Adriaan van Haemstede en zijn martelaarsboek
III
Na enig omzwerven gaat van Haemstede naar Londen. Wat hem daarheen gedreven heeft is blijkbaar niet precies meer na te gaan. Ook niet wat in het begin zijn positie in het kerkelijk leven der Londense vluchtelingengemeente geweest is.
Deze gemeente was ontstaan, toen de jeugdige Eduard VI zijn vader Hendrik VIII als koning opvolgde. Het Protestantisme kreeg onder zijn regering door de leiding o.a. van de aartsbisschop van Canterbury Cranmer grote ingang, al is het, dat het kerkelijk leven een eigen stijl ontwikkelde (Anglicaanse kerk). Deze eigensoortige Reformatorische ontwikkeling maakte Engeland in die jaren tot een toevluchtsoord voor bannelingen en vervolgden. Maar Eduard VI sterft op zeer jeugdige leeftijd reeds in 1553. Hij wordt opgevolgd door zijn zuster Maria 'de Bloedige'. Deze fel-katholieke vorstin, die in 1554 met Filips II van Spanje huwde, vervolgde de Protestanten. Zij sterft in 1558 en wordt opgevolgd door haar halfzuster Elizabeth I. Deze heeft niet zozeer uit persoonlijke overtuiging, maar meer uit politieke motieven het Protestantisme zijn vrijheid hergeven.
De vroegere vluchtelingengemeente, die voor een deel naar het vasteland ontkomen was en voor een deel zich had weten schuil te houden in de dagen van Maria Tudor, kon er nu weer aan gaan denken het eigen kerkelijk leven weer op te bouwen. Haar werd weer het gebruik toegestaan van de kerk van St. Austinfriars. Maar zij was wel in hoge mate afhankelijk van de gunst van Elizabeth, die liefst één kerk van Roomsen en Protestanten samen had gezien. Elisabeth had een besliste afkeer van de Wederdopers met hun oproerige staatkundige denkbeelden en vooral aanvankelijk ook van het strenge Calvinisme.
In die zich herstellende gemeente krijgt Van Haemstede een plaats. Hij krijgt toestemming om te preken. In hetzelfde jaar beroept de kerkraad van de Ned. gemeente in Londen ds. P. Delenus, die samen met de bekende Johannes Utenhove, die de gemeente als ouderling dienen zal, naar Londen komt. Opmerkelijk voor de situatie is, dat de Ned. Gereformeerde kerk onder het gezag van de Engelse bisschop van Londen komt. Verder is er ook nog een Waalse vluchtelingen gemeente, die een predikant uit Genève begeert en ontvangt. Met beide kerkeraden komt Van Haemstede nu in conflict.
De kwestie waar het om gaat is tekenend voor de opvattingen van Van Haemstede over de grenzen der kerk. Hij heeft daar in Londen een groepje Doopsgezinden aangetroffen van een heel ander slag dan de Wederdopers op het vasteland. Het zijn voor hem zachtmoedige, verdraagzame, over het geheel rechtzinnige medechristenen, met wie hij de belijdenis van de verzoening door het kruis van Christus gemeen heeft. Zij nemen geen fel standpunt in wat betreft de kinderdoop. Hadden ze dit wel gedaan dan had Van Haemstede niet voor erkenning van deze mensen als 'broeders in den Here' gestreden. De felheid en onverdraagzaamheid van de Wederdopers op het vasteland heeft gemaakt, dat Van Haemstede, toen hij nog in Antwerpen zijn Martelaarsboek schreef, daarin geen plaats inruimde voor de velen, die uit die kringen door de overheid ter dood gebracht waren. Hun zaak werd voor hem te zeer bedorven door onzuivere motieven en hartstochten om hen een plaats onder martelaren terwille van 't Evangelie van de Here Jezus Christus toe te kennen.
En nu wordt dezelfde Van Haemstede in Londen de overtuigde verdediger van een groep Doopsgezinden, maar die niet fel en intolerant zijn. Hij zou voor hen een plaats in de gemeente van Christus willen inruimen, ondanks hun ook volgens Van Haemstede onjuiste opvattingen omtrent de menswording van Christus. Van Haemstede meent, dat hun opvatting, dat Christus Zijn mensheid niet uit Maria heeft aangenomen, maar uit de hemel heeft meegebracht, behoort tot het hout, hooi, stro en stoppelen, die door de mensen op het fundament Jezus Christus gebouwd zijn. Dat fundament blijft daarbij, naar hij meent, onaangetast en dus een gemeenschappelijke grondslag voor de Gereformeerden in Londen en déze Dopersen. De Londense kerkeraad meent, dat hier wel degelijk het fundament wordt aangetast. Als Jezus Christus niet in ons menselijk geslacht is gekomen, als Hij niet vlees van ons vlees is geworden, kan Hij ook niet onze Middelaar zijn. De kerkeraad ziet scherp, dat deze dwaling t.a.v. de incarnatie (de vleeswording) een spiritualistische achtergrond had, waaruit ook andere consequenties voortkwamen. Van Haemstede wordt ter verantwoofding geroepen op een kerkeraadsvergadering, die hij tenslotte in drift verlaat. Hij handhaaft zijn mening, dat de bedoelde Dopersen toch Christus als Hogepriester erkennen; dat men ze daarom moet behandelen wel als 'zwakke' broeders, maar dan toch als broeders; en dat de liefdeband hoger moet worden gewaardeerd, dan eenstemmigheid in de leer, ja, dat weigering in deze dwalende Dopersen waarachtige broeders in Christus te zien, voortkwam uit eenzelfde ontzegging van het recht op gewetensvrijheid als waaraan de Rooms-Katholieke kerk en de Wederdopers op het vasteland zich hadden schuldig gemaakt. In enkele stellingen vat de kerkeraad van Londen het Gereformeerde standpunt samen. Hij stelt de waarheidsvraag voorop; hij wijst op de andere Doperse dwalingen, die het niet mogelijk maken deze mensen als broeders te accepteren; hij eist dat Van Haemstede dienovereenkomstig duidelijk zal leren, zonder onderscheid te maken tussen Dopersen en Dopersen; en dat mensen, die tot het anabaptisme overgaan, zullen vallen onder de trapsgewijs toe te passen kerkelijke tucht.
