De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

17 minuten leestijd

Couvée contra Lever.

Onder deze titel geeft dr. A .E . Schouten in het blad 'Waarheid en eenheid' van 9 februari een bespreking van de brochure van ds. D .J . Couvée over het evolutiedogma onder de titel: 'Mag het?' Hoezeer de wetenschap van belang is op allerlei terrein, er zijn vragen, aldus dr. Schouten, waarop het antwoord een kwestie is van openbaring en geloof. Dat geldt ook de bijbelse prediking aangaande de schepping door God. De wetenschap heeft dus op haar eigen terrein de grenzen te eerbiedigen.

Openbaringsgegeven! Daar komt geen wetenschap aan te pas. Niet in de gehoorzalen der wetenschap, niet in aula's en collegezalen, komt het openbaringsgegeven door en over, maar in het bidvertrek, in de kamer waar naar Gods Woord geluisterd wordt, in de kerk waar dat Woord van God verkondigd wordt. En van daar uit kan het de wereld ingedragen worden; óók in de wetenschap, als die tot verhoging van haar eigen waarheidsgehalte zich erdoor wil laten leren en beïnvloeden.

Het is de taak der natuurwetenschap de geschapen werkelijkheid critisch te onderzoeken, de daarin gegeven structuren en de daarin voortgaande processen te analyseren, de onderlinge samenhangen van oorzaak en gevolg, van impuls en reactie, te ontdekken en te beschrijven. Voorts heeft zij de verworven kennis toe te passen in de vervulling van de cultuuropdracht tot levensontplooiing in de zorg voor het voortgaande en zich ontwikkelende leven van mens en dier op aarde om zó dienstbaar te zijn aan de realisering van Gods wereldplan.

De geschapen werkelijkheid! Dáár hebt u het gezichtsveld der wetenschap. Dat wil zeggen, dat het geschapen worden, het tot aanzijn komen van die werkelijkheid, in Genesis 1 geproclameerd met een zevenvoudig 'en God zeide' buiten het gezichtsveld en buiten het critisch kenvermogen van de tot wetenschapsbeoefening en tot cultuurontplooiing geroepen mens ligt. Want de mens is zèlf schepsel en mist het vermogen om over het Goddelijke mysterie van zijn worden wetenschappelijke kennis te verwerven, te produceren en te lanceren. De mens heeft alleen weet van zijn oorsprong uit het Bijbels openbaringsgegeven. En het Goddelijk 'hoe' is hem daarin niet onthuld. Hier is alleen plaats voor aanbidding en geloof. Hier moet de mens, ja, hier moesten alle mensen, zich aansluiten bij de dichter van psalm 95: 'Treedt toe, laten we ons neerwerpen en ons buigen, knielen voor de HERE, onze Maker!'

Ik geloof dat ik zeggen mag, dat dit nu nog omsluierd 'hoe' ons straks in de hemel onthuld zal worden. Ik grond deze geloofsverwachting op Paulus' woord in 1 Corinthe 13:12: 'Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen, doch straks van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal ik tenvolle kennen, zoals ik zelf gekend ben.'

Het 'hoe' van ons worden in de hemel onthuld, dus niet hier en nu...

Niettemin heeft een vermetel menselijk pogen om toch dit 'hoe' van ons worden te onthullen — en de idee van Gods scheppen werd daarbij ongelovig terzijde gesteld — in de vorige eeuw geleid.tot de z.g. evolutietheorie. Volgens deze theorie zou de mens in de loop van miljarden jaren geleidelijk ontslaan zijn in een ontwikkelingsproces van steeds rijker geïnstrumenteerd organisch leven, waarin de (tot nu toe!) laatste trap dan zou zijn die van aap tot mens. De volgende fase is ons, die opgenomen zijn in dit evolutieproces, natuurlijk niet bekend.

