Adriaan van Haemstede en zijn martelaarsboek
VI
Als we nog even naar de verdere geschiedenis van Van Haemstede terugkeren, dan blijkt die wel van tragische aard te zijn.
Na zijn excommunicatie heeft hij Engeland moeten verlaten. Op zijn reis naar het vasteland, lijdt hij schipbreuk voor de Hollandse kust. Hij brengt er met zijn pas uitgebreide gezin (drieling) wel het leven af. Maar dat leven is ook in Holland niet veilig vanwege de prijs van 300 Carolus guldens, die nog altijd op zijn hoofd staat. Zijn boeken (o.a. van Calvijn, Melanchton, Bucer, Luther e.a.) moet hij in het gestrande schip achterlaten. Men vindt hem niet, ondanks ijverig speurwerk. Maar ook in Emden vindt hij geen veilig toevluchtsoord. Afgedacht van enkele reizen, waarvan aantal en duur onzeker zijn, heeft hij zich gevestigd in een Oost-fries plaatsje Oldersum. Studeren kan hij niet, omdat hij zijn boeken kwijt is. Hij wandelt en tuiniert. Wel begeert hij sterk nieuwe mogelijkheden om te prediken. Maar alles hangt daarbij af van de kerkeraad van Emden. Deze wil de excommunicatie door Londen niet maar voor kennisgeving aannemen, maar hij wil wel pogingen doen een verzoening tot stand te brengen tussen Van Haemstede en de Londense kerkeraad. Met een brief van de Emdense kerk aan die van Londen komt Van Haemstede zelfs nog eenmaal in Londen. Hij doet zijn eigen zaak echter geen goed door de brief van Emden aan buitenstaanders te laten lezen. Van Haemstede is bereid zeer veel te herroepen. Maar de volledige formule, daartoe door de Londense kerkeraad opgesteld, wil hij niet ondertekenen, terwijl omgekeerd de Londense kerkeraad weer geen genoegen wil nemen met een verklaring van Van Haemstede.
Omdat het in Londen niet tot een verzoening komt, kan de kerkeraad van Emden Van Haemstede niet toestaan een predikantsplaats te aanvaarden. Daarom weet Emden, dat de zaak wel iets milder beoordeelde dan Londen, niet beter te doen, dan het advies te geven een theologische faculteit over het geschil te raadplegen.
Maar, vóór dit gerealiseerd kon worden, is van Haemstede reeds op een onbekende tijd of plaats gestorven, hetzij eind 1562 of begin 1563 in de leeftijd van nog maar 37 jaar. Ik heb reeds gewezen op de verklaring, die dr. Kuyper geeft van het standpunt van Van Haemstede tegenover de Dopersen. Hij ziet in Van Haemstede iemand, die zeer onder de indruk is van de moed, waarmede vele Dopersen de dood tegemoet waren gegaan en uit een nog onduidelijke afscheiding tussen Calvinisme en Anabaptisme. Hij zegt dan o.a.: 'in plaats van nu die martelaren van hun dwaling af te scheiden, scheidde hij zichzelven af van hen, die deze dwaling veroordeelden, en zag zich zodoende op zijn oude dag geheel van de broederen vervreemd'. Ik geloof niet, dat Kuyper hier de dingen nauwkeurig getekend heeft. Dat wij bij iemand, die 37 jaar oud geworden is, moeilijk van zijn 'oude dag' kunnen spreken, is duidelijk en zal als een 'slip of the pen' aan te merken zijn.
Maar zowel de Antwerpense als de Londense kerkeraad blijken zich van de theologische verschillen stellig bewust te zijn. En verder is er bij Van Haemstede een bewuste weigering geweest om de doperse martelaren van het vasteland in zijn martelaarsboek op te nemen, ook al waren zij door de overheid gemarteld en gedood. Dit lijkt inconsequent, wanneer men daartegenover stelt, dat hij zelf liever als geëxcommuniceerde sterft dan de 'simpele' Doopsgezinden in Londen buiten te sluiten. 'Misschien heeft daarbij ook meegesproken, dat, wanneer deze Dopersen niet door de Gereformeerde Kerk werden geïntegreerd, deze mensen, vanwege de vrees, die bij de Engelse Overheid bestond tegen de doperse staatsopvatting, gedwongen zouden worden naar het vasteland terug te keren met alle dreigingen van plakkaten en brandstapels. Maar de eigenlijke achtergrond van de houding van Van Haemstede is toch een andere. We hebben gezien, dat hij een scherp onderscheid maakte tussen de Dopersen, die hij b.v. in Vlaanderen gekend had èn de Londense Doopsgezinden. Bij deze laatste ontbreekt volgens Van Haemstede het onzuivere, politieke element van de Wederdopers elders. Als de Londense Dopersen de Verzoening door het kruis maar als het centrale van het Evangelie aanvaardden, was hij bereid hun opvatting aangaande de menswording van Christus te beschouwen als het dobbelen van de soldaten op Golgotha om de mantel des Heren. Het raakte Hemzelf, naar Van Haemstede meende, niet.
Hij meende, dat in de kerk de volle ruimte gegeven moest worden aan datgene, wat hij als vrijheid van geweten beschouwde, ook waar het artikelen des geloofs betrof, die door de Gereformeerde Kerk als essentieel beschouwd werden en waarmede hij persoonlijk instemde. Zowel in Antwerpen als in Londen wilde Van Haemstede een 'open' kerk.
