Israël, het land en de stad
I
De Handreiking voor een theologische bezinning over Israël, volk, land en staat verdedigt de opvatting dat het land Israël volgens het Oude Testament wezenlijk bij de verkiezing, waarin God zich met Israël verbonden heeft behoort. Het land zou een onlosmakelijk aspect zijn van de verkiezing van Israël. Maar, zo zegt de handreiking, dat geldt niet van Jerusalem, niet van het koningschap en niet de onafhankelijke staat. Dat wil dus zeggen, dat Israël vandaag krachtens een Goddelijk recht aanspraak maakt op 'Kanaän', of 'Palestina' of een gedeelte daarvan; immers waren de grenzen van het land in de bijbelse tijd zeer verschillend, zoals zeer duidelijk is bij vergelijking van de grenzen in de dagen van de Richteren en de tijd van Salomo.
Nu is het de vraag, of deze stellingen met de Schrift in de hand waargemaakt kunnen worden. M.i. komt hier ook aan de dag, wat ik in ander verband betoogde, dat te weinig de lijn naar het Nieuwe Testament wordt doorgetrokken of anders gezegd, dat het Oude Testament te weinig bij het licht van het Nieuwe Testament wordt gelezen. Bovendien acht ik het volkomen onjuist, om Jerusalem los te maken van het land en het te isoleren van de verkiezing van Israël. Dat lijkt mij èn voor de tijd van het Oude èn voor die van het Nieuwe Testament èn voor het heden van de staat Israël ongeoorloofd en niet te motiveren.
Ten volle aanvaard ik de staat Israël en dan met Jerusalem als hoofdstad en ik meen, dat dit naar de Schrift is, maar op andere gronden dan de heilshistorische en andere die in de synodale handreiking genoemd worden.
Het land Israël
Nu eerst over het land. Het land is aan Abraham toegezegd. Nadat Lot van Abraham gescheiden was zeide de Here: Hef uw ogen op en zie van de plaats waar gij zijt noordwaarts en zuidwaarts en oostwaarts en westwaarts, want al dit land, dat gij ziet zal Ik u geven en uw zaad tot in eeuwigheid, Gen. 13:14. Het zal dus een altijddurend bezit van Abrahams nageslacht zijn (zie ook: Gen. 12:7; 15:7, 18; 17:8; 24:7). Het land is beloofd aan Izaäk, Gen. 26:3, aan Jakob, Gen. 28:13, 35:12; 48:4. Het is eveneens toegezegd aan de vaderen in het algemeen. Gen. 50:24; Ex. 6:4; Num. 10:29; 14:23; 32:11; Deut. 34:4; Jos. 1:6. Vooral in het boek Deuteronomium neemt de belofte over het land als een erfbezitting een zeer belangrijke plaats in, b.v. Deut. 6:3; 19:8. Door Goddelijke eedzwering is vele malen de belofte onderstreept en versterkt. Gen. 24:7; Num. 11:12; 14:16; Deut. 6:10; Jos. 5:6, 26:3. Uit deze teksten — en het is een selectie van de plaatsen waar over het land in de belofte gesproken wordt, die ik maak — blijkt wel, welke een grote plaats de belofte Gods over het bezit van het land in de geschiedenis van het oude Israël inneemt.
Maar niet mag worden vergeten, dat de beloften hun einde niet verkrijgen met de inbezitname van Kanaän. Het gaat om zegen voor Israël en om een zegen te zijn. De beloften spreken van meer dan Kanaän: zij zijn 'onderpand van een grotere en rijkere belofte' (zo b.v. Zimmerli).
