De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Waarom Hervormd?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Waarom Hervormd?

20 minuten leestijd

In De Waarheidsvriend van 26 januari l.l. heb ik iets gezegd over het besluit van dr. Arntzen om zijn ambt van dienaar des Woords in de Geref. Kerken neer te leggen. Ik heb toen opgemerkt, dat wij als Hervormden moeilijk zeggen konden dat we dr. Arntzen groot gelijk geven, gezien het feit dat we zelf sinds jaar en dag in een kerk verkeren, waarin de onrechtzinnigheid welig tiert, en we desondanks toch in deze kerk gebleven zijn. We hebben gezien — zo stelde ik toen — dat ons blijven gezegend is, terwijl we bovendien moesten constateren, dat de weg van de afscheiding nog geen garantie is om de bijbelse leer ongeschonden te bewaren. De ontwikkelingen in de Geref. Kerken laten zien hoe een kerk, die los van de Hervormde Kerk kwam te staan om de vrijzinnigheid en andere onrechtzinnigheden daarin, thans in hetzelfde vaarwater is terecht gekomen als de Hervormde Kerk, waarmee men in het verleden brak.

Anderzijds heb ik gesteld dat ik de stap van dr. Arntzen begrijpen kan. De oude garde van kerkelijk Gereformeerden, dat wil zeggen de vroegere Dolerenden, hebben voor en na gezegd, dat je als Reformatorische Christenen niet blijven mag in een kerk, waarin ook allerlei onrechtzinnigheden vrij baan hebben. Dan ligt het ook voor de hand dat je de afscheiding herhaalt zodra de kerk, waartoe je behoort, dezelfde symptomen gaat vertonen als de kerk, waarvan je je in het verleden hebt losgemaakt.

Reacties

Op het betreffende artikel heb ik nogal wat reacties ontvangen. Brieven, vooral van kerkelijk Gereformeerden, met de vraag om de achtergrond van ons kerkelijk standpunt nog eens toe te lichten. Of ook artikelen of commentaren in andere kerkelijke periodieken. Liever dan deze reacties persoonlijk te beantwoorden ga ik er hier op in vanwege het belang van de zaken, die hier in het geding zijn.

In het blad De Reformatie, orgaan van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt, schrijft prof. dr. J. Douma: 'De beslissing van dr. Arntzen heeft ook De Waarheidsvriend opgeroepen tot bezinning op z'n eigen uitgangspunten. Dr. Arntzen legt zijn ambt neer om des gewetenswil. Ir. v. d. Graaf antwoordt: wij blijven Hervormd om des gewetens wil. Geen Doleantie. Als we zouden moeten kiezen, kozen wij vóór dr. Arntzen en tégen de Gereformeerde Bond. Want in de beslissing van dr. Arntzen hebben wij iets geproefd van de kracht van de Doleantie. Nu behoeven wij gelukkig niet te kiezen en daarom mogen wij op een uitnemender weg wijzen, die noch door de Geref. Bond noch door dr. Arntzen bewandeld wordt.'

Waar ging dr. Arntzen dan, volgens prof. Douma, niet de juiste weg? Hij had in overeenstemming met de boodschap van de Doleantie aan het adres van predikanten (Verklaring van 'ontzette' kerkeraadsleden van de kerk te Amsterdam d.d. 8 dec. 1886, opgesteld door dr. A. Kuyper) kerkeraad èn gemeente van 's-Gravendeel moeten oproepen de gehoorzaamheid aan de Geref. Synode op te zeggen. Hij had niet individueel zijn stap moeten doen, maar hij had zich met de gemeente collectief moeten losmaken uit het synodale verband.

Nu gaat het me hier niet om wat prof. Douma aan het adres van dr. Arntzen zegt. Uit het standpunt van de Doleantie bezien kan prof. Douma namelijk wel eens gelijk hebben als hij zegt, dat dr. Arntzen consequent zou zijn geweest als hij zijn gemeente mee opgeroepen had te breken met de synode. Het gaat er me nu echter vooral om, waarom prof. Douma vindt dat de Gereformeerde Bond niet de juiste weg gaat. Dat komt in het volgende citaat uit zijn artikel duidelijk uit: 'Wie (ondanks grote woorden) berust door op de plaats halt te houden, zal de progressiviteit van de anderen waarlijk niet keren. Maar men moet dan wel z'n eigen kerkgeschiedenis in Afscheiding en Doleantie verloochenen en op het spoor van de Geref. Bond overgaan om z'n geweten niet meer te horen kloppen.'

