Een Studie over Godslastering*
In 1932 diende de toenmalige minister van justitie, mr. dr. J. Donner, een wetsontwerp in bij de Staten Generaal, inhoudende dat voortaan strafbaar zou worden gesteld 'Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, door smalende Godslasteringen op voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze uitlaat'. Voordien was Godslastering als zodanig niet strafbaar. Wel was van Anti Revolutionaire zijde, bij monde van Groen van Prinsterer, Kuyper, Gewin, Chardon en door een commissie, die in 1924 benoemd was door het centraal comité van A.R. kiesverenigingen, de wenselijkheid van strafbaarstelling van Godslastering uitgesproken.
J.R. Chardon had in 1907, in zijn aan de V.U. verdedigde proefschrift, getiteld Geschiedenis en Begrip van Strafbare Godslastering, een pleidooi gehouden voor strafbaarstelling van Godslastering. Maar pas in 1932 was hiervoor een meerderheid van parlementsleden te vinden. De aanleiding was dat de vereniging 'De Dageraad' in brede kring van de bevolking grote verontwaardiging wekte door het verspreiden van aanplakbiljetten, waarop geschreven stond: 'God is het kwaad'. Verder verschenen in de dertiger jaren in het communistische blad De Tribune blasfemische artikelen, en o.a. ook een portret, waarop God met een gasmasker was afgebeeld. Mr. dr. J. Donner, die overigens van oordeel was dat de wetgever niet tegen incidentele verschijnselen van Godslastering moest optreden, achtte toen het moment gekomen om Godslastering strafbaar te stellen. De blasfemie was nu niet meer incidenteel maar dreigde uit te groeien tot een systeem.
Enkele jaren na de invoering van de wet-Donner verscheen opnieuw een proefproefschrift over deze materie, namelijk van R. Baelde, getiteld Studiën over godsdienstdelicten, waarin de schrijver tot de conclusie komt, dat de bepalingen over strafbaarstelling van de Godslastering dienden te vervallen. Evenwel is het betreffende artikel tot nu toe — ondanks bezwaren van allerlei zijden — in de wet gebleven. Een negental malen heeft de wet, sinds de invoering, tot een veroordeling geleid. Een slechts gering aantal malen dus. Maar doordat het woord Godslastering in het betreffende wetsartikel van het bijvoeglijk naamwoord smalend is voorzien, zijn scherpe grenzen gesteld aan de toepasbaarheid van dit artikel. Alleen smalende Godslastering is strafbaar, dat wil zeggen de opzet tot Godslastering moet nadrukkelijk aanwezig zijn. Grove vloeken, die onbedachtzaam worden geuit, of wetenschappelijke uitingen van eerlijke overtuiging vallen buiten de strafbaarstelling. De laatste strafvervolging, die op grond van dit artikel is ingesteld, betrof de schrijver G.K. van het Reve, die terecht stond vanwege uitlatingen over sexuele gemeenschap met God in de vorm van een ezel. Hij werd echter vrijgesproken omdat hij naar zijn zeggen, niet de bedoeling had gehad God te lasteren. Nogmaals, de toepasbaarheid van dit artikel is aan nauwe grenzen gebonden.
Promotie van dr. De Roo
Thans is opnieuw een proefschrift over Godslastering verschenen. Op 18 december l.l. promoveerde aan de Rijksuniversiteit te Groningen dr. E.J. de Roo op een studie over deze materie. Promotor was prof. dr. W.F. Dankbaar. Het is de moeite waard om van deze gedegen, helder geschreven studie kennis te nemen. Een gelukwens aan de schrijver is hier zeker op zijn plaats, in de eerste plaats vanwege de bekroning van deze studie met de doctorstitel maar toch ook vooral vanwege de behandeling van het onderwerp zelf. De hoofdmoot van deze studie is een vergelijking van de juridische benadering van de Godslastering in Duitsland, Nederland, Zwitserland, Engeland en België. Hoe boeiend op zichzelf deze vergelijking ook is, in het kader van dit enkele artikel wil ik me beperken tot de gronden, die voor strafbaarstelling worden aangevoerd. Daaraan wijdt dr. De Roo een apart hoofdstuk.