Ds. Couvée richt zich in zijn brochure met name tegen de beschouwingen van Professor Lever, die in allerlei publicaties, onder meer in zijn bekende boekje 'Waar blijven we?' dit evolutiedogma min of meer verdedigt en van daaruit zijn visie op Genesis 1—3 geeft. Op niet onduidelijke wijze heeft Couvée stelling genomen tegen Lever's beschouwingen die in brede kring aanhang vinden en vaak ook klakkeloos nagepraat worden. Mede daardoor is de onzekerheid bij velen groot. Schouten schrijft in dit verband naar aanleiding van de door hem genoemde brochure:

Ds. Couvée toont aan dat véél voorzichtiger en terughoudender dan geschiedde door de gereformeerde professor Lever over de evolutietheorie werd geschreven door de zich materialist noemende Leidse hoogleraar prof. dr. H.J. Lam. Eén citaat van professor Lam geef ik hier door: 'Wij weten niet of er continuïteit bestaat tussen de evolutie der zogenaamde levenloze materie en die der levende stof. Het zou kortzichtig zijn in hen die weigeren aan evolutie te geloven afgedwaalden of dwazen te zien, alleen omdat zij als enkelingen tegenover een overweldigende meerderheid staan, want de geschiedenis leert dat de waarheid niet wordt uitgemaakt door meerderheid van stemmen; en bovendien zijn er onder die enkelingen geleerden van gezag.'

Van deze 'geleerden van gezag' citeert Couvée dan o.a. prof. H. Bavinck en prof. H. Dooyeweerd. En hij noemt verder als 'groten onder Gods kinderen, die dit dogma als onbewezen en gevaarlijk tot hun dood toe bestreden: Chesterton, Reinke, Kuyper en Chantepie de la Saussaye.'

Eén van Levers argumenten voor de aanvaarding van het evolutie-dogma is de ontdekking van gelijksoortige bouwstoffen (nucleïnezuren en eiwitten) in alle cellen van de ons bekende levende organismen. Dat zou dan er op moeten wijzen dat zo volgens eenzelfde bouwprincipe het hogere uit het lagere is ontstaan.

Profetisch van allure vind ik het tegenwoord van Couvée: 'Het overeenkomstige bewijst géén continue evolutie. Wèl wijst het naar één Schepper, Die voor heel Zijn opklimmend werkstuk dezelfde wetten ontwierp en dáárdoor òns, van al het omringende afhankelijke mensen, in staat stelde om, zonder directe verwantschap, maar door overeenkomstige opbouw, ons te voeden met plant en dier, en tegenwoordig na voorafgaande proeven op dieren zelfs het leven te redden! Dit alles zou niet mogelijk zijn, indien de éne Schepper niet volgens één, tot in de kleinste onderdelen harmoniërend plan, Zijn universum had gecreëerd. Niet alles uit, maar wel naast en na elkaar, tot elkanders steun.'

Dat de mens beslist niet van het dier afkomstig kan zijn in evolutionistische zin, bewijst ook de onoverbrugbare kloof tussen mens en dier van héél ander dan biologisch karakter: het denken, het geweten, het zelfbewustzijn, allemaal realiteiten, die niet van fysisch-chemische of van biochemische aard of herkomst zijn.

Waar blijven we? vroeg ons prof. Lever. Hij laat het zelf zien. Geen Adam en Eva, geen paradijs, geen zondeval en geen Kaïn, Abel, Seth en gaat u maar door, Jezus en Paulus hebben zich vergist toen zij heenwezen naar dat verleden. Het behoort tot de mythologie en die Bijbelfiguren zijn leermodellen.

Ik zou de theologen, die dit vandaag in Amsterdam en Kampen doceren, willen vragen: Waar ligt in Lucas 3 in het geslachtsregister van de Here Christus de overgang van leefmodellen naar leermodellen? En is God, Die als Eerste daar dan genoemd wordt, óók een leermodel?