Tot zover de reactie van prof. Douma. Uitvoeriger wil ik weergeven wat ds. J. Meester in de kerkbode van Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt) in Noord en Zuid Holland in een tweetal artikelen zegt. Op uiterst sympathieke en doordachte wijze brengt hij zijn vragen ten aanzien van ons kerkelijk standpunt naar voren. Ook hij is van mening dat dr. Arntzen het hiërarchische juk, dat door de 'top' aan de Gereformeerde Kerken is opgelegd, af had moeten schudden, en dat hij — in navolging van de Doleantie — de kerkeraad van 's Gravendeel had moeten vragen om met hem de gehoorzaamheid aan de synode op te zeggen. Maar verder gaat ds. Meester uitvoerig in op wat ik schreef over ons blijven in de Hervormde Kerk. Ik schreef dat Kuyper enerzijds principieel gelijk had door te stellen dat in de kerk geen vrijzinnigheid thuis hoort, dat de kerk trouw moet blijven aan haar eigen belijden, maar dat anderzijds de vraag gesteld kan worden of Kuyper ook practisch gelijk had, als we zien dat de Gereformeerden de vrijzinnigheid en allerlei andere dwalingen niet achter zich hebben gelaten toen ze de deur van de Hervormde Kerk achter zich dicht hebben getrokken. Van binnenuit wordt men nu door dezelfde dingen aangetast.

Ds. Meester vindt dat geen juist alternatief. Hij zegt:

'Ik geloof dat dit geen juist alternatief is en dat men aan Kuypers bedoelen en handelen géén recht laat wedervaren door dit alternatief. Men kan dit alternatief met hetzelfde gemak hanteren ten aanzien van Jozua toen hij zeide: ik en mijn huis wij zullen den Here dienen. Het nageslacht van Jozua is niet altijd in al zijn geledingen onberispelijk blijven gaan in dit spoor van Jozua. Men kan het stellen met betrekking tot heel Israël als het het verbond vernieuwde onder Samuël of later met betrekking tot Juda onder koning Josia. Want het bleek dat na deze verbondsvernieuwing al spoedig weer terugval en afval openbaar werd. Men kan het stellen met betrekking tot de nieuwtestamentische gemeente die begon in eerste liefde maar vermaand moest worden dat de eerste liefde verlaten werd. Men kan het stellen ten opzichte van de Hebreeën, tot wie de schrijver van de Brief aan de Hebreeën het vermaan richt: 'Laten wij daarom op onze hoede zijn, dat niemand van u terwijl nog een belofte van in zijn rust in te gaan bestaat, de indruk zou wekken achter te blijven', 4:1—2 en in 6:4—6: 'Want het is onmogelijk, hen die eens verlicht zijn geweest, van de hemelse gave genoten hebben en deel gekregen hebben aan den heiligen Geest, en het goede Woord Gods en de krachten der toekomende eeuw gesmaakt hebben, en daarna afgevallen zijn, weder opnieuw tot bekering te brengen...' We willen maar zeggen het behoort tot de 'weg' van de oudtestamentische gemeente dat het goede begin niet steeds wordt gevolgd door even goede voortgang. Het is zo gesteld dat na reformatie telkens deformatie zich aandient. Na een krachtige werking van Gods Geest in de gemeente komen tijden van verslapping en inzinking. Dat komt vanwege onze zwakheid, die zó erg is dat we geen ogenblik zouden kunnen blijven bestaan als de Here ons niet bewaarde. Onze doodsvijanden zijn springlevend. De duivel, de wereld en ons eigen vlees.'

Vervolgens gaat ds. Meester in op de beeldspraak van Hoedemaker, die ik aanhaalde. Hoedemaker stelde dat Kuyper de Hervormde Kerk, die ziek was, aan haar lot overliet, zoals iemand, die een vertrek binnenkomt, waar iemand door kolendamp bedwelmd is, en dan wegloopt in plaats dat hij de ramen en de deuren opengooit, zodat de levensgeesten weer terug kunnen keren. Ds. Meester zegt hiervan:

'In de eerste plaats wijzen we er op dat het beeldspraak is en Van der Graaf weet natuurlijk dat elke vergelijking mank gaat. Ook deze van die doodzieke Herv. Kerk die door Kuyper en de zijnen zo maar in de steek gelaten werd.

