De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

10 minuten leestijd

Prof. dr. A.A. van Ruler

Regelmatig verschijnen er nog artikelen gewijd aan de persoon en het werk van de op 15 december 1970 overleden utrechtse kerkelijke hoogleraar prof. dr. A.A. v. Ruler. Het december-nummer van Transcript, een blad van de Theologische faculteit der R.U. te Utrecht, dat de band met oud-studenten op die wijze wil bewaren, is geheel gevuld met artikelen en bijdragen gewijd aan de nagedachtenis van deze hoogleraar die in de kringen der theologische faculteit en in het geheel van de kerk en van ons volksleven een zo grote plaats innam. Ook bevat dit nummer de tekst van de morgenwijding die prof. Van Ruler enkele uren voor zijn heengaan uitsprak voor de AVRO-microfoon. Sprekende over Marcus 14:39: 'En wederom ging Hij heen en bad, dezelfde woorden sprekende', zegt Van Ruler onder meer: 'We moeten niet zo af en toe eens bidden, maar regelmatig. We moeten het gebed niet afraffelen, maar er alle rust voor nemen. We moeten de dingen niet alleen in het gebed aan de Here God overdragen en dan afwachten, wat Hij ermee doet. Neen, we moeten erop terugkomen, het gebed herhalen, bij de Here God aandringen om gehoord en verhoord te worden'.

De vele meditaties die Van Ruler heeft uitgesproken en die voor het merendeel zijn uitgegeven bevatten een schat aan gedachten. Als weinigen verstond hij de hoge kunst van het mediteren. De theoloog doet zich in deze meditaties ook kennen als een bewogen pastor. Dat maakt ze juist zo uitermate boeiend en verrijkend.

Verschillende hoogleraren, alsmede enkele studenten geven in het genoemde nummer van 'Transcript' een bijdrage. Onder meer zijn collega, prof. dr. H. Jonker, die in zijn artikel zijn dankbaarheid uitspreekt voor de samenwerking met zijn ambtgenoot in het college van kerkelijke hoogleraren, en aan de utrechtse faculteit. Op de vraag, wat voor deze samenwerking bepalend is geweest antwoordt prof. Jonker met een verwijzing naar het samengaan van overtuiging en geestelijke eenheid.

Wij stonden samen voor dezelfde zaak en bij alle problemen toch ook met dezelfde fundamentele instelling. Als pratisch theoloog wist ik mij door mijn collega dogmatisch geruggesteund. Dat is namelijk voor de arbeid in de praktische theologie een noodzakelijkheid. De practicus bouwt het praktisch theologisch huis, maar de dogmaticus legt het fundament voor dat huis. Niet dat zijn kerkelijke collega het in alles met hem eens was, maar wat de grondstructuren betreft was er veel congenialiteit. Te waarderen valt zijn geloof in de dynamische kracht van het Woord, zijn eerbied voor de Woordbediening en de liturgie ('Waarom zou ik naar de kerk gaan'), zijn liefde voor de gemeente en de Kerk in haar institutionele gestalte, zijn apostolaire openheid voor de wereld, zijn moed tot confrontatie met de moderne uitdagingen, zijn afwijzing van willekeurige accentueringen, zijn bestrijding van eenzijdige verabsoluteringen, zijn totaliteitsvisie, zijn verdediging van de klassieke traditie als geldend voor het heden ('Ik geloof...') en zijn bezonnenheid te midden van een paniekerige discussie. Het was een genot in deze geestelijke sfeer praktisch theologisch te bouwen. Immers praktische theologie zonder een fundamentele visie verwordt tot beunhazerij en onwetenschappelijke knoeierij zonder eind.

Toen ik hem vroeg hoe hij er over dacht dat ik in 'Leve de Kerk', de praktische theologie niet vanuit zijn 'kerk-wereld' visie, maar op een andere wijze had opgebouwd, antwoordde hij dat hij geen tegenstelling zag maar mijn opzet als een pneumatologische uitwerking beschouwde voor de praktische theologie. De lezer doorzag het geheel scherper dan de schrijver zelf.

Was Van Ruler conservatief? Als conservatief betekent iemand, die niet voetstoots en onbezonnen meeloopt in de optochten van nieuwe bewegingen, iemand die neen zegt tegen een geesteshouding om het nieuwe alleen maar te achten omdat het nieuw is, dan was hij conservatief. Als conservatief betekent iemand, die alles bij het oude wil houden omdat het oude waar is en zich afsluit voor de nieuwe vragen, dan was hij het bepaald niet. Collega Van Ruler bleef open staan voor nieuwe bewegingen ook op theologisch gebied, maar hij analyseerde en critiseerde met het vlijmscherpe mes van zijn theologisch intellect (Bonhoeffer, Dorothée Sölle). Hij ging de moderne uitdaging niet uit de weg, hij nam haar ernstig en betrok — zo nodig — een helder omschreven contra-positie. En is iemand die weet waar hij staat en tegenover welke fronten hij staat conservatief te noemen? Een andere en betere kwalificatie ware de overledene liever gegund.