Kanaän blijft land van belofte
Toen het volk in Kanaän kwam betekende dit niet dat het land nu het land der belofte niet meer was. De vromen in Israël hebben verstaan, dat zij dit land uit de hand des Heren hebben ontvangen. En zolang men in het land woonde kon men de gave alleen verstaan vanuit de belofte. De Here, als de eigenaar en bezitter van het land gaf dit als een genadegave aan Zijn volk, Israël heeft het gekregen als een erfbezitting, Deut. 4:21, 38; 12:9; 15:4. En ook hier wijzen wij erop, dat bij het woord erfbezitting niet in de eerste plaats sprake is van een erfenis, maar het blijvende en altijddurende van dit bezit. In de tweede plaats: Israël heeft het land als een erfbezit en van datzelfde volk geldt, dat het zelf erfbezit des Heren is. Deut. 4:20: De Here u aangenomen heeft en uit de ijzeroven van Egypte uitgevoerd, opdat gij Hem tot een erfvolk zoudt zijn gelijk het ten deze dage is; en in het volgende vers is sprake van het land, dat de Here tot een erfenis geven zal. In de Psalmen vinden wij de uitdrukking vele malen b.v. Ps. 33:12: het volk, dat Hij zich tot een erve verkoren heeft.
De Here opperste eigenaar
Het land is van Mij, zegt de Here en gij zijt vreemdelingen en bijwoners bij Mij, Lev. 25:23. Deze gedachte ligt ook achter de typische belofte: Hij zal aan het land gedenken en dan zal dat weer vrucht voortbrengen, Lev. 26:42. In de gaven van de eerstelingen en van de tienden wordt dat bezitsrecht Gods erkend.
Israël ging naar een land vloeiende van melk en honing, Ex. 3:8; 13:5; 33:2; Lev. 20:24; Num. 13:27 enz. Dit betekent niet, dat Israël in Kanaän een tweede paradijs zal vinden, maar hierin ligt de tegenstelling met de woestijn. Het zal een land zijn, dat God de Here bezorgt, Deut. 11:12 (Ook Datan en Abiram spreken van Egypte ook als een land vloeiende van melk en honing; af gedacht van de goddeloze ondankbaarheid, die in dit woord uitkomt, blijkt ook hier — weer — de tegenstelling met de woestijn, die in de uitdrukking vloeiende van melk en honing aan de dag treedt.
Wat heeft Israël vele privilege's; het is een zeldzaam bevoorrecht volk 'want de aarde is van Mij', Ex. 19:5. Als gij naarstig Mijn stem zult gehoorzamen en Mijn verbond houden, dan zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is van Mij. En gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk zijn.
De belofte van de rust
Het ingaan tot de erfenis betekent voor Israël ingaan in de rust, Deut. 12:9v; 25:19. En de Here heeft die rust aan Israël gegeven en Zijn woord waargemaakt. Jos. 21:44: Alzo gaf de Here aan Israël het ganse land, dat Hij gezworen had hun vaderen te geven. En de Here gaf hun rust rondom. Er viel niet één woord van al de goede woorden, die de Here gesproken had tot het huis Israël. Het is alles uitgekomen! Hierbij tekent Kroeze aan: Dit slot is een verkondiging van Gods trouw; een uitroep van de oudtestamentische auteur temidden van zijn eigen volksgenoten, maar ook gericht tot allen na hem tot wie 'het goede Woord Gods' (in dit verband spreekt K. van het evangelie) nog zal gesproken worden. Men wete: het gaat in vervulling.
Van deze rust lezen wij ook bij David: De Here de God Israëls heeft Zijn volk rust gegeven en Hij zal te Jerusalem wonen tot in eeuwigheid, 1 Kron. 23:25. Van Salomo is het gebed: Geloofd zij de Here, Die aan Zijn volk rust heeft gegeven naar alles wat Hij gesproken heeft, 1 Kon. 8:56. In Ps. 132:14 is iets van de rust Gods, waarvan Genesis 2:2v spreekt: Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid.
Zo is in het Oude Testament Israël op het land aangewezen in een heel bijzondere zin. Daar is Israëls thuis en nergens anders. En vandaar dat heimwee in de dagen van de ballingschap naar het land. Buiten Israël zijn betekent verkeren in het land der vreemdelingschap; daar raakt men nooit thuis. Gen. 17:8; 28:4 enz. Ex. 6:3. Maar het beloftekarakter van de rust blijft in de Schrift. En daarbij wijs ik op twee stukken: Ps. 95 eindigt met: Zo heb ik dan in Mijn toorn gezworen: Zo zij in Mijn rust zullen ingaan. En dit Woord betekent meer dan de rust in Kanaän verkregen en toegezegd. Men kan in Israël niet delen in de rust, want 'de rust is de beloofde voltooiing met alles, wat zij lichamelijk en geestelijk aan zegen in zich bergt' (Kittel).