Het beeld is bij de gereformeerde belijders in de Herv. Kerk intussen tot een zeer geliefd en traditioneel beeld geworden. Men houdt er zich graag aan vast is mijn indruk. Onderscheidene keren heb ik ditzelfde beeld gehoord uit de mond van een nu hoogbejaard en door mij zeer gewaardeerd emeritus-dienaar des Woords uit de kring van de Geref. Bond. In zijn mond werd het beeld nog mooier. Hij sprak met diepe ontroering over de 'zieke Moeder', de Herv. Kerk die door de gescheiden broeders en zusters verlaten was. 'De dodelijk kranke Moeder' was zijn uitdrukking.

De vergelijking hinkt erg naar mijn mening. Dit heeft ook Hoedemaker, dezelfde van hierboven, gedoceerd. Dat dit beeld niet opgaat. Hoedemakers rol, als ik dit zo mag uitdrukken, in het conflict van 1886 is een niet doorzichtige rol geweest. Ik herinner aan zijn bekende rede tot de Friezen in 1886 te Sneek gehouden. Hij neemt in deze rede de synodale organisatie van de toenmalige Herv. Kerk onder de loep op een niet mis te verstane wijze. In haar oorsprong is deze organisatie onbijbels, zegt hij. Deze organisatie is aan de kerk opgedrongen door koning Willem I, die geen macht had in de kerk. Ten tweede zegt hij dat de organisatie onwettig is in haar wezen. En ten derde stelt hij dat aan de synode, die in strijd is met het Woord Gods, de macht is overgedragen, die door Christus de Koning der Kerk, aan de opzieners der gemeente is verleend. Met de synode is een ambt in de Herv. Kerk geschapen, dat Gods Woord niet kent. Enz. Ik wil maar zeggen, dr. Hoedemaker zelf heeft in Sneek afgerekend met de overdreven en misplaatste vergelijking van de zieke Moeder.'

Tenslotte wijst ds. Meester nog op art. 32 van de N.G.B., dat voor ons kerkelijk handelen normatieve betekenis heeft. Daarin staat dat de regeerders van de gemeente zich wel moeten wachten af te wijken van hetgeen ons Christus geordineerd heeft inzake de leiding van de gemeente. Op grond daarvan heeft dr. W. van de Bergh in 1884 verklaard, dat hij zich niet mocht verbinden om te doen wat volgens de verordeningen van de Ned. Herv. Kerk aan kerkeraden en leraars wordt voorgeschreven. Daarom kwam hij tot de Doleantie. Daarbij ging het hem niet om het doleren op zich, maar om een zich bekeren. Ds. Meester acht het dan ook onjuist als aan Kuyper verweten wordt dat hij gebouwd heeft aan een permanent tehuis voor allen, die het synodale juk ontvluchtten. Voor een belangrijk deel — aldus ds. Meester — was dit de schuld van de Hervormde Besturen, die de 'dolerende' broeders buiten de kerk plaatsten. Voor een eveneens belangrijk deel was het ook de schuld van de Gereformeerde belijders in de Hervormde Kerk, die dit alles hebben geslikt.

Tot zover dan het artikel van ds. Meester, waarin — dat moet gezegd — tenvolle merkbaar is, hoe hij op conciëntieuze wijze bezig is met de vragen van het kerkzijn in deze tijd en waarin hij ook laat voelen hoezeer we elkaar als Gereformeerde belijders nodig hebben in de grote vragen waarvoor we staan.

Voorzichtig met kerkelijke standpunten

Na deze weergave van wat prof. Douma en ds. Meester schreven wil ik in kort bestek enkele hoofdpunten van ons kerkelijk standpunt noemen, te meer omdat daarnaar ook — zoals gezegd — in verschillende brieven werd gevraagd. Met name in de Gereformeerde Kerken zijn velen in de spanning gekomen tussen wat altijd hun visie op de kerk is geweest en de kerkelijke practijk, zoals die zich de laatste jaren aan het ontwikkelen is. Laat ik dan beginnen met te zeggen, dat in 'ons kerkelijk standpunt' altijd een menselijke factor zit. Het is onjuist een kerkelijk standpunt te verabsoluteren. We zullen als Hervormd Gereformeerden de laatsten zijn om ons kerkelijk standpunt tot het enig legitieme te verklaren. We weten zeer wel dat er genoeg zwaarwegende argumenten ingebracht worden tegen wat we dan noemen 'ons kerkelijk standpunt'. Maar als we zeggen dat we om des gewetenswil in de Hervormde Kerk blijven dan menen we dat ten volle. Dan menen we dat op grond van eerlijk luisteren naar de Schrift, zonder — het zij nogmaals gezegd — daarmee ons standpunt te verabsoluteren. Eerlijk gezegd vind ik het dan ook een beetje onder de maat als prof. Douma het spoor, dat de Gereformeerde Bond gaat, in één adem verbindt met het niet meer horen kloppen van z'n geweten (in dit geval dan gezegd tegen de Gereformeerde Verontrusten).