De brochure van ds. Couvée is een verrassend en indringend appèl tot een opnieuw in geloof aanvaarden van wat de Bijbel ons openbaart aangaande Gods schepping van de mens. En God zag alles wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed! (Genesis 1 vers 31).

Wij zijn met de auteur in W. en E. van oordeel, dat de tachtigjarige emerituspredikant van Utrecht een waardevol geschrift gaf, dat waard is gelezen te worden. Het kan menigeen helpen in zijn bezinning. En dat niet alleen: Het gaat maar niet om het al of niet accepteren van een wetenschappelijke theorie. Het gaat ten diepste om het openbaringskarakter van Genesis 1—3. Hebben we hier alleen maar een Israëlietische visie voor ons, waaraan de moderne mens nauwelijks gebonden is, of staan we hier voor de gegevens der openbaring? Wie het laatste zegt, ontkent daarmee niet, dat er ten aanzien van ons verstaan van de Schriftgegevens vragen en problemen blijven. Ds. Couvée wil de wetenschapsbeoefening niet buiten spel zetten. Integendeel, zijn betoog rust meermalen op uitspraken van befaamde geleerden. Maar voor alle dingen laat hij zien dat we de eerste hoofdstukken van de Bijbel alleen in het geloof kunnen verstaan. In het geloof, dat buigt voor de openbaring Gods.

De geboorteleden

In de kerkelijke administratie komen naast doop- en belijdende leden geboorteleden voor. Het betreft een categorie van mensen, die uit Hervormde ouders geboren zijn. Sinds kort heeft de SMRA de naam 'geboorteleden' laten vallen en spreekt zij van 'overige geregistreerden'.

Maar de zaak wordt daardoor niet anders. Deze geboorteleden vormen namelijk in allerlei opzicht een probleem.

Allereerst een pastoraal probleem. De grote meerderheid van hen is onkerkelijk of randkerkelijk, stelt vaak nauwelijks prijs op enige binding met de kerk. Dat roept vragen op. In hoeverre zijn deze mensen tot de kerk te rekenen? Of hebben zij zich zelf daardoor afgesneden van de gemeenschap der kerk?

Een volgende vraag is: Moeten we hen blijven administreren. Dat brengt met name voor gemeenten, aangesloten bij de SMRA werkzaamheden en kosten met zich mee. Per hoofd moet meer dan een gulden per jaar aan administratiekosten betaald worden, terwijl deze categorie in overgrote meerderheid niets bijdraagt.

Waar liggen de grenzen van de kerk? En zuiver practisch gezien: Hoe krijgen we een register waar ook pastoraal mee te werken valt. Moeten we al deze geboorteleden afvoeren van de administratie?

Dat zijn de vragen die op de synodevergadering van 16 februari diepgaand besproken zijn. In het Hervormd Weekblad van 18 februari wijdt prof. dr. G.P. v. Itterzon aan deze problematiek een artikel. Hij gaat onder meer in op de relatie van het kerkelijk register tot het burgerlijk bevolkingsregister.

