’Israël, volk, land en staat’
III
Zoals we de vorige keer zagen gaat de deur voor de heidenen in de Nieuw-Testamentische bedeling wagenwijd open.
Schuld aan Israël
Maar de Here heeft Zijn volk niet verstoten, als de heidenen worden ingehaald als burgers van het koninkrijk. Het is niet: de heidenen in plaats van Israël. Als Paulus over Israëls privilege schrijft (het voordeel, het bijzondere, de voorrang, het aparte; hier vertaalt men ook wel het overschot, een woord waarop ik in een vorig artikel inging), dan noemt hij als eerste: Hun zijn de woorden Gods toevertrouwd. Israël is de eeuwen door de schatbewaarder geweest van het Woord Gods. Dat is de eeuwen door de rijkdom geweest van Israël en in zijn beste momenten heeft het volk daarvoor zijn God groot gemaakt en daarvoor gedankt: Dat voorrecht hebt Gij aan geen ander volk gegeven. Ps. 147:19v. In zijn beste ogenblikken, ja, maar dan leefde dat nog niet bij allen! Er zit een woordspeling in wat Paulus schrijft in Rom. 3:2v: Het woord is hun toevertrouwd, maar zij hadden er weinig vertrouwen in. Wat een waarschuwing voor ons! De kerk is de schatbewaarder van de Woorden Gods. Wij hebben de taak het Woord ongeschonden over te leveren en door te geven aan de geslachten, die na ons komen! Maar tegenover Israël is de eeuwen door niet veel dankbaarheid geoefend, omdat men die schat heeft bewaard. Wij hebben veel aan Israël te danken. En daar hoort en leest men maar weinig over. Wel stenen werpen, wel aanklachten, wel aanvallen, maar weinig: Wie smalend tot uw hutje kwam, niet ik, o kind van Abraham!
Hoe moeten wij met Israëls voorrechten?
In dit verband gaat Paulus op Israëls voorrechten niet nader in. Eerst veel later en ook wel elders (Ef. 2:12 vv) noemt hij de 'voorrechten' van Israël. Wat is de mensheid weinig jaloers geweest op dat kleine volk, dat zo rijk was in geestelijke goederen! Hunner is de aanneming tot kinderen, de heerlijkheid (denk aan Joh. 1:14), de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften; hunner zijn de vaderen en uit hen is, wat het vlees betreft Christus, dewelke is God, boven alles, te prijzen in eeuwigheid, amen. Rom. 9:4 v.
Maar dat bedoelt niet, dat de christenen uit de heidenen tweederangs-christenen zijn. De heidenen waren buitenstaanders (vergelijk 1 Cor. 5:12; Col. 4:5, 1 Thess. 4:12), nu zijn zij in Christus insiders geworden, huisgenoten; zij stonden van verre, nu zijn zij nabij gebracht; vroeger waren zij vreemdelingen, nu horen zij er geheel bij, oudtestamentisch gezegd: de heidenen zijn ingelijfd in Sion. Zij krijgen deel aan de verbonden en aan de beloften. De heidenen worden ingetrokken in de privileges van Israël. Samen met Israëls overblijfsel naar de verkiezing der genade zullen ze de nieuwe mensheid zijn. Met Israël tot een nieuwe mens, een nieuwe mensheid samengevoegd, tot een nieuwe mens geschapen, Ef. 2:15. Samen in Gods huis en beiden hebben er evenveel 'recht' door de aanneming tot kinderen. In Christus alleen worden de barrières opgeruimd, die de volken uiteen doen gaan. Er is geen onderscheid noch van Jood noch van Griek, Rom. 10:12. De vijandschap is te niet gedaan, Ef. 2:14 v.
Daarmede isoleren wij dus Israël niet. Israël is geen verworpen volk. Het blijft geliefd om der vaderen wil. En onmiddellijk daarmede verbonden: En de heidenen zijn geen buitenstaanders, maar medeburgers en medeërfgenamen, geen stiefkinderen om dat lelijke woord te gebruiken, van wie men al te gemakkelijk zegt: 'eigenlijk' horen zij er niet bij.