Ik zou dan ook willen zeggen tot diegenen, die om des gewetens wil met Afscheiding of Doleantie meegingen, er voor te waken zich vast te bijten in een eenmaal ingenomen kerkelijk standpunt. We mogen en moeten prof. Douma zeggen: Verabsoluteer uw visie niet. Het profetisch vermaan van Jeremia geldt ook nu nog: 'Vertrouwt niet op valse woorden, zeggende des Heeren tempel, des Heeren tempel, des Heeren tempel zijn deze.'

Ik moet zeggen dat mij altijd de Afscheiding, zoals die zich aanvankelijk ontwikkelde, daarin heeft aangesproken, dat je er nergens voelt een soort kerkelijk triumfalisme. Het ging de Afgescheidenen om de rechte woordbediening. Het bouwen aan hechte kerkelijke structuren zoek je bij hen tevergeefs. Ik geef ds. Meester graag toe dat de Hervormde Besturen voor een groot deel schuld dragen aan de Doleantie. Maar was dit ook al niet zo bij de Afscheiding? Toch is er bij de Afgescheidenen veel minder bewust en planmatig gebouwd aan een permanente kerkstructuur dan door Kuyper. Ik geloof dat de Afgescheidenen, veel meer dan de Dolerenden, het betrekkelijke, het voorlopige hebben gevoeld van de kerkelijke koers, waarin ze terecht kwamen. Ik meen dat ze vanouds veel meer openheid hebben gehad naar de Oude Kerk, waaruit ze, voor een groot deel buiten hun schuld, geraakt zijn. Ik zeg daarmee echter niet dat in de loop der jaren in kerken, die direct uit de Afscheiding komen, ook niet sprake geweest is van verabsolutering van eigen kerkelijk standpunt. Helaas wel. Daarom moeten we het elkaar maar zeggen en blijven zeggen, dat elke gang, die we in onze tijd kerkelijk gaan, de betrekkelijkheid van menselijke beslissingen in zich bergt.

Ons bijbels standpunt

Wanneer men vraagt naar de bijbelse argumenten voor ons blijven in de Hervormde Kerk, dan zou kort en goed gezegd kunnen worden dat nergens in de Schrift ook maar éénmaal de oproep tot afscheiding wordt vernomen, ook niet in die situaties, waarin de gemeenten door de dwaalleer werden aangetast, of waarin de levenswandel van sommigen (of velen) in de gemeente vloekte met de practijk der godzaligheid. Men leze er de brieven van Paulus aan de Corinthen of aan de Colossenzen op na, of ook de brieven aan de Kleinaziatische gemeenten in de Openbaringen, om enerzijds te zien hoe gemakkelijk de Nieuwtestamentische gemeente in haar begintijd al in de greep kwam van de dwaalleer of van een losbandige levenswandel, en toch anderzijds te ontdekken dat de apostelen nergens opriepen tot afscheiding. Ze hebben zich scherp tegen de dwaalleer en de losbandigheid gekeerd en scherp de oproep tot bekering laten horen. Maar verder gingen ze niet. Als ze over afscheiding spraken, dan was het in de zin van afscheiding van de zondaren, en dan wel speciaal van de heidenen en de heidense gebruiken.

Vinden we diezelfde lijn overigens al niet terug in het Oude Testament? Ook daar blijkt hoe het volk Israël — en daarmee mogen we zeggen de kerk van de oude bedeling — telkens weer terugvalt in de afgoderij en eigenwillige godsdienst. Inderdaad moest — zoals ds. Meester terecht opmerkt — verschillende malen het verbond vernieuwd worden, zoals onder Samuël en Josia. Maar dan zou ik toch direct willen zeggen, dat bij die verbondsvernieuwing het hele volk betrokken was. Het gaat niet aan om een gelijkteken te zetten tussen verbondsvernieuwing en afscheiding, zoals uit de woorden van ds. Meester opgemaakt zou kunnen worden. Bij de verbondsvernieuwing kwam juist de eenheid van het volk naar voren, of liever de eenheid van het verbond zelf.