Heppe, het beruchte, versmade en onvolprezen examenboek voor de dogmatiek! Reeds vanaf 1935 door prof. Berkelbach van der Sprenkel als zodanig opgegeven. Ook prof. Van Ruler stond er op, dat het voor het kerkelijk examen werd bestudeerd. Ouderwetse theologie uit het midden van de vorige eeuw? Of een totaalbeeld van reformatorisch dogmatisch denken, een scholing en training in dogmatiseren om de geesten te onderscheiden en andere, nieuwere theologieën in deze tijd naar hun waarde te toetsen?

Terecht wijst prof. Jonker erop, hoe mede door de dogmatische colleges van prof. Van Ruler velen geconfronteerd werden met de schoonheid en de gedachtenrijkdom van de reformatorische dogmatiek. Een college van Van Ruler over de rechtvaardiging was een gebeurtenis, waarin de hoogleraar zijn (doorgaans talrijk) gehoor meenam naar de toppen van de theologische bezinning.

Dat betekent niet dat Van Ruler 'Heppe' 's dogmatiek klakkeloos overnam. Dr. Hasselaar zegt in ditzelfde nummer dat Van Ruler enerzijds bezield was door de gereformeerde dogmatiek van Heppe, anderzijds ook in vrijheid er tegenover stond. Het is hier niet de plaats de eigen accenten in het theologisch denken van Van Ruler ten aanzien van de gereformeerde traditie uit te werken. Anderen hebben dit gedaan. Ik denk met name aan een boek van prof. dr. W.H. Velema, Confrontatie met Van Ruler, waarin de apeldoornse hoogleraar een schets van Van Ruler's gedachten geeft en een critische doorlichting.

De aandacht voor de reformatorische traditie betekende bij Van Ruler ook een brede aandacht voor het werk van de Heilige Geest, de vragen rondom de toeëigening van het heil, de prediking en de bevinding. Hoezeer juist deze vragen hem bezig hielden blijkt uit een groot artikel dat na zijn heengaan gepubliceerd is in 'Wapenveld' (jaargang 21, nr. 2 en 3), getiteld: Ultra-Gereformeerd en vrijzinnig. In dit magistrale artikel, dat we met name de predikanten onder ons graag ter lezing aanbevelen, werkt Van Ruler een gedachte uit, die hij enkele jaren geleden in een lezing poneerde, nl. dat er aan de rechterzijde van de gereformeerde gezindte ketterijen schuilen, waarbij die van het modernisme kinderspel lijken. Het ongemeen boeiende van dit Wapenveld-artikel is de wijze waarop Van Ruler de vragen, die hier in het geding zijn behandelt. Enerzijds bespeuren wij een grote sympathie voor de stromingen, wier gedachten hij onder de loep neemt, en een groot begrip voor wat hen beweegt, anderzijds stelt hij een aantal critische vragen aan de ultra-gereformeerde stromingen en laat hij zien waar er ontsporingen zijn ten aanzien van het reformatorisch belijden. Maar de toon wordt nergens bitter. Het is critiek van 'binnenuit'. Dat betekent ook dat een dergelijk artikel niet alleen maar waard is gelezen te worden; nee, wanneer de reformatorische theologie ons lief is en we menen dat het gereformeerd belijden actueel is ook voor onze tijd, die van belijdenisgeschriften, leerstellingen etc. niet zo veel wil weten, dan is blijvende bezinning en doordenking vanuit de Schrift over hetgeen door Van Ruler aan de orde gesteld is, dringend nodig. Vooral ook terwille de gereformeerde gezindte en met name die groepen, wier ontsporingen hier beschreven worden. Met liefde beschreven kan men zeggen, en tegelijk ook: met pijn, want het was naar zijn eigen zeggen: een snijden in eigen vlees.

Ook wanneer er ten aanzien van het denken van Van Ruler critische vragen rijzen (ik denk b.v. aan de verhouding tussen het werk van Christus en het werk van de Heilige Geest, of de uitleg van 1 Cor. 15:28), dat neemt toch niet weg, dat juist de gereformeerde gezindte in onze kerk met dankbaarheid van dit werkstuk zal kennis nemen. Prof. Velema schrijft in dit Wapenveld-nummer: 'Mij is duidelijk, dat Van Ruler dit artikel ook bedoeld heeft om de lofzang op het gereformeerde te zingen' (blz. 56). Dat betekent natuurlijk niet, dat wij vrijblijvend kunnen toeluisteren. Velema zelf spreekt van een spoor dat verder getrokken moet worden. Kerk en theologie zullen niet dan tot hun eigen schade aan de erfenis, die Van Ruler ons nalaat in zijn vele publicaties, voorbij kunnen gaan.

