De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Israël, het land en de stad

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Israël, het land en de stad

8 minuten leestijd

IV

Algehele restauratie

Het Oude testament spreekt van een totale vernieuwing, een nieuwe stad en nieuw land, een nieuw volk. Ontkent dit woord schepping de continuïteit met wat voorafgaat? Stellig niet, maar wel legt de Schrift er de nadruk op, dat er geen sprake is van trapsgewijze ontwikkeling, een heengroeien van de oude wereld naar de nieuwe; het is niet een ontwikkeling van het kinderlijke stadium naar een manlijke rijpheid. De Schrift stelt ons ook hier voor de gebrokenheid van de oude schepping, door de zonde waardoor het levensdoel gemist wordt: De zonde schiet er naast! Maar zeggen de profeten: Gods schepping komt zijn doel en zijn hoogtepunt: een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, naar het Nieuwe Verbond, dat vastligt in de rechtvaardige Spruit. — Zo leert het Oude Testament ons om niet te leven van allerlei utopieën en aardse verwachtingen en allerlei illusies, maar naar de komst van Hem, die alle dingen nieuw maakt en maken zal. Er is in het Oude Testament een grote veelvormigheid in de ontwikkeling van Messiaanse verwachting en deze laat zich niet rechtlijnig verklaren. Daarop wijst C. Brouwer in zijn dissertatie over Wachter en Herder (1949). Dat geldt van het gehele eschatologische perspectief, dat de profeten uitbeelden. Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Karl Barth trachtte de dingen zo te formuleren: en nieuwe aards geworden hemel en een nieuwe hemels geworden aarde. Ik kan niet nalaten Luther in dit ver­ band aan te halen; De hemel heeft nu zijn 'alledaagse' kleren aan, zijn werkpakje; straks zal hij zijn zondagskleed aantrekken. Iets daarvan gaat bij de profeten open. Is het zo vreemd om op Jerusalem en niet alleen op deze stad Gods het woord over de graankorrel, die in de aarde gezaaid wordt toe te passen? Ergens las ik dat (Poelman in La Vie spirituelle, 1963 p. 637 v): 'de in de aarde gezaaide korrel wordt rijp tot de juichende oogst — niet zonder sterven, dat moet er wel bijgevoegd worden'. En niet zonder Hem van wie het woord is over het stervende tarwegraan, Joh. 12:24.

Jerusalem in het Nieuwe Testament

En daarmede zijn wij al even bezig met het Nieuwe Testament. Los van het Nieuwe kunnen noch mogen wij het Oude lezen noch verstaan. Ook in het Nieuwe Testament is Jerusalem representatief voor Israël, Matth. 16:21v; 20:17v; Luc. 9:31; 13:33v). Het Jerusalem, dat beneden is neemt geen bijzondere plaats in de beloften van de toekomst en wat daarmee samenhangt, zie Matth. 24.

Ook in de brieven vinden wij geen aparte plaats voor Jerusalem. Integendeel Jerusalem, dat boven is, is ons aller moeder. De Sinaï — en deze berg correspondeert met het Jerusalem, dat beneden is — is dienstbaar met haar kinderen. Het Jerusalem, dat boven is, is vrij, Gal. 4:21v.

Van het nieuwe Jerusalem spreekt de brief aan de Hebreën: Gij zijt niet gekomen tot de tastbare berg en het brandende vuur en de donkerheid, maar gij zijt gekomen tot de berg Sion en de stad van de levende God, tot het hemelse Jerusalem, tot de algemene vergadering en de gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen is opgeschreven en tot God, de Rechter over allen en de geesten der volmaakte rechtvaardigen en tot de Middelaar des Nieuwen Testaments, (Hebr. 12:18, 22). Als in Gal. 4 worden hier Sinaï en Sion tegenover elkaar gesteld. Tot Sion komen betekent tot Christus komen, ingelijfd worden in de gemeente des levenden Gods, komen tot de algemene vergadering en de gemeenten van hen wier namen geschreven staan in het boek des levens. 'Hij spreekt van het hemelse Jerusalem opdat de Joden niet aan het aardse zouden kleven, dat onder de Wet had geschitterd' (Calvijn).