Nu wordt het vasthouden aan deze geboorteleden tegenwoordig door velen een dubieuze zaak geacht. Wat toch is het geval? In Ord. 2-2-2 wordt met zoveel woorden gezegd, dat de kerk haar register der gemeenteleden bijhoudt met behulp van gegevens, o.a. 'uit het bevolkingsregister ter plaatse'. Nu wens ik geen enkel kwaad woord te spreken of te schrijven over (wat men daarbij noemt) de gegevens van de 'burgerlijke stand'. Een bevolkingsregister is een onmisbare zaak en de kerk mag dankbaar zijn, dat zij op deze wijze in de loop der jaren talloze waardevolle gegevens heeft ontvangen, die bij de pastorale zorg goed van pas kwamen. Toch heeft deze methode van informatie ook schaduwzijden. Immers, wanneer iemand in het bevolkingsregister als N.H. (Ned. Hervormd) of bijv. R.K. (Rooms Katholiek) te boek staat, wordt daaraan nooit iets veranderd, tenzij de betrokken persoon zich naar het bureau van de burgerlijke stand begeeft en eventueel in de rij gaat staan om daarna te vragen, dat de aantekening van zijn kerk wordt veranderd. AI zegt hij bij de volkstelling, dat hij niet meer N.H. of R.K. is, wordt er op het 'stadhuis' niets veranderd. Al verklaart hij tegen dominee of pastoor dat hij 'van geloof is veranderd', het helpt hem niets: hij blijft N.H. of R.K. genoteerd, totdat hij de reis naar het gemeentehuis volbracht heeft. Zo kan het gebeuren, dat iemand, die van N.H. tot R.K. is overgegaan, toch op de burgerlijke stand (door eigen schuld, omdat hij het niet veranderen laat) kerkelijk foutief te boek staat. En dat niet alleen. Is iemand N.H. of R.K. (of iets anders), dan worden ook zijn kinderen, zijn kleinkinderen enz. enz. met dezelfde kerkelijke letters aangeduid. Zo kan het gebeuren, dat mensen, die al lang Hervormd zijn, omdat zij in de Hervormde kerk belijdenis hebben gedaan, toch (met hun kinderen en kleinkinderen) als Rooms-Katholiek genoteerd blijven. Dan krijgt niet de dominee, maar de pastoor de briefjes van geboorte, overlijden e.d. en krijgen ze ook, tot hun verwondering, jaar na jaar (als het goed is) bezoek van de pastoor, en niet van hun predikant. En omgekeerd. Maar men kan toch niet tot in verre geslachten als N.H. of R.K. te boek blijven staan, als een verre voorvader tot de R.K.K. of de N.H.K. overging en nochtans de sterk verouderde vermelding van kerkgenootschap onverminderd blijft voortduren? Daarom is er m.i. alles voor (en dat ligt in de lijn van Ord. 2-2-2), dat de kerk, naast het burgerlijk bevolkingsregister, dat ze dankbaar blijft gebruiken, zelf een eigen kerkelijke stand opzet en in stand houdt. En zouden we dan aanstonds alle geboorteleden huis aan huis moeten opzoeken om hen te vragen: zullen we u maar schrappen? Of hecht u nog enige waarde aan uw 'geboortelidmaatschap?'

Het genadeverbond

In de discussies over deze vragen komt ook de relatie verbond en kerk in zicht. Nu is het duidelijk dat we hier wel moeten onderscheiden. Kerkleden die bij een kerkgenootschap willen behoren kan men administreren. Het Verbond kan men niet administreren.

Kerk en verbond mogen niet gescheiden, zij dienen wel onderscheiden te worden. Wie behoren er in dat licht tot de Hervormde kerk? Dat is de theologische vraag, die om antwoord vraagt naast de kwestie van de sanering van de registers. Over dit verbond schrijft Van Itterzon:

Het is een misverstand, dat men krachtens een biologisch gegeven (namelijk, dat men geboren is uit ouders, die N.H. heten of zijn) geboortelid der Ned. Herv. Kerk zou zijn. De kerkorde zegt het dieper; ze verklaart niet, dat men 'krachtens zijn geboorte', maar 'krachtens het genadeverbond' tot een Hervormde gemeente behoort. Dat betekent, heel duidelijk, dat een kind, dat uit hervormde ouders wordt geboren, niet door zijn geboorte, naar recht, tot de kerk behoort, maar dat dit een vóórrecht is, dat men ontvangt uit genade alleen. In de eerste doopvraag staat dan ook niets over de geboorte van het kind, dat zal worden gedoopt. Er staat wel, 'dat zij in Christus geheiligd zijn, en daarom als lidmaten Zijner gemeente behoren gedoopt te wezen'.

