Adriaan van Haemstede en zijn martelaarsboek
V
Wanneer het inderdaad niet erg is, dat het niet meer helemaal te achterhalen is, hoe Jezus precies geweest is, waarom hebben de evangelisten dan zo nauwkeurig de dingen nagegaan, die onder ons volkomen zekerheid hebben (Luc. 1:1)? Waarom heeft Jezus tegenover de diverse meningen van de mensen, die tot uitdrukking brachten welk beeld zij van Hem gekregen hadden, aan de discipelen de vraag gesteld: maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben?' (Matth. 16:15). Als dan de discipelen het antwoord geven: 'Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God', dan is dat volgens Jezus Zelf niet een meer of minder geslaagd fragment van opinievorming over Hem; maar dan zegt Hij: 'vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is'.
Is dr. Jelsma niet bezig dit werk van de Vader te vervangen door of gelijk te schakelen met de opnamen van de defecte camera van het vleselijk inzicht?
Waarom wordt hier genegeerd, dat Jezus in het hogepriesterlijk gebed in Joh. 17 het kennen van de enige en waarachtige God en van Jezus Christus, Die Hij gezonden heeft, onmiddellijk verbindt aan het eeuwige leven? Waarom wordt hier het hele onderwijs des Heiligen Geestes in de brieven der apostelen terzijde gelaten?
Ik zou me kunnen voorstellen, dat een predikant de door de jongeren gegeven antwoorden te horen kreeg b.v. in een of andere gesprekskring, en dat hij die dan eens ging leggen naast hetgeen de Schriften van Hem getuigen (Joh. 5:39); en dat die predikant dit dan zou doen niet om mede in een moeras van onzekerheden en subjectiviteiten te verdwalen, maar opdat die jongeren Hem zouden kennen van Wie die Schriften spreken en opdat zij in die geloofskennis het eeuwige leven zouden vinden.
Maar als kerkdienst, als prediking van Hem, Die de Weg, de Waarheid en het Leven is, als verkondiging van het Woord van God, dat een licht is in een duistere plaats (2 Petr. 1:19), van het Woord der verzoening, dat God ons gegeven heeft, opdat ons hart een ankergrond zou hebben, die zeker en vast is, daartoe kunnen wij niet volstaan met ieder een los mozaïeksteentje aan te dragen van een totaalbeeld, dat eigenlijk nog niemand overzien kan en dat eigenlijk ook nog vormloos is. Dit is niet de verkondiging van die Christus, Die gisteren en heden Dezelfde is en tot in eeuwigheid.
Wat de aan de televisiekerkdienst van 6 september jl. verbonden Avondmaalsviering betreft, heeft dr. Jelsma wel even geaarzeld, ook al omdat de kijkers daaraan niet konden deelnemen. Maar tenslotte hebben hij en de jongeren, die met hem deze dienst voorbereidden, besloten dit toch te doen. Dr. Jelsma motiveert dit zo: 'wij willen zichtbaar maken de bereidheid in alle bescheidenheid, de bereidheid van een groep mensen om elkaar en de samenleving te verrijken met wat we in Jezus gevonden hebben. We willen elkaar het brood en de wijn doorgeven. We willen elkaar aanvullen met wat wij in Jezus ontvangen hebben. Ieder die wil mag hierin meedoen.'
Alle accent valt hier dan op het feit, dat de deelnemers aan elkaar de tekenen van brood en wijn doorgeven. Dat symboliseert dan het aan elkaar doorgeven van wat ieder als facet van het beeld van Jezus ontvangen heeft. Maar moeten wij het dan doen met wat wij aan elkaar door te geven hebben? Of hebben wij in het Avondmaal te doen met een door God Zelf ingesteld en in de Avondmaalsviering ons van Zijnentwege gegeven teken en zegel van het verzoeningswerk van den Here Jezus Christus? Het gebroken brood en de vergoten wijn spreken toch van het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt! Dat is oneindig veel meer dan dat Hij hier en daar een wagen, die in de modder bleef steken, weer op gang brengt, al doet Hij ook dat. In dat woord der verzoening ligt een kritiek, die veel dieper doordringt dan de maatschappelijke openbaring van het leven, al gaat ook die onder het mes van Gods kritiek door. In dat Evangelie is de liefde Gods geopenbaard, die duizend maal meer schenkt dan een beetje dragelijke samenleving, een liefde, die als gevende liefde de kennis te boven gaat.
