij wel erg dichtbij de gedachte van bloed en bodem. Het gaat er in heel het Oude Testament om, dat niet natuurlijke afstamming beslist, maar wel de geestelijke betrekking met de stamvader Abraham. Het komt erop hetzelfde geloof te hebben als Abraham. Daarom staan de vreemdelingen er niet buiten, omdat ze geen joods bloed in hun aderen hebben, maar voorzoveel zij geen geloofsbetrekking met Israël hebben en niet delen in geloofssolidariteit met het volk, dat de Here Zich tot een erve verkoren heeft. En ook omgekeerd: Niet alle afstammelingen van Abraham delen in de weldaden van het verbond. Ismaël valt er buiten. Men kan zeggen, ja, maar hij was geboren uit een egyptische vrouw. Maar ook Ezau valt er buiten; hij was een kind uit Abrahams geslacht, maar verwierp de zegeningen Gods en de beloften van het Verbond. Vele malen lezen wij in het Oude Testament van wat Paulus zegt: natuurlijke takken worden afgesneden. Daarvan spreekt b.v. Gen. 17:14. De onbesnedene zal uitgeroeid worden uit zijn volken; hij heeft Mijn verbond verbroken. Daarvan spreken ook teksten als Lev. 17:9; 20:3; 23:29. Jesaja spreekt van die lijn, die dwars door Israël heenloopt als hij zich richt tot Israël: Hoort dit, gij oversten van Sodom; neem ter ere de wet onzes Gods, gij volk van Gomorra. Van die scheiding, die door Israël heenloopt lezen wij vele malen in de Psalmen. Maar de Here heeft in Zijn getrouwheid een overblijfsel gelaten. Het is niet alles Israël, wat Israël genaamd wordt en aan de andere kant: de vreemdeling behoeft niet buiten te staan; hij heeft toegang tot de gemeente van het O. Testament, Deut. 31:12; Jos. 8:33. Ruth, de Moabitische hoort erbij en Rachab de Kanaänitische en Melchizedek telt mee. Het woord Israël zelf bergt zoveel spanning in zich, dat het mij verwondert daarvan zo weinig in deze studie te vinden. Men spreekt over Israël te weinig genuanceerd 'Wie is vandaag Israël'. Dan lees ik in dit rapport: 'Een gevoel van saamhorigheid verbindt hen ...; uit deze door hen zelf de eeuwen door ervaren en ook voor niet-joden herkenbare gemeenschap blijkt, dat het joodse volk een nog altijd bestaande zichtbare feitelijkheid is'. Op zijn zachtst gezegd heb ik hieraan theologisch geen houvast.
Door Israël loopt een scheidslijn
Ook in het Nieuwe Testament zien wij de scheidingslijn door Israël heenlopen. Christus is de steen des aanstoots, gezet tot een val en opstanding, een teken dat wedersproken zal worden. Voor de een was Hij goed, voor de ander verleidde hij de schare. Hij kwam tot het Zijne en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Hij was gezonden tot de verlorene schapen van het huis Israëls, dat wil niet zeggen alleen gezonden tot de verlorenen in Israël, maar tot heel Israël in zijn verlorenheid, Matth. 10:6. Zijn eigen volk heeft Hem niet aanvaard; zijn eigen huisgenoten (Hebr. 3:5v) hebben Hem niet erkend. Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld is gekomen en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht. Joh. 3:19. Ook in die tijd wordt het woord van Jesaja waar: Een os kent zijn bezitter en een ezel de kribbe van zijn meester, maar Israël heeft geen kennis; Mijn volk verstaat niet (Jes. 1:3). De Jood is de eerste: laat eerst de kinderen verzadigd worden, Matth. 15:26. In het ongeloof zit een oordeel Gods. In verband met het spreken in gelijkenissen zeide Jezus tot de twaalven: Het is u gegeven de verborgenheden van het koninkrijk Gods te verstaan; maar degenen, die buiten zijn geschieden al deze dingen door gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien en horende niet horen (Marc. 4:11 vv). De geheimen van het Koninkrijk zijn voor hen verborgen, weggesloten en dat is een oordeel der verharding.
Eerst Israël. Maar alle volken der aarde zullen gezegend worden. In de oude bedeling gaat de stroom van het leven des Geestes door de bedding van het volksleven van Israël. Hier en daar breekt het water des levens zich baan dwars door de dijken heen, totdat op Gods tijd deze dijken overspoeld zullen worden, weggespoeld, als ook de heidenen zullen delen in de weldaden van Gods verbond. Na Pinksteren worden de muren rondom Israël afgebroken. Het is een mysterie (een verborgenheid) aan Paulus door openbaring bekend gemaakt, dat de heidenen medeërfgenamen zijn en tot hetzelfde lichaam behoren en mededeelgenoten zijner belofte zijn in Christus Jezus. (Ef. 3:3vv) De (vroegere) heidenen behoren met de (vroegere) joden samen tot het lichaam van Christus, tot hetzelfde lichaam (medelichaam, mede-ingelijfd, Ef. 3:6).
Wij zien in het Nieuwe Testament de scheidingslijn doorlopen: aan de ene kant Israël naar het vlees (1 Cor. 10:18), aan de andere kant het Israël naar de geest. Het is wel waar, dat de uitdrukking Israël naar de geest in het Nieuwe Testament niet voorkomt, maar daarmede is de zaak, die door deze zegswijze bedoeld wordt nog niet onschriftuurlijk! Het is de tegenstelling Israël naar het vlees en het Israël Gods (Gal. 6:16). Men kan ook vergelijken Gal. 4:28v de tegenstelling naar het vlees geboren en naar de geest geboren. Het is geen vraag van besnijdenis of voorhuid (Gal. 6:15), maar het is een zaak van een nieuwe schepping. Over degenen, die naar deze regel wandelen (deze canon, norm, dit richtsnoer) over dat nieuwe Israël zal vrede en barmhartigheid zijn (Ps. 125:5 e.a.).
In de nieuwtestamentische bedeling gaat de deur voor de heidenen wagenwijd open. Indien gij van Christus zijt, dan behoort gij tot het zaad van Abraham, Gal. 3:29; Rom. 4:16. Dan zijt gij erfgenamen Gods en medeërfgenamen van Christus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's