In Christus geheiligd. Daarom lidmaten, al voor de doop. En daarom, uit genade, het teken van Gods genadeverbond, 't Verbond met Abraham, zijn vrind, bevestigt Hij van kind tot kind. Klassieke woorden, die in de nieuwe psalmberijming gelukkig zijn bewaard!

Genadeverbond. Het is bekend, dat Gods verbond in de H. Schrift altijd een 'eenzijdige' zaak is. Dat betekent, dat het geen verbond is van twee partijen, die samen een verbond sluiten en elkander wederkerig beloften doen. Integendeel, het verbond gaat van God uit. Van Hem alleen. De liefde, de opzoekende liefde komt slechts van één kant. God begint, belooft, schenkt, nodigt, roept.

En de mens? Hij hoort, dat God uit genade Zich tot hem heeft gewend, niet op grond van onze werken, onze vroomheid, ons geloof, onze belijdenis. Hij richtte Zijn verbond zelfstandig op, éénzijdig, genaderijk en verwacht, dat de mens, de zondaar, over zoveel goedheid en barmhartigheid verwonderd en verbaasd, daarop zijn antwoord zal geven. Het antwoord van het geloof. De bijbel leert, dat de mens (en ook Israël) vaak in ongeloof en ongehoorzaamheid het verbond heeft verbroken. De klachten over bondsbreuk van onze kant zijn in de H. Schrift niet van de lucht. Deze gedachten liggen ook in onze kerkorde. Krachtens het genadeverbond behoren tot een gemeente, die rondom Woord en sacramenten wordt vergaderd' enz. Warmer kan het al niet. Genadeverbond. Trouwverbond van Gods zijde. Gehandhaafd door de God des verbonds, tot onze beschaming, vaak tegen onze ontrouw en liefdeloosheid in. Trouw, ook door onze bondsbreuk heen. Ongelofelijk en onbegrijpelijk, maar het is het evangelie. En dan: niet dat we er bij horen, omdat we belijdenis hebben gedaan of gedoopt zijn of ons hebben aangesloten en aangemeld, maar: omdat we door de Grote Herder der schapen in Zijn opzoekende liefde 'rondom Woord en sacramenten worden vergaderd'. Worden vergaderd. Hij haalt dwalende schapen van de doolweg terug. Hij brengt keer op keer dwalende, eigenwijze schapen weer bij de kudde terug. Want Hij vergadert. En wij 'worden' vergaderd. En Zijn doel? De kerkorde zegt, dat we gehouden zijn 'tot dienstbetoon aan elkander en de Wereld'. We leven dus niet voor onszelf alleen. In de kerk als lichaam van Christus hebben we allen een dienende plaats.

Nu waarschuwt prof. Van Itterzon er voor om al te zeer een afschrijvingsmethodiek te hanteren. Wij dienen een winnende kerk te zijn. Wij moeten de mensen trekken en nodigen, niet afstoten en uitbannen. Daarom moeten we z.i. niet streven naar een afschrijvingscampagne. Dan verwordt de kerk tot een vereniging van sympathisanten, een secte, een godzalige club.

Wel wil prof. Van Itterzon rekenen met de aangrijpende realiteit van de bondsbreuk.