Maar dan wordt het ook wel een bron van misverstand als wij gaan spreken over Israëls prerogatieven. Elk prae, dat men aan Israël toedicht boven de heidenen doet tekort aan de eenheid van Gods kerk, waarin geen sprake kan zijn van Barbaar en Scyth, Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, dienstknecht en vrije. In de verhouding tot God legt niets gewicht in de schaal dan de gemeenschap met Christus (v. Leeuwen ad Coll. 3:11). In Christus vallen de tegenstellingen weg die betrekking hebben op afkomst en ras: barbaar en Scyth, die betrekking hebben op religieuze tegenstellingen: besneden of onbesneden, op culturele verschillen en sociale. Het komt er op aan, dat de mens 'in Hem gevonden wordt’.
Zo kunnen wij verstaan, dat allerlei beloften uit het Oude Testament zonder meer op de Kerk Gods worden toegepast en overgebracht. Ik noem b.v. 1 Petr. 2:9. Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk. Wat van Israël gezegd wordt komt nu ook aan de heidenen in Christus toe. De heidenen participeren in de voorrechten van Israël; zij zijn ingetrokken in en betrokken bij de beloften aan het oude bondsvolk. Hetzelfde geldt van woorden als in Hand. 15:16 (in verband met Amos 9:10).
Ook hier is aansluiting aan het Oude Testament; de lijn uit het Oude Testament is doorgetrokken. Niet genoeg kan op de grote continuïteit in de gang van Gods openbaring gewezen worden. In Jes. 19:25, een hoogtepunt in de oudtestamentische profetie: Te dien dage zal Israël de derde zijn met de Egyptenaren en met de Assyriërs, een zegen in het midden van het land; want de Here der heerscharen zal hen zegenen, zeggende: Gezegend zij Mijn volk, de Egyptenaren en de Assyriërs, het werk Mijner handen en Israël, Mijn erfdeel. Het is zeer de vraag of hier nog van een bevoorrechte positie van Israël sprake is (Fohrer spreekt van een zekere voorkeur voor Israël).
Eén weg der zaligheid
Daarom kan ik mij niet vinden in de opmerking van deze studie, waarin geponeerd wordt, dat Jezus Christus voor Israël iets fundamenteel anders betekent dan voor de heidenen. Er is geen andere naam waardoor wij moeten zalig worden dan de naam van Jezus Christus; de zaligheid is in geen ander.
Vroeger en vandaag gaan de wegen in Israël bij Christus uiteen. En Hij wordt getekend als de knecht des Heren, als het verbond des volks. Christus is de inhoud van Gods Verbond met Israël; hij is het 'verpersoonlijkte verbond' (Jes. 42:6; 49:8). Frey tekent bij de plaats aan: De inhoud van deze openbaring en van deze verbondsverhouding is de Knecht zelf; zijn persoon is het licht, in welks schijnsel het leven van het volk zijn nieuwe gestalte verkrijgt.
Er is in de handreiking een lijn, die mij zeer boeit en die ik zeer kan waarderen: De genadegiften Gods en de roeping zijn onherroepelijk. Maar ik kan mij niet aan de indruk onttrekken, dat de opstellers van dit geheel om het benauwende heden heenlopen. Geldt het dan niet voor vandaag, dat de kinderen des koninkrijks worden buitengeworpen? Marc. 12:9; 8:11. Israël moest vooraan staan en de klacht van het verleden (ps. 81) geldt niet minder voor vandaag: Mijn volk heeft mijn stem niet gehoord en Mijner niet gewild; daarom heb Ik het overgegeven in het goeddunken huns harten. Hetgeen Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen; maar de uitverkorenen hebben het verkregen en de anderen zijn verhard geworden, Rom. 1:7. De mannen van Ninevé zullen opstaan met dit geslacht en zullen het veroordelen: want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona en meer dan Jona is hier. Dat is de angrijpende prediking van Jezus als hij tegenover enige uit de schriftgeleerden en farizeeërs spreekt over een boos en overspelig geslacht. Matth. 12:39v. De profeten spraken over Israëls verkiezing, maar ik meen toch wel op een andere wijze dan het stuk van de verkiezing hier functioneert. Bij Amos lezen wij het woord over de verkiezing: U alleen heb ik gekend uit alle geslachten des aardrijks, (d.w.z. U alleen heb ik uitverkoren) maar dezelfde profeet getuigt in 's Heren naam — en dat is niet in flagrante strijd met die verkiezing, maar hier wil de profeet de grootheidswaan van een volk, dat zo zeker is van zijn bevoorrechte positie neerwerpen: Zijt gij Mij niet als de kinderen der Moren, zegt de Here? Amos 9:7.