Van Ruler over kerk en theologie omstreeks 1970

Wij weten overigens, dat Van Ruler niet optimistisch gestemd was over de situatie waarin de theologische studie, de kerk en de theologie zich op het ogenblik bevinden. Het interacademiaal theologisch tijdschrift 'Vox Theologica' gaf in het onlangs uitgekomen laatste nummer van de veertigste jaargang een uitvoerig opstel, dat Van Ruler voor dit jubileum-nummer geschreven had: 'Nieuwe vragen na vijftien jaar'. In dit opstel, dat dus ook, evenals het artikel in 'Wapenveld' na zijn dood gepubliceerd is, analyseert Van RuIer de veranderingen sinds 1955.

Geweldig veel komt ter sprake. Van RuIer steekt zijn critiek op bepaalde herstructureringsplannen inzake het universitaire onderwijs niet onder stoelen of banken, stelt scherpe vragen aan de voorstanders van een theologie der revolutie, wijst op de betekenis van ambt en pastoraat, kortom het predikant-zijn in een gewone gemeente, om slechts enkele dingen te noemen.

Indringend is ook wat hij schrijft over de visie op de wereld. De kerkorde van 1951 stelde het artikel van het apostolaat voor dat over het belijden. Dat hier een bedenkelijke ontwikkeling is ingezet, laat ik nu rusten. Elders in dit blad wordt over de verhouding kerk-wereld uitvoerig geschreven. Maar frappant is wat Van Ruler in dit verband schrijft:

Maar gaandeweg zijn deze gedachten aan een radicale verschuiving onderhevig geraakt. Aanvankelijk hielden ze in, dat de taak van de kerk ligt in de verkondiging van de boodschap in de wereld. Ook in de vorm van de evangelisatie, waarin de van het evangelie vervreemden (terug)geroepen werden tot Christus en zijn kerk. Maar ook in de vorm van de herkerstening of (bedachtzamer uitgedrukt) in de vorm van de voortgaande kerstening van het leven op alle terreinen van de cultuur en de maatschappij, tot in de staat toe — waar de kerstening ongemerkt theocratisering wordt genoemd.

Dit was de evangelische dienst in de wereld. Het was een dienst aan het rijk van God of liever aan het rijk van Christus. Als ik wel zie ligt de verschuiving en overgang in de voorzetsels. Wat een dienst was in de wereld aan het rijk met het evangelie werd een dienst aan de wereld vanuit het evangelie. Het evangelie verloor zijn inhoud, het werd een impuls, een bron van inspiratie. De evangelische dienst werd omgezet in onbaatzuchtige dienstbaarheid. Men wilde nadrukkelijk (God betere het!) geen 'zieltjes meer winnen'. Men wilde alleen in de solidariteit staan, zelfs in het incognito. Men wilde alleen het wereldlijke leven in zijn wereldlijkheid gaan leven.

Wij krijgen hier een scherpe critiek op het huidige denken inzake de relatie kerk-wereld. Terecht vraagt Van Ruler zich af, waar bij deze visie de antithese gebleven is. Wat blijft er zo nog over van de vreemdheid van het evangelie, van de oproep tot bekering, van de vergadering der gemeente.

De verleiding is groot meer te citeren. Ik denk aan wat Van Ruler schrijft over de vragen van structuurverandering. Men wil een broederschap van goedwillende mensen zonder gevestigde instellingen. Maar, zo vraagt Van Ruler zich af, moeten dan niet eerst alle mensen tot op de fundamenten toe bekeerd en wedergeboren worden. Structuurverandering an sich is een loze kreet.

Uit het gehele artikel spreekt de zorg om de ontwikkeling van kerk en theologie, om de visie op ambt en gemeente. Wij doen er goed aan deze zorg voluit ernstig te nemen. Ook in dit opzicht is het vurig te hopen dat dit artikel weerklank vindt in kerk en theologie. Het is een bewogen stuk, waarin de theoloog Van Ruler tegelijk pastor is, die schrijft vanuit een diepe bewogenheid met mensen, die geestelijk honger hebben en brood voor het hart nodig hebben. Brood voor het hart geven! Zo past het een kerk, die waarlijk kerk is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 maart 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 maart 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's