En daarvan spreekt het Nieuwe Testament: Israël is er nog niet met de rust in het heilige land der belofte. Hier is sprake van een hoger goed en een diepere vervulling: Er blijft een rust over voor het volk van God, Hebr. 4:9. En verderop in deze brief is sprake van de aartsvaders, die beleden gasten en vreemdelingen te zijn geweest in het land dat hun was toegezegd als hun eeuwige bezitting. Het ging hun om een beter vaderland: begerig naar een beter, dat is 't hemelse, Hebr. 11:13v .
De proclamatie 1948
In de proclamatie uitgevaardigd op de dag van de stichting van de staat Israël, de 14de mei 1948 wordt over het oude land in zijn verhouding tot oude volk op deze wijze gesproken: 'Door geweld uit zijn land verdreven bleef het (het Joodse volk) dit (de erets Israël) in alle landen der Diaspora getrouw en nimmer heeft het opgehouden om te bidden voor en te hopen op terug naar zijn land en de vernieuwing van zijn politieke vrijheid. Op grond van deze historische en traditionele verbondenheid hebben de Joden in iedere generatie ernaar gestreefd hun oude vaderland terug te krijgen — in de laatste generaties zijn grote massa's van hen teruggekeerd.’
Terug naar het land
Maar in het Oude Testament hebben wij slechts een begin; het vervolg ligt hogerop. Het land Israël komt — heilshistorisch — op de achtergrond. Omdat het in de grond der zaak niet om het bezit van het land gaat maar om de komst van Gods koninkrijk en de openbaring van de heerlijkheid van Christus. En ik geloof dat men in de diepste zin tekort doet aan de intentie van de profeten en hun toekomstvisie, wanneer men poneert, dat bij hen de positie van Israël in de eindtijd ondenkbaar is zonder zijn concreet vergaderd worden in de ruimte van Palestina (H. Berkhof, De Messias Jezus, Israël en de Kerk). Tegenover deze opvatting herinner ik aan een woord van K. Barth (aangehaald door Lekkerkerker in Kerk en Theologie, 21e jrg., blz. 307): Van een terugkeer naar Palestina is voor Israël niets te verwachten. Hier vinden wij twee stellingen diametraal tegenover elkaar staande. Ik ben het in deze geheel eens met Hertzberg, die schreef: Vanuit de Schrift als geheel is het onmogelijk de vestiging der Joden in Israël en de stichting van de staat Israël hoe belangrijk ook en hoezeer ook van betekenis in het raam van de algemene geschiedenis aan Christus voorbij in een heilshistorische zin te verstaan. Vervulling is nu eenmaal nog geen voltooiing.
En de beloften dan voor de dagen van de ballingschap door de profeten gedaan? Is dan de God van Israël niet dezelfde als in de dagen van Cyrus toen deze Gods volk liet trekken? En men was als degenen, die droomden! Herhaalt zich dan deze geschiedenis niet? Is het niet aangrijpend als wij het verhaal lezen van de Jeminieten? Hun hart ging uit naar Israël, toen zij van de stichting van de staat Israël hoorden. En veertigduizend Jeminieten zijn overgevlogen van Aden naar Lydda; van auto's hadden zij nooit gehoord, laat staan van vliegtuigen. Zij kwamen in het heilige land 'op arendsvleugelen gedragen', eindelijk thuis! Heeft men dan geen gelijk als men zegt Gods Woord gaat in vervulling: want er staat geschreven: Er is verwachting voor uw nakomelingen, spreekt de Here, want uw kinderen zullen weerkeren tot hun landpale d.w.z. de Efraemieten zullen weer in Israël wonen.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's