God is getrouw. Maar hoe leef ik geestelijk daarmee en daaruit? Ook voor de toekomst van Israël; Israël blijft het volk der verkiezing, 'het is genade genade te ontvangen', genade een onbegrijpelijk wonder, voor Israël èn voor heidenen. Voor Israël betekent het leven uit de dood, zegt Paulus. Als Amos predikt: zoekt het goede en niet het kwade, opdat gij leeft, dan zegt hij: misschien zal de Here der heirscharen Josefs rest genadig zijn. Hier worstelt een profeet met een hardnekkig volk, zoals hij met Zijn God over een verhard volk worstelt. Misschien, wie weet! God is getrouw. Ja ook voor Israël. En in één adem zeggen wij de profeet na: Wie weet. Het spreekt niet vanzelf. Genade is van onze kant onmogelijk!
Het is mij niet duidelijk waar het verschil tussen de prediking van de ware en van de valse profeten in de beschouwingen van de handreiking uitkomt.
Kenmerken der genade?
Het rapport tekent, hoe wij heden staan voor de vervreemding van Israël, het niet beantwoorden aan zijn bestemming. Maar men vindt wel bij het huidige Israël tekenen van zijn identiteit: Israëls wetsbetrachting, Israëls betrokkenheid op het land en in het antisemitisme. Wie bij de lamp van profeten en apostelen deze dingen beziet vindt hier wel een afwijking van de Wet en de Profeten en een niet aanvaarden van wat de hoogste Profeet en Leraar over de inhoud daarvan heeft getuigd, maar geen terugkeer naar de God der Vaderen. En het antisemitisme?
De schuld, die de Kerk aan Israël heeft is groot. Zelfs in tijden, waarin opgejaagde mensen in christelijke landen werden toegelaten waren de barmhartigheden soms wreed en de onbarmhartigheden waren vele. De vreemde werd geduld, maar hij werd niet ontvangen als één, die er bij behoorde, niet als een geliefde om der vaderen wil. De argumentatie van de handreiking vind ik maar gevaarlijk, als men daarmede iets wil laten zien van Israëls identiteit. Wel citeer ik gaarne wat Néher schrijft (Moise et la vocation juive): 'Toen Mozes groot geworden was, ging hij uit om zijn broeders te zien, een uitgang, die alles ondersteboven keerde in zijn leven. In een atmosfeer van modder, zweet en bloed wordt Mozes weer een Jood. Zo is Mozes de meest vertrouwde van de Jood van de 20ste eeuw. Want de Jood van de 20ste eeuw leefde als Mozes in de illusie, dat hij was als de anderen. Precies tot Auschwitz. Toen is, in de modder, het zweet en het bloed het bewustzijn geboren van een onherstelbaar verschillend lot en bestemming...’
Een vrij moeilijk te lezen rapport
Ook voor Israël is er geen andere weg tot heil en zaligheid dan Christus. Wat wordt dat in het rapport versluierd gezegd! Als het rapport door deze gedachte beheerst zou zijn, dan zou het er anders hebben uitgezien. 'God is in Christus Jezus begin en einde van de weg van Israël. Als de Joden het volk Gods blijven, dan is dat niet, omdat het werk van hun bekering het rijk Gods medeschept, maar omdat Gods Woord Jezus Christus het verbond met Israël vastmaakt.' (Quervain; verg. ook de handreiking.)
Hoop voor Israël
Het Oude Testament is nooit zonder hoop geweest voor Israël; het Nieuwe evenmin. Hoe zal de Here Zijn beloften vervullen? Er zijn geheimen, die de Here Zichzelf heeft voorbehouden om die op Zijn tijd openbaar te maken. Als we de werkelijkheid onder ogen durven zien, dan lijkt het er weinig op, dat Israël in Christus zijn Messias zal aanbidden. Maar Paulus wijst op de heerlijkheid van de volzalige God, die machtig genoeg is om het wonder van geloof en bekering te werken èn bij Israël èn niet minder bij de heidenen, want Hij wil Zich over Jood en heiden erbarmen. Rom. 11:23, 24, 30.
Welk een spanning ligt er in het ene woord Israël. Daarvan komt ieder, die hierover met de Schriften in de hand nadenkt diep onder de indruk.
In een volgend artikel hoop ik in te gaan op de vragen rondom Jeruzalem en het land Israël.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's