Van Haemstede wil zich hierbij wel aansluiten, maar met het grote voorbehoud, dat men vreedzame figuren, die een eigen standpunt innemen zonder dat ze de kerk scheuren, als broeders moet aanvaarden.
Dit was echter juist het punt in kwestie. Het gevolg is, dat zowel de Nederlandse als de Waalse kerkeraad (de laatste spreekt zich zelfs het eerst uit) menen, dat Van Haemstede uit zijn ambt ontzet behoort te worden.
Merkwaardig is Van Haemstede 's reactie. Tot de afgezanten van de kerkeraad zegt hij: 'dit is prachtig, ik dank u hartelijk, dit is het wat ik zoek; zo behoort het, dat Christus altijd te lijden heeft van de oudsten en pharizeën; maar ik moet het Evangelie prediken; Hij zal mij plaats verschaffen’.
De schrijver van het Martelaarsboek drukt zichzelf hier al te gretig de martelaarskroon op de slapen. Hij spreekt zelfs van 'de hoogste vreugde' met Christus te mogen lijden.
Er blijft hierna, ondanks ontzetting uit het ambt en zelfs excommunicatie, nog wel een heen en weer schrijven. Van Haemstede verlangt een openbaar gesprek. Hij wil zich van de kerkeraad beroepen op de gemeente. Hij meent, dat de dwalingen van Melanchton, Bucer, Luther en Calvijn, niet minder ernstig zijn dan die van Menno Simons, maar 'hun balken zien wij niet, terwijl wij toch de splinters van anderen zo ijverig opmerken', zo meent hij.
Hoe dr. Jelsma kan menen, dat men met de opvatting der Mennonieten toch de bijbelse gegevens recht kan laten wedervaren, is mij niet duidelijk. Maar volgens Jelsma voert menselijkheid tot inzicht (bl. 141). Met alle waardering voor het echt menselijke, lijkt mij dit toch een zeer aanvechtbare stelling in de theologie. Maar dat Van Haemstede de kerkeraad, die zijn theologisch standpunt veroordeelde, alleen maar kan zien als farizeën en schriftgeleerden, komt slecht overeen met zijn zo geprezen tolerantie. Hij heeft ook de Londense kerkeraad niet verstaan.
De zaak 'Van Haemstede' komt tenslotte ook voor de Londense bisschop Grindal, die zich achter de excommunicatie van Van Haemstede stelt.
De kerkeraad van de Ned. vluchtelingengemeente voert daarna wel een zeer straffe tucht uit. Ook over degenen, die slechts de minste sympathie voor Van Haemstede hebben laten blijken. Ze worden van het Avondmaal geweerd.
Aan de éne kant staat dus Van Haemstede, die zover gaat in zijn verdediging van de vrijheid van geweten (maar is dit altijd wel het geweten, dat aan de orde is?), dat hij duidelijke ketters uit de oude kerk het recht van de twijfel gunt.
Aan de andere zijde is er m.i. een te ver volgehouden eis van zuiverheid van dogmatisch inzicht bij de kerkeraad op te merken. En niet alleen bij deze kerkeraad. Adriaan van Haemstede heeft blijkbaar een brief geschreven aan de bekende Petrus Martyr Vermigli, een in 1542 uit Italië gevlucht theoloog, die op uitnodiging van Cranmer ook enige tijd in Oxford gewerkt heeft, maar na de dood van Eduard VI uit Engeland moest uitwijken en verder in Straatsburg en Zürich als hoogleraar gearbeid heeft. Van Haemstede heeft blijkbaar gehoopt van die zijde steun voor zijn standpunt te krijgen. Dat is hem slecht bekomen. Wel is ook volgens dr. Jelsma niemand principiëler op de kwestie, waarom het ging, ingegaan dan Petrus Martyr. Maar ook deze ziet de Londense Dopersen toch als mensen, die ernstig dwalen, en die, opdat zij niet verloren gaan, nodig hebben ernstig gewaarschuwd en streng behandeld te worden, opdat de ernst van hun dwaling tot hen doordringe. Maar als Van Haemstede aanvoert, dat Luther toch ook wel gedwaald heeft, b.v. ten aanzien van het Avondmaal, terwijl toch niemand aan zijn zaligheid twijfelt, dan zegt Martyr: God kan nog op zijn sterfbed Luther verlicht hebben.
Ik meen, dat deze manier van redeneren foutief is. Wij kennen ten dele en ik geloof niet, dat alle verkeerde voorstellingen in elk opzicht in dit leven gecorrigeerd behoeven te worden, om met een waar geloof te leven en te sterven. Wel is m.i. duidelijk, dat Van Haemstede inderdaad de ernst van de Doperse dwaling, ook daar in Londen niet gezien heeft. Een dergelijke ontkenning van de waarachtige mensheid van Christus, althans van onze menselijke natuur, zet Hem niet alleen feitelijk buiten het hele geding, dat God met Zijn mensenwereld hier op aarde heeft, maar zulk een standpunt moet een bepaalde, niet-bijbelse achtergrond hebben. Zij hangt samen met haar spiritualistische, humaniserende tendenz. En wie Bethlehem eigenlijk kwijt is, kan op den duur ook Golgotha niet behouden.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's