Als motieven worden genoemd: krenking van godsdienstige gevoelens — kan het echte godsdienstige gevoel wel door beschimpingen worden getroffen?, zo vraagt de schrijver zich af — bescherming van de godsdienst als cultuurgoed, waarbij de schrijver opmerkt dat dit motief de kiem van intolerantie in zich draagt, de bescherming van de openbare orde; en de vrijheid van godsdienst. Wat dit laatste betreft, de geloofsvrijheid van hen die geloven, dient beschermd te worden tegen inbreuken daarop door kwaadwilligen.
Op één motief gaat dr. De Roo uitvoerig in en daarom ik mèt hem. Dat is het motief van de bescherming van de persoon of de eer van God. De Hervormers waren van oordeel dat Godslastering niet ongestraft mocht blijven. Evenwel speelde het motief van bescherming van de eer van God duidelijker bij Calvijn dan bij Luther, bij wie — aldus dr. De Roo — meer de handhaving van de openbare orde, het veilig stellen van de godsdienstvrede, centraal stond. Verder merkt de schrijver op dat Calvijn duidelijk onderscheid heeft gemaakt tussen dwalende en opzettelijke overtreders.
Uitvoerig gaat dr. De Roo in op de visie van enkele leiders op kerkelijk en staatkundig terrein in de laatste eeuw. De visie van Groen van Prinsterer komt b.v. aan de orde. Groen pleitte voor een Christelijke staat, waarin de vrijheid van godsdienst gewaarborgd zou zijn. Maar de vrijheid om niets te geloven behoeft, aldus Groen, 'niet noodzakelijkerwijs gepaard te gaan met bespotting van het heiligste en hoogste Wezen en van de wijze waarop Het door de onderscheiden gezindheden wordt vereerd’.
Ook Abraham Kuyper wordt uitvoerig geciteerd. Kuyper schreef: 'Indien de blasphemie strafbaar zal worden gesteld, dan moet het zijn om de eere Gods, en wel niet kerkelijk: God als voorwerp van onze aanbidding, maar staatsrechtelijk: God als hoogste Souverein en Oppergebieder van het land... De staat heeft zich af te vragen, of hij de eere van den hoogen Souverein des lands door opzettelijke beschimping of beleediging mag laten aanranden..., omdat het aan de koningen voegt, de eere van den Koning der koningen hooger te stellen dan hun eigen eere en er deswege te jaloerscher over te waken.' (De Standaard, 15 Maart 1897).
Kuyper wilde Godslastering dus wel strafbaar stellen, echter niet op kerkelijke of religieuze gronden, maar op staatsrechtelijke gronden. 'Wat dan gestraft wordt', zo drukte Kuyper zich in zijn Stone-lezingen uit, 'is niet de religieuze afwijking, noch de onvrome zin, maar de aanranding van de staatsrechtelijke grondslag waarop èn staat èn overheid rust.' Voor Kuyper en de latere Anti Revolutionairen lag het zwaartepunt inzake de strafbaarstelling van de Godslastering in de strijd tegen de verwildering van de goede zeden, waartegen de overheid te waken heeft. Want zonder goede zeden — en die zijn in ons land christelijk bepaald — is een behoorlijke menselijke samenleving onmogelijk.