Jerusalem in het boek der Openbaring

In het boek van de Openbaring wordt door Johannes overgenomen, wat bij de profeten staat geschreven. Het oude keert niet terug; het wordt verheerlijkt, vernieuwd, het komt tot zijn doel. Gods kinderen zijn reeds nu burgers van de stad Gods; het is dat Jerusalem, dat door de heidenen zal worden vertreden in zware vervolgingen der kerk, Op. 11:2. In datzelfde hoofdstuk is sprake van de grote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodoma en Egypte, alwaar ook onze Here gekruisigd is. Men verdedigt wel, dat hier gedoeld wordt op Rome. Eerder meen ik, ook door de nauwe verbinding met Mattheus 23:37; Luc. 13:34 e.a., dat het hier over Jerusalem gaat. Het wordt op één hoop geworpen met Sodom en Egypte, typen van de goddelozen en de vijanden van Gods volk in het Oude Testament. De heilige stad is geheel wereld geworden. Ook in het Oude Testament wordt het goddeloze Jerusalem met Sodom vergeleken (Jes. 1:9v; Ez. 16:46v), maar hier gaat het woord verder dan een vergelijking; het wordt op één lijn gesteld met deze brandpunten van goddeloosheid. Jerusalem gelijkgeschakeld met de wereld; de lichtstad is enkel duisternis geworden! Hier valt het bijzondere van Jerusalem geheel weg. Gaat het dan in dit hoofdstuk alleen over een geografisch begrip als er gesproken wordt over Jerusalem. Dat geloof ik niet, maar wel wordt het Jeru­salem genoemd als een weerspiegeling van het algemeen karakter van de wereld. Johannes zag de heilige stad het nieuwe Jerusalem nederdalen van God uit de hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is, Op. 21:3. Hier vinden wij een grote aaneenschakeling van woorden van de profeten Jes. 54:11v; 60:1v; vs. 11, 19, 20; 65:17; Ez. 40:1, 47:12, 47:1vv; 48:31, Zach. 14:11. En dit is het hoogtepunt en het centrum van alles: De Here zal bij hen wonen en zij zullen Zijn volk zijn en God zelf zal bij hen en hun God zijn. De vervulling van datgene waarom het in de stad en de tempel om ging: God in het midden van hen.

De stand niet los van het land

In de Handreiking maakt men Jerusalem los van het land; Jerusalem deelt daarom niet in de belofte over het land als een eeuwige bezitting. Ik meen, dat dit met de Schrift in de hand niet waar gemaakt kan worden. Nu heeft men wel gezegd als een verwijt aan de opstellers, dat theologische argumenten dienen moeten om een politieke stellingname te ondersteunen. Zo ver wil ik niet gaan, maar ik vraag mij wel af — bewust of onbewust — in hoeverre de politieke situatie van het ogenblik heeft meegespeeld: Het land wel van en voor Israël, maar Jerusalem, dat blijft een vraagteken.

In de oude bedeling gaf de Here aan Israël Zijn wetten; zo heeft Hij aan geen volk gedaan. Later zullen in de nieuwe bedeling alle volken in Zijn wetten onderricht worden en met Israël delen in de beloften van het Nieuwe Verbond. Nationale en locale barrières zullen worden doorbroken; stad en land hebben hun heilshistorische functie verricht. Het gaat niet meer om stad of om land, maar om de komst van het Koninkrijk van Jezus Christus.

Israël hoort in Israël

En toch meen ik, dat Israël in 'Palestina hoort en Jerusalem moet haar hoofdstad zijn, naar een recht, dat niet verjaard is. Het volk is verstrooid over de ganse aarde, van oude tijden af. Het is onder het harde juk van het imperialistische Assyrië doorgegaan en de roofzucht van de bloedstad Ninevé heeft Israël vernederd en verarmd. Assyrië verachtte Goddelijke rechten en 'achtte geen mens' Jes. 33:14; 14:24. Hetzelfde geldt van Babel, dat duizenden en duizenden weggevoerd heeft naar het vreemde land. Deze volken waren de eersten niet; reeds in 1700 voor Christus werden de inwoners van Aleppo in ballingschap gevoerd. Maar deze volken deden het stelselmatig om uiteindelijk het volk in zijn diepste wezen aan te tasten en het te verderven. Maar het heimwee bleef. Zo ik u vergete, o Jerusalem, eer vergete mijn rechterhand zichzelf. En de gehele geschiedenis is dat heimwee gebleven. Niet bij allen, dat weten wij al uit de dagen van de Babylonische ballingschap. Maar, hoe moeilijker het werd in den vreemde, waar zij heus niet met open handen werden ontvangen, hoe groter werd de begeerte naar het land der vaderen! Daar horen wij! Verbannen door afgunst en hebzucht en rassenhaat en ik weet niet wat voor zonden meer — eigenlijk tot de dag van vandaag. Maar zij behoren er van ouds her en mensen hebben hen verjaagd en dan moeten mensen hen helpen om hun tehuis terug te krijgen. Het gaat er hier niet om, hóe dat moet. Maar om de vraag, òf het moet. Ik geloof ja, en het is alleen maar erg, dat men een staat eerst erkent en dan een ontwikkeling aanvaardt, zoals die op het ogenblik aan de gang is. Dat er een probleem van de Arabieren is, dat weet ieder, die in het land Israël is geweest en daar zijn ogen en oren de kost heeft gegeven. Maar men lost geen probleem op, door zonder meer een streep te zetten door een rijk verleden, dat van Goddelijke bemoeienis is. Niet dus omdat ik geloof, dat Jerusalem nog heilshistorisch een toekomst heeft, maar omdat ik geloof, dat de apostel Paulus nog gelijk heeft als hij zegt: Hij heeft uit enen bloede het ganse geslacht der mensen gemaakt om op de gehele aardbodem te wonen, bescheiden hebbende de tijden te voren geordineerd en de bepalingen van hun woning, Hand. 17:25v.

Maar zeker, er zal geen zegen zijn noch voor Israël noch voor enig ander volk buiten de Christus Gods om, die onze vrede is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 maart 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Israël, het land en de stad

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 maart 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's