Zo hebben ook de Oud-Testamentische profeten gestaan in het volk Israël, juist in de perioden van afval en dwaalleer. Ze hebben dan niet een kring van vromen om zich gevormd, maar ze hebben hun profetisch woord laten klinken binnen de kring van het hele verbondsvolk, daarbij dan overigens wijzend op enerzijds de verbondszegen. Elia liet Achab het ganse Israël naar de berg Karmel roepen en daar begon hij in de naam des Heeren een twist met de Baäl-priesters, met de valse profeten. En toen Elia het verbroken altaar des Heeren herstelde, nam hij twaalf stenen naar het getal der twaalf stammen van Israël, daarmee het hele volk symboliserende.

Nu kan men zeggen dat de Oud Testamentische situatie, waarin volk en kerk samenvielen, niet zomaar over te brengen is op de Nieuw Testamentische gemeente. Maar zelfs al zou dat zo zijn — wat ik overigens betwijfel — dan nog moet gezegd worden dat het Nieuwe Testament geen àndere lijn geeft, of het moet deze zijn, dat zich de breuk voltrok tussen kerk en synagoge. Maar dat was ook nodig, omdat voor het Nieuwe Testament in de synagoge geen plaats was. En Christus moest verkondigd worden aan de hele wereld.

Wanneer niet meer?

Er kan dan ook — zo zien wij het als Hervormd Gereformeerden — inderdaad een moment komen dat je op moet breken, namelijk als je met de prediking van het totale Woord Gods niet meer terecht kunt in de kerk. Daar ligt voor ons het enige criterium voor een afscheiding. We zijn de Hervormde Kerk trouw gebleven, omdat we er met de prediking van het Woord konden blijven. Dat is het enige, maar dan ook een zeer zwaar wegend criterium. Wanneer je het Woord niet meer in zijn volheid in de kerk brengen kan, blijft er geen andere weg over dan te gaan. Op grond daarvan kwam het ook tot een breuk tussen Rome en Reformatie. Maar zèlf hebben de Reformatoren er zich rekenschap van gegeven, dat, zolang je met de prediking van het Woord Gods in de kerk terecht kon, je niet mocht heengaan. In die lijn hebben ook de nazaten van de Reformatie gehandeld, ook toen het hoogtepunt van de Reformatorische opleving in onze vaderlandse kerk voorbij was en de dwaalleer aan de fundamenten van de kerk ging knabbelen. Zo zijn de Nadere Reformatoren gebleven en vele anderen na hen. Zo blijven ook wij nog. Onze kerk heeft nog steeds de Reformatorische belijdenisgeschriften. Daar kunnen we onze kerk nog op aan spreken. Zó hebben we er ook de armslag voor de Gereformeerde prediking.

Of dit altijd zo zal blijven? Wie zal dat kunnen zeggen! We zijn zelf maar ar te zeer bezorgd dat zich in onze kerk dermate diep ingrijpende structuurveranderingen gaan voltrekken, dat steeds meer terreinen van onze kerk voor de gereformeerde prediking toegegrendeld zullen worden. Tot nu toe is het zo geweest dat de structuur van onze kerk en van de gemeenten zodanig was dat we — gesteld dat de kerkeraad het toeliet — in elke gemeente vrijuit het volle Woord Gods konden preken. Het kan echter zijn dat door allerlei structuurwijzigingen zelfs dït in principe onmogelijk wordt. Of, ook dat onze kerk haar Reformatorisch belijden officieel herroept, zodat we deze kerk niet meer op haar eigen uitgangspunt kunnen aanspreken. Zolang we echter met onze prediking in onze kerk kunnen staan zullen we blijven. Willen we ook niet afgescheiden in deze kerk leven. Willen we ook niet, zoals ds. Taverne heeft gedaan en waarop een briefschrijver wees, enerzijds de afscheiding afwijzen en anderzijds toch buiten het verband van de Hervormde Kerk terecht komen.