Ik meen, dat de verwantschap tussen Adriaan van Haemstede in dr. Jelsma uitkomt in de neiging de grenzen der kerk te verwijden door het inruilen van het getuigenis van het éne Woord Gods voor de vele, vaak willekeurige getuigenissen van mensen. Wanneer het geweten niet zich gevangen heeft Ieren geven aan het Woord en de band tussen geweten en Woord Gods wordt losgemaakt, komt het geweten bóven het Woord te staan d.w.z. de onzekere, variabele stem daar van binnen boven de, alle eeuwen door onveranderlijke, stem van Boven. Daarbij komt wat de Schrift zegt, ook van haar eigen zekerheid, op losse schroeven te staan.
Afgezien van het onaanvaardbare van de vorm van deze experimentele kerkdienst (wat dat betreft zou ik overigens bereid zijn nog al heel wat te aanvaarden), was de inhoud zodanig, dat ik de protesten, die hierop losgekomen zijn, ten volle kan verstaan. Hier ligt allerlei conflictstof, die niet maar op rekening van onverdraagzaamheid geschoven mag worden (ik denk aan de opdracht van dr. Jelsma's dissertatie aan allen die hoe dan ook, waar dan ook en wanneer dan ook leden onder het gebrek aan verdraagzaamheid binnen de kerk). Ligt de oorzaak van de conflicten vaak niet in de verplaatsing van het accent op het werk van God naar dat op het werk van de mens, de verplaatsing van het gezag van het Woord Gods naar de mening van de mens? Ik wil deze bespreking van het uitgangspunt van de auteur van dit boek over Adriaan van Haemstede eindigen met een citaat uit zijn dissertatie, waarin hij een aantal, naar ik meen, zeer juiste vragen stelt en opmerkingen maakt, die tonen, dat dr. Jelsma toch ook wel soms wat afstand heeft genomen van de persoon en de opvattingen van Van Haemstede. Alleen rijst de vraag, of sommige van deze vragen en opmerkingen op hemzelf niet een overeenkomstige toepassing zouden moeten vinden.
Hier volgt het citaat: 'Hem (Van Haemstede) kan verweten worden, dat hij de problemen die deze openheid met zich meebracht, niet goed doordacht heeft. Wat Petrus Martyr naar voren brengt zijn niet alleen 'logicistische redeneringen'. Men kan met recht de vraag stellen, waar de grens precies ligt. Hoelang kan men mensen als leden van de kerk van Jezus Christus beschouwen? Welk recht heeft Adriaan van Haemstede om de vergeving van zonden door het offer van Jezus Christus als het hart van het evangelie te zien? Is de opstanding dat niet evenzeer? Is Zijn geboorte dat niet in dezelfde mate? Als onwetendheid een excuus is met welk recht weert hij dan Joden en alle ketters, die de geschiedenis heeft geleverd? Is het gevaar dan niet dat de kerk zo uiteindelijk een mengelmoes van secten wordt? Deze vragen raken inderdaad de kern van het conflict. Het is te betreuren, dat Adriaan van Haemstede niet de moeite genomen heeft, om op deze vragen nader in te gaan. De vraag naar de grenzen der kerk is immers nog steeds van het grootste belang. Bovendien had men hem in Londen wellicht beter begrepen, als hij voor deze vragen meer begrip had opgebracht.'
(Slot volgt)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's