Adriaan van Haemstede en zijn martelaarsboek
IV
De grondfout van Van Haemstede is m.i., dat hij alles zet op de kaart van vrijheid van geweten en tolerantie in de kerk van Christus.
Maar vrijheid van geweten mag niet een mooi woord zijn om in de kerk alle mogelijke opvattingen van niet-bijbelse origine toegang te verschaffen. Vooreerst is niet iedere dwaling een zaak van het geweten. We moeten bovendien met die autoriteit van het geweten wat voorzichtig zijn. Wel heeft Luther het bekende woord gesproken, dat het een mens niet geraden is iets tegen zijn geweten te doen. Maar bij hem is dat geweten toch altijd 'gevangen in het Woord'. En juist de kracht van het Schriftbewijs wordt door Van Haemstede miskend. Er is voor het standpunt van degenen, die hij verdedigen wil, geen schijn van enig schriftuurlijk argument door hem aan te voeren. En dan valt men terug op een volkomen ongegrond: ’ik vind’.
Dat geweten, waarvan Van H. zulk een dominerende plaats wil toekennen, kan dwalen. Het geweten wordt bepaald door een menigte innerlijke en uitwendige factoren. Het is een zeer variabele grootheid. Het zal soms sterk, soms zeer zwak spreken. De Bijbel kent mensen, die hun geweten met een brandijzer hebben toegeschroeid.
Het is waar, wat dr. H. Bavinck gezegd heeft, dat de inhoud van ons geweten grotendeels van buiten af ontleend is en bij verschillende volken hemelsbreed verschilt. Hij herinnert aan Pascal, die reeds opmerkte, dat, wat aan deze zijde van de Pyreneën waarheid is, dwaling is aan gene zijde. Hij wijst er inderdaad op, dat door de Gereformeerden van de 16e en 17e eeuw grote nadruk gelegd wordt op de waarde van het geweten, dat zij behandelden als zij spraken over de natuurlijke godgeleerdheid.
Het is inderdaad een geheimzinnige macht, die ons doen en denken oordeelt. De wijsgeer Kant is het geweest, die het geweten met een autonoom gezag bekleedde. Maar hoe respectabel dat geweten ook is als getuigenis van een geestelijk-zedelijke wereld van hogere oorsprong (ik zou b.v. niet weten hoe een pure evolutionist aan een geweten moest komen), het is toch door zijn eigen aard slechts een stem, die naar een hogere autoriteit heenwijst. Daarom zegt Bavinck terecht: 'iets kan zonde voor God zijn, wat toch niet tegen onze consciëntie is'. Het geweten spreekt wel namens een hogere Rechter, maar is die Rechter zelf niet. Zo moet dus de subjectieve regel van ons leven altoos weer en ook steeds meer in overeenstemming gebracht worden met de objectieve norm, in Gods openbaring ons bekend gemaakt. Paulus had niet geweten, dat de begeerlijkheid zonde was, wanneer de wet niet gezegd had: gij zult niet begeren. Dat had zijn geweten hem dus niet aan de weet gebracht.
Nu hebben we al verschillende keren het accent kunnen opmerken dat bij Van Haemstede telkens ligt op de subjectieve factor ten koste van de objectieve geldigheid van b.v. het genadeverbond en van het H. Avondmaal als bezegeling van de beloftevolle inhoud van het Evangelie. Ook in de verschillende conflictsituaties hoorden we v. H. telkens opkomen voor ieders vrijheid en daarom ook voor tolerantie. En dat wil niet alleen in het volksleven, zoals Willem van Oranje de tolerantie voor ogen heeft gehad. Maar ook als maatstaf ter bepaling van de genzen der kerk. Ik meen, dat hier de reden ligt, waarom dr. Jelsma in de regel de figuur van v. H. met zoveel sympathie tekent. Ook in zijn herhaalde conflicten, al erkent dr. Jelsma, dat die er niet altijd zijn zonder eigen schuld.
Ik ben in mijn mening, dat het proefschrift van dr. Jelsma ingegeven is door een zekere sympathie voor de figuur, die hij tot onderwerp voor zijn dissertatie gekozen heeft, gesterkt door de televisiekerkdienst van 6 sept. jl. voor het C.V.K., waarin dr. Jelsma voorging. Daaruit bleek wel, hoe grote ruimte dr. J. met beroep op gelijksoortige beweegredenen, als die we bij A. v. H. aantreffen, aan de kerk wil toekennen.
In het nr. van 1 oktober jl. is in dit blad in de rubriek Uit de pers reeds over deze uitzending geschreven. Toen werden daar uitspraken van de Geref.-predikant van Nieuw-Loosdrecht ds. Van den Brink aangehaald, die brieven ontvangen had van mensen, die er over ontsteld waren, dat in plaats van de duidelijke, centrale boodschap van het Evangelie, nl. Jezus Christus, de Redder van zondaren, een 'bont, haast onontwarbaar kaleidoscopisch beeld van veelal door het humanistisch levensgevoel geïnspireerde menselijke opinies omtrent wat voor die boodschap moet doorgaan' te aanschouwen werd gegeven.