Daarom zou ik er voor willen pleiten, dat we de theologische fundering van art. II bewaren. Dat is het fundament van genade en geloof. Maar dan in de praktijk graag met één correctie ter wille van onze 'kerkelijke stand'. Belijdende lidmaten kunnen het verbond verbreken, door zicht te laten schrappen. Dan moeten ze uit onze lidmatenregisters worden afgevoerd. Doopleden kunnen aan de kerkeraad meedelen, dat ze niet meer als zodanig willen worden aangezien. Hun doop kunnen ze daarmee niet ongedaan maken. Ze zijn en blijven gedoopt. De plechtigheid van de zondag, waarop dit is geschied, blijft van Gods kant van kracht. Alleen: wij kunnen (treurige mogelijkheid!) de zegen van Gods genadeverbond door onze schuld en ons verzet in het tegendeel omzetten. Die mogelijkheid moet er nu ook zijn m.i. voor hen, die geboorteleden zijn, maar omdat ze R.K. of iets anders of ook niets zijn geworden, als zodanig willen worden geschrapt. Dan blijven ze wellicht nog honderd jaar in het burgerlijk bevolkingsregister staan, maar dan voeren we hen toch uit het kerkelijk bestand der geboorteleden af. Misschien zetten we hun kaart dan in een aparte kaartenkast, op hoop, dat ze vroeg of laat nog weer terugkomen, maar we vallen hen dan tot hun gebleken ergernis niet meer met huisbezoek lastig. Maar nog eens: we maken er geen huis-aan-huis-campagne van met stapels schrap-papieren. Het breken moet van de 'ander' uitgaan, niet van de kerk.

Mij dunkt, dat zo de apostolaire instelling van onze kerkorde, waar mannen als de hoogleraren Paul Scholten, Kraemer en Haitjema hun bekwame krachten aan gegeven hebben, tot haar volle recht komt. Hoe dit in de praktijk, administratief, zal moeten worden geregeld, is de volgende vraag. Als we maar niet, ter wille van een overzichtelijke, goedkopere administratie, de kerkelijke lijn verruilen voor die van de sectarische vereniging.

Wij delen de bezwaren van de utrechtse hoogleraar tegen een sectarisch kerkbegrip, tegen een ontaarding van het geheimenis van de kerk door administratieve maatregelen. Dan verwordt de kerk nog meer tot een bedrijf.

Wel dienen we m.i. niet te vergeten dat de kerk grenzen heeft. Hier komt de moeilijke vraag van de tucht om de hoek kijken. Dat de kerk wervend en winnend in de wereld moet staan, is ten volle waar. Juist, krachtens het genadeverbond. Daarom is er de evangelisatiearbeid!

Maar dat sluit niet uit, dat we toch ook ernst moeten maken met het aanvaarden van het Verbond. Zeker, het is een genadeverbond. Het gaat van de Here uit. Maar in alle verbonden zijn twee partijen begrepen. Wij worden op het erf van het Verbond geroepen tot belijden, tot geloof en bekering.

Destijds heeft ds. Boer er in ons blad op gewezen dat het verzet tegen de administratie van geboorteleden niet primair om financiële redenen gevoerd mag worden. Primair staat de bijbelse gedachtegang van de gave en de roeping in het Verbond. De financiële konsekwenties kunnen de theologische gronden onderstrepen.

Wij hebben op het erf van het Verbond te waken voor de grenzen der gemeente. Zonder dat we mogen vervallen in een farizeïstische kerkbeschouwing. Hoe zou dat kunnen als we ernst maken met het feit dat Gods Verbond een genade-verhond is?

De zaak van de geboorteleden is niet alleen een administratieve kwestie. Hoe de sanering van de registers het best kan plaats vinden, opdat we een reëel beeld krijgen van de omvang der gemeente, zal door de desbetreffende commissies wel nader bekeken worden.

Daarnaast is er de pastorale en theologische vraag van de relatie van kerk en verbond. Het is voor het zijn en welzijn van onze kerk noodzakelijk dat hierin klaarheid komt. Moge de verontrusting, die er in brede kringen heerst over deze zaak van de geboorteleden — mede ook gewekt door de financiële consequenties — niet daarin verzanden dat we volstaan met enkele administratieve maatregelen. Die zijn niet onbelangrijk. Maar daarmee is de zaak niet gered. Wij zullen als hervormde kerk de hand in eigen boezem moeten steken en ook hebben te vragen, hoe het in de kerk tot deze situatie gekomen is. Wreekt zich hier niet een onbijbelse kerkbeschouwing, en een onbijbelse apostolaatsvisie met als gevolg de uitholling van pastoraat en prediking?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 maart 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 maart 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's