Een fundamenteel ander standpunt werd ingenomen door dr. Ph.J. Hoedemaker, prof. dr. H. Visscher, ds. P. Zandt en anderen, die — weliswaar met onderlinge verschillen in interpretatie — uitgingen van de geldigheid van de bekende passage in artikel 36 van de N.G.B., dat de overheid heeft te weren en uit te roeien allen afgoderij en valse godsdienst. Hèn ging het om een belijdende staat, om een staat, zoals Hoedemaker het uitdrukt, 'die grondwettelijk het christelijk karakter der natie belijdt en handhaaft'. De overheid, de staat heeft zèlf God te eren. Alles wat zich tegen die verering publiekelijk verzet of die eer aantast dient strafbaar te worden gesteld. De vrijheid is ondergeschikt aan het 'heilige recht der waarheid en der zuivere religie'. Daarom ligt de strafbaarstelling van de Godslastering voor diegenen, die de theocratische visie huldigen, in de sfeer van de tuchtoefening. Een belijdende staat heeft om zo te zeggen te weren wat tegen dit belijden indruist. Het is duidelijk dat zij, die deze visie huldigen, onderling ook weer verschillen vertonen wanneer het gaat om de toepasbaarheid van artikel 36, of liever om de staatkundige consequenties in een concrete situatie, waarin van een echt christelijk volksleven geen sprake meer is. Maar het is evenzeer duidelijk dat het theocratische standpunt, waarin aan de overheid een zelfstandige taak wordt toegekend als het gaat om de bescherming van de eer van God in de samenleving, principieel afwijkt van het standpunt, waarin de overheidstaak zich beperkt tot louter staatsrechtelijke aspecten, al is het ook dat deze laatste in een christelijk land als het onze mede door het evangelie worden bepaald.
Het eigen standpunt van dr. De Roo
Dr. De Roo wijst voor strafbaarstelling van de Godslastering het motief bescherming van de eer van God af. De verhouding van God en mens valt buiten het terrein waar de overheid een roeping bezit. Bovendien, als men de eer van God wil beschermen, komt men er al spoedig toe naast het regelrechte smalen ook andere, meer indirecte, correcties op het Godsbeeld als belediging op te vatten, b.v. als men aan God toeschrijft wat met Zijn natuur strijdt, zoals ongerechtigheid.
Een terugkeer tot de theocratie wijst dr. De Roo dan ook 'beslist' af als in strijd met het bijbels gegeven. De gehele geest van het evangelie verzet zich tegen het kweken van een bepaalde geestelijke overtuiging met het zwaard. Deze theorie van bescherming van de eer van God moet ook leiden tot bestrijding van ongeloof en atheïsme, waardoor immers ook aan de eer van God wordt tekort gedaan.
Dr. De Roo kiest zelf voor het motief van bescherming van de openbare orde. De openbare orde, de godsdienstvrede, dienen als rechtsgoed beschermd te worden. De vrijheid van meningsuiting dient gewaarborgd te worden door misbruiken van die vrijheid strafbaar te stellen, omdat anders het gevaar dreigt dat de maatschappelijke orde wordt verstoord. Dr. De Roo meent wèl dat het motief bescherming van de openbare orde dieper gefundeerd wordt als daarbij komt het motief van de godsdienstvrijheid. Immers, aggressie tegen dat wat mensen heilig is, kan worden beschouwd als een aantasting van de godsdienstvrijheid.
Beoordeling
Het is duidelijk dat de problematiek, waarover dr. De Roo zich gebogen heeft verre van eenvoudig is. Steeds weer zijn de grenzen van de overheidstaak in discussie geweest en steeds weer ging het om dezelfde zaken. Zo zal het wel blijven.