In feite komen we daar voor dezelfde problemen als die we in onze tijd o.a. ook in onze Hervormde kerk kennen. Sedert de tweede wereldoorlog hebben we vele malen horen pleiten voor een open kerk. We hebben ook vaak de waarschuwing gehoord, dat openheid beneden de waterspiegel het schip doet zinken. We kunnen wel zeggen, dat de meerderheid van onze kerk voor de openheid gekozen heeft. Maar wat heeft dit voor consequenties gehad voor het leven naar Artikel 10 van onze kerkorde, voor het leven in gehoorzaamheid aan het Woord Gods en de gemeenschap met de belijdenis der Vaderen? Om de Scylla van de verstarring te vermijden is men in de Charybdis van de verwarring terechtgekomen.
Ik wil deze artikelen over Van Haemstede en zijn positiekeuze in het kerkelijke leven van zijn tijd niet eindigen, zonder met u een blik te slaan in dat grote boek van de geschiedenis der martelaren, dat hij geschreven heeft. Hij heeft daarmee een goed en omvangrijk werk verricht. Dr. Jelsma heeft uitvoerig en nauwkeurig de historische waarde nagegaan van V. H. 's martelaarsboek, de bronnen, die hij gebruikt heeft, de beweegredenen, die hem gedreven hebben, de maatstaven, die hij aanlegde, het al of niet opnemen van bepaalde personen in zijn boek.
Van Haemstede heeft zijn werk ingeleid met een uitvoerige, zeer lezenswaardige Vermaning aan de overheid. Hij wijst daar de overheid ernstig op haar taak naar het Woord van God, op de verbastering van het leven der kerk, waarbij het Woord Gods verduisterd werd en verboden, met al de kwalijke gevolgen van onwetendheid en bijgeloof en de vervolging van degenen, die het Woord weer duidelijk predikten. Hij illustreert zijn appèl op de overheid met vele bijbelse voorbeelden en getuigenissen en waarschuwt, dat men in de martelaren Christus Zelf vervolgt. 'Het is een grote wreedheid en een verschrikkelijke ondankbaarheid om hen te onderdrukken, die hun bezittingen en leven wagen, om u van de weg der verdoemenis tot het eeuwige leven te voeren; aldus beloont gij het goede met het kwade', zo zegt hij. De vermaning eindigt met een oproep tot bekering en een gebed voor de overheid, opdat God haar de blinde ogen opene.
Wanneer wij het omvangrijke werk met zijn typische illustraties, die alle voorzien zijn van een kort gedicht (van wiens hand heb ik niet kunnen ontdekken) doorbladeren, komen we allerlei bekende namen tegen uit de oude kerk (Polycarpus, Ignatius, Justinus Martyr, de 90-jarige Photinus, Blandina en de 15-jarige Ponticus), uit de voor-reformatorische periode (Johannes Hus, Hieronymus van Praag, Savonarola), uit de Hervormingstijd (Joh. Voes en Hendrik van Essen, Jan de Bakker, Guido de Bres en Peregrin de la Grange, Cranmer en de Coligny), maar ook wel een paar duizend voor ons in de regel onbekende bloedgetuigen. Het is in al zijn verschrikkelijke eentonigheid van telkens herhaalde ontelbare wreedheden, toch een indrukwekkend boek, dat ons telkens doet denken aan een hoofdstuk als Hebreën 11 (vooral vs. 32—40!).
We staan versteld over de blindheid, de haat, het fanatisme en de wreedheid van de heidense en papistische vervolgers. We worden beschaamd door de geloofsmoed en het geloofsvertrouwen van mannen en vrouwen, jongen en ouden, die bereid waren in het aangezicht van de bitterste pijnigingen, getuigenis af te leggen van de waarheid Gods en van de hoop, die in hen was.
Met welk een wijsheid wisten zij te antwoorden, wanneer zij verhoord werden. De vragen waarvoor de oude kerk gesteld werd, waren weer anders, dan die waarvoor Rome de martelaren stelde. In de voorreformatorische tijd zien we de tegenstellingen zich al groeperen rondom de vragen naar het gezag van de Schrift tegenover dat van de bisschop van Rome en van de traditie, naar het wezen der Kerk en het aantal en de betekenis der Sacramenten; vragen rondom de aanroeping van Maria en de heiligen, mis en communie, kloostergeloften en vastendagen. Vooral de vragen rondom de Sacramenten nemen een grote plaats in. Maar op de achtergrond van al die vragen ligt de tegenstelling van het al of niet aanvaarden van den Here Jezus Christus als de enige en volkomen Zaligmaker van verloren zondaren, de algenoegzaamheid van Zijn Middelaarswerk, Zijn plaats als Hoofd en Herder van Zijn gemeente, die Hijzelf toebrengt door Zijn Woord en Geest. Daarin gaat het om de enige troost in leven en in sterven.
Van Haemstede heeft er goed aan gedaan deze geloofsgetuigen, geleerden, maar meestal eenvoudigen, aanzienlijken en geringen, huisvrouwen en studenten, voor het nageslacht te bewaren. Het is geen dorre kroniek, maar een wolk van getuigen, die wij niet gaan vereren, maar voor wie wij met dr. Kuyper in zijn inleidend woord, wel beschaamd staan, ziende het offer van goed en bloed en leven, waartoe zij door het geloof in staat werden gesteld. Zij deden dit zelfs blijmoedig, al was het vaak aangevochten, gesterkt door Zijn Woord: 'in de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen'.
Wat Van Haemstede zelf aangaat: hem kunnen allerlei fouten, ook van zijn karakter, verweten worden. Het zwaarste weegt, dat hij door zijn verkeerde toepassing van het beginsel van de vrijheid van geweten de grenzen der kerk verdoezelde, en daarom als prediker niet gehandhaafd kon worden (hetgeen ook dr. Jelsma toegeeft). Tegen zijn excommunicatie kijken wij, die zoveel gewend zijn, vreemd aan. Is de Londense kerkeraad daarmede niet te snel geweest?
Wij blijven Van Haemstede in alle geval dankbaar voor zijn Geschiedenis der Martelaren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's