De Persschrijver heeft toen gezegd, dat ds. Van den Brink de tekst van deze uitzending zelf niet gezien had, maar dat hij af moest gaan op de ontvangen brieven. Nu, ik heb de tekst van de uitzending opgevraagd, nadat ik trouwens de uitzending zelf grotendeels had gezien.
Afgezien van de experimentele vormgeving, die het gesprokene omsloot en begeleidde en waartegen ik wel mijn ernstige bedenkingen heb, gaat het mij om de inhoud van de tekst. Het gaat daarin nl. om de vraag, wie Jezus nu eigenlijk precies geweest is. Maar volgens dr. Jelsma is deze vraag eigenlijk niet zo belangrijk en ligt het zelfs niet in de bedoeling van de Bijbel daar precies een antwoord op te geven. Dr. Jelsma beroept zich op het woord van Paulus: indien wij ook Christus naar het vlees gekend hebben, nochtans kennen wij Hem nu niet meer naar het vlees (2 Cor. 5:16b). Volgens dr. J. betekent dit hetzelfde als: het is niet meer te achterhalen, wie Jezus geweest is. Het was z.i. ook niet de bedoeling van de evangelisten dit te tekenen. Het woord uit 2 Cor. zou dan als Paulus' mening, vrij vertaald, betekenen: van mij hoeft het niet meer. Je krijgt wel, al lezende, een bepaalde voorstelling van Jezus. Maar welke voorstelling dat is hangt (al weer volgens dr. J.) mede af van je karakter. Zo kan b.v. Johannes 2 gelezen worden als het verhaal van Jezus, Die de bruiloft weer op gang brengt, en Die nog altijd Degene is, Die de zaak aan het rollen brengt. Dennis Potter had in Jezus vooral de man gezien, Die leerde, dat je je vijanden moest liefhebben. Een andere mogelijkheid zou kunnen zijn, dat je van Jezus de indruk overhield van de man, die radicaal knopen doorhakt. En dan staat er als een opinie onder de opinies: ik zelf (Jelsma) vond nogal essentieel, dat Hij onze plaats heeft ingenomen. Ik besef in vrij sterke mate, hoezeer wij mensen in gebreke blijven. Alles, wat ons uit de vingers komt, is toch op één of andere manier beduimeld, het lukt je gewoon niet je handen schoon te houden. Ik vind het geweldig, dat Jezus het zo goed gedaan heeft, dat het uiteindelijk toch in orde komt. Dat Hij als het ware zegt: probeer het maar opnieuw. Ik maak alle dingen nieuw’.
Hier zitten elementen in, die we met goede wil herkennen als themata uit het Evangelie. Maar de boodschap van schuld en verzoening, van verlorenheid en verlossing, komt ook daar zelf toch allerminst klaar en duidelijk uit de verf.
Bovendien accepteert dr. Jelsma dan naast zijn visie op de gestalte van Jezus, die, welke vertolkt wordt door een reeks van jongeren, waarvan de één in Jezus het grote voorbeeld ziet; een ander de maatschappij-criticus; een volgende Degene, Die door Zijn woorden en daden gezaghebbend inwerkt in je leven. Weer een ander (niet de minst sympathieke) ziet zichzelf als iemand, die erg veel fouten en grote brokken maakt, maar het feit, dat Jezus er is, geeft haar de moed het opnieuw te proberen.
Zoals de lezer ziet, zijn deze indrukken van de persoon van Jezus wel zeer verschillend. Maar nu vindt dr. Jelsma, dat we elkaar binnen de kerken het volste recht moeten geven, om vanuit verschillende gezichtshoeken tegen diezelfde Jezus aan te kijken. Wij moeten elkaar niet lichtvaardig verketteren. Ieder heeft immers niet meer dan zijn fragment van de waarheid.
Nogmaals herhaalt dr. J., dat het niet meer te achterhalen is, hoe Jezus precies geweest is, en dat dit niet belangrijk is ook. De mensen van overal in de wereld geven aan elkaar door wat ze zelf van Jezus ontvangen hebben. Ze geven de impulsen, die ze van Jezus ontvangen hebben, aan elkaar door en 'dan wordt het wat'. Maar dat zijn dan de mensen, die van het leven iets goeds willen maken, ook voor de anderen; mensen, die liever kapot gaan dan te berusten in een samenleving, waarin het recht van de sterkste geldt en die daarom blijven duwen en wrikken, al zou hun dat ook het leven kosten. We doen het wel niet zo goed als Jezus, maar we maken samen een soort van mozaïek, ieder z'n steentje, en we moeten maar zien welk totaalbeeld daaruit te voorschijn komt. 'Met elkaar wordt het wat’.
Daartoe dient ook de Avondmaalsviering. Want dr. Jelsma wil graag met ieder, die zijn steentje bijdraagt en die zijn impulsen aan anderen doorgeeft, Avondmaal vieren. Ja, dit wederkerige aan elkander doorgeven van het zijne is in dit geval de quintessens van het Avondmaalvieren. Wat ontbreekt is het verifiëren van dit wordende Jezusbeeld aan dat beeld, dat God ons van Hem gegeven heeft in Zijn Woord.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's