In de eerste plaats moet gezegd worden dat dr. De Roo in de huidige situatie velen niet aan zijn kant zal vinden als hij pleit voor strafbaarstelling van de Godslastering. Daarom alleen al verdient zijn standpunt respect. De huidige tendens gaat eerder naar de kant van afschaffing van dit wetsartikel. Besprekingen van deze studie van dr. De Roo in het Handelsblad en in Trouw, tendeerden ook in deze richting. Ten aanzien van de handhaving van de strafbaarstelling wil ik echter vooraf opmerken dat ik naast dr. De Roo sta. Ik verschil echter met hem van mening ten aanzien van het motief. Ik vraag me af of dr. De Roo de theocraten. als ik ze zo maar even noemen mag, recht doet door het te doen voorkomen alsof zij zoiets willen als het kweken van een bepaalde geestelijke overtuiging met het zwaard (p. 31). Dat zal men zo nergens bij hen aantreffen. Het punt is wèl of de wet Gods — en dan in de zin van de beide tafelen van de wet — ook consequenties heeft voor het politieke leven en of het staatkundig leven, vanuit het evangelie bezien, los mag staan van het belijden van de souvereiniteit Gods. Anders gezegd, dient de overheid Gods Naam te belijden? Of geldt dat alleen voor christelijke overheidspersonen? Ik meen dat de bijbel telkens weer laat zien dat Gods zeggingschap over het totale leven absoluut is, dat deze zowel voor gelovigen als niet gelovigen, voor christenen als niet-christen geldt. Maar wanneer ten aanzien van dit punt de geschriften van Hoedemaker dr. De Roo niet hebben kunnen overtuigen, dan zal ik het zeker niet kunnen. Hier ligt evenwel het springende punt, waarin ik met dr. De Roo toch van visie verschil. Bovendien, ook bij Kuyper mogen dan weliswaar in de eerste plaats staatsrechtelijke motieven gegolden hebben, maar wat te denken als Kuyper toch zegt dat het 'aan koningen voegt, de eer van den koning der koningen hooger te stellen dan hun eigen eere en er deswege te jaloerscher over te waken?' Is Kuyper hier toch niet theocratischer dan we vaak denken? Aan deze uitspraak van Kuyper besteedt dr. De Roo, naar het me voorkomt, toch ook te weinig aandacht. Evenmin als hij trouwens zelf ingaat op de visie van Calvijn.
Ook de staat heeft geestelijke wortels en de aan die geestelijke wortels ontrukte staat is rijp voor fanatieke intolerante ideologiën, juist door het vacuüm dat hij geschapen heeft, zo zegt het Hervormde geschrift De politieke verantwoordelijkheid van de kerk. Of, om een andere zinsnede uit dit geschrift te citeren, waarachter kennelijk de hand van prof. Van Ruler schuil gaat: 'Zorg om het heil van de naaste gaat rakelings langs intolerante heerszucht, verdraagzaamheid jegens de ander gaat rakelings langs onverschilligheid aangaande zijn heil'. Waarmee ik maar zeggen wil: theocratie bedoelt enerzijds de eer van God, maar daarnaast of daarin het heil van de samenleving. Prof. Van Ruler heeft eens gezegd, dat hij geloofde dat de zaak van de theocratie weer levensgroot voor ons zou komen te staan, namelijk als het erom gaat de Naam van God te belijden tot voor koningen toe. De vraag is of dat in de eindtijd niet de positie van de christen zal zijn. Op de titelpagina van het boek van dr. De Roo staat in het Frans een tekst, waarin juist de ernst van die eindtijd spreekt, juist ook in verband met de blasfemie. Het is Openbaring 13:5 en 6, waarin het gaat over de draak, die 42 maanden godslasterlijke dingen kan spreken. Zou het niet zo zijn dat in een staat, die aan zijn geestelijke wortels ontrukt is, die draak zijn triomfen viert?
Inzake de aanvaarding van de theocratie verschil ik met dr. De Roo van visie. Daarin zal ik niet de enige zijn. Hij is op zijn beurt niet de enige, die de theocratische gedachte inzake het staatkundig leven afwijst. Dat neemt niet weg dat we dankbaar mogen zijn voor een studie als door dr. De Roo is geschreven. Enkele processen in het verleden laten ons zien dat de problematiek, die hier aan de orde is, nog hoogst actueel is. Niet minder actueel dan toen mr. dr. J. Donner zijn wet hierover indiende.
Dr. E.J. de Roo: Godslastering; Rechtsvergelijkende studie over blasfemie en andere religiedelicten; Uitgave Kluwer, Deventer; 272 pagina’s.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's