Het argument van de prediking weegt ons namelijk zwaar. We willen het volk in de kerk niet loslaten met onze prediking. We willen ook daarin het verbond niet breken. Deze argumenten wegen voor ons zwaarder dan het in feite negatieve argument, dat de Afscheiding en Doleantie in hun kerkelijke ontwikkelingsgang ook geen rooskleurig beeld vertonen. Al telt dit laatste wel, als we zien dat de scheiding vaak tot een repeterende breuk leidde, zelfs om punten waarover de Reformatoren genuanceerd hebben gedacht.

Onder het synodale juk?

Ds. Meester zegt in zijn artikel dat de houding van Hoedemaker ten tijde van de Doleantie ondoorzichtig is geweest omdat hij enerzijds opriep tot trouw aan de Hervormde Kerk en anderzijds de synode hekelde en zelfs stelde dat met de synode van de Herv. Kerk een ambt geschapen is dat Gods Woord niet kent. Welnu daar hebben we begrip voor. We ervaren zelf de spanning tussen enerzijds ons blijven in de kerk en anderzijds onze kritische positie ten opzichte van de synode, die overigens niet op één lijn gesteld mag worden met de Algemene Synode ten tijde van Hoedemaker onder de toen vigerende Reglementen. Inmiddels kan niet gezegd worden dat we ons onder het synodale juk laten brengen. Daarvan hebben we in de loop van de tijd toch wel telkens blijk gegeven als we ons kritisch geplaatst hebben tegenover synodale beslissingen, in woord en metterdaad. We kunnen denken aan de A.K.V., de vrouw in het ambt, besteding van collecten en zovele zaken meer. Onze gehoorzaamheid aan de synode heeft een grens, die daar bereikt is waar we het Woord meer hebben te gehoorzamen dan menselijke verordeningen, zelfs al zijn deze uitgegaan van de hoogste vergadering van onze kerk. In dit opzicht willen we ook in onze Kerk tenvolle tot gelding brengen wat art. 32 van de N.G.B., door ds. Meester aangehaald, zegt. Bovendien is het inmiddels zo langzamerhand zo geworden dat bij allerlei synodale beslissingen al bij voorbaat de mogelijkheid wordt ingebouwd, dat niet de gehele kerk aan de uitvoering van het besluit zal meewerken. Wat dit betreft is de situatie in de Hervormde kerk bepaald anders dan in de Gereformeerde Kerken.

Hoe staan we in onze kerk?

We voelen ons als Hervormd Gereformeerden verantwoordelijk voor onze kerk. We willen haar dienen met het profetische Woord. Wanneer we, in het volle besef van onze roeping naar het Woord, in deze kerk staan dan heeft dit tot gevolg dat we vaak als een lastig volkje beschouwd worden. Ds. Tukker stelde aan het moderamen van de synode eens de vraag: 'doen we niet beter met uit elkaar te gaan? U bent lastig voor ons en wij zijn lastig voor u.'

Maar misschien moeten we wel zeggen dat we nog niet lastig genoeg zijn. Achab heeft Elia getypeerd als een beroerder Israëls. Waarop Elia antwoordde: 'Ik heb Israël niet beroerd, maar gij en uws vaders huis, daarmee dat gij de geboden des Heeren verlaten hebt en de Baäls nagevolgd zijt'. We mogen ons als Hervormd Gereformeerden dan ook wel afvragen of men het van ons in onze kerk kan zeggen dat wé beroerders Israëls zijn, met name vanwege het feit dat velen in de kerk het volk beroeren met leringen, die niet zijn naar de Schrift. Niets is gevaarlijker dan de gezapigheid, de valse rust, de gewenning aan de kerkelijke situatie, waarin we verkeren. Anderzijds is het echter verblijdend op te merken dat telkens opnieuw in onze kerk mensen wakker schrikken en ten aanzien van de kern van de zaak zich geroepen weten om in de bressen te staan ter verdediging van de Waarheid van het Evangelie en de verbreiding daarvan.

Ziehier in het kort een verantwoording van onze kerkelijke positie. We zoeken het goede voor onze kerk. We voelen er ons van Godswege geroepen. We zoeken de scheiding niet, ook het isolement niet. Maar wanneer het er toch van komt, dan komt het óver ons, omdat onze kerk een andere kerk wordt dan ze nu nog, althans krachtens haar belijden, is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 maart 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Waarom Hervormd?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 maart 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's