De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Beginselverklaring van de Raad van kerken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Beginselverklaring van de Raad van kerken

11 minuten leestijd

Onlangs ontvingen onze kerkeraden van de 'Raad van kerken' in ons land een 'Proeve van een Beginselverklaring', vergezeld van het verzoek deze Proeve te bespreken in de kerkeraadsvergaderingen. Gezien het feit dat ook onze kerk in deze Raad van kerken participeert en derhalve verantwoordelijkheid draagt voor de inhoud van deze Beginselverklaring leek het ons zowel nodig als nuttig er in een paar artikelen op in te gaan.

Inleiding

Om te beginnen willen wij herinneren aan de bescheiden opzet waarmee de oecumenische beweging, zoals zij gestalte kreeg in de Wereldraad van kerken, aanvankelijk gestart is. Het zou, zo werd gezegd, helemaal er niet om gaan iets te forceren. Er zou geen sprake van zijn dat de Wereldraad of een of andere landelijke oecumenische raad ooit 'kerkje' zou gaan spelen. De vrijheid der deelnemende kerken zou volledig gerespecteerd worden. De Wereldraad zou eigenlijk niet veel meer zijn dan een plaats van gesprek en ontmoeting. Hij zou zijn een orgaan ten dienste van de kerken, die dan zelf uit eigen initiatief en langs eigen wegen de eenheid zouden zoeken met andere kerken. Natuurlijk ontkende men niet dat er van de Wereldraad een stimulerende werking zou uitgaan, maar zijn taak zag men toch als zeer bescheiden. Tegenover kerken, groepen en personen die zich critisch opstelden tegenover de Wereldraad en de vrees uitspraken dat die Raad als een soort van Superkerk zou gaan functioneren, werd dit alles met veel klem benadrukt. Wij zouden dus echt niets van de activiteiten van deze Raad en haar landelijke afdelingen hebben te duchten.

Al sinds enige tijd zijn deze geluiden echter steeds meer verstomd. De betekenis van de Wereldraad voor de eenheid der christenen is aangedikt. Wel wordt nog beweerd dat de Raad geen Super-kerk is, maar er gaat niettemin van die Raad toch wel veel aandrang uit. Het is alsof het ongeduld der jongeren die de Wereldraad hebben verweten teveel praat-orgaan te zijn, weerklank heeft gevonden. Men stuwt aan op dáden.

Niet voor het minst geldt dit ook van de Raad van kerken in ons land. De Beginselverklaring van deze Raad, die ons thans is voorgelegd, liegt er in dit opzicht niet om. Een nauwkeurige analyse kan ons dat leren.

Een VERPLICHTE zaak

Een woord dat wij in deze Beginselverklaring meer dan eens tegenkomen en dat wij niet voor niets in het kopje met grote letters hebben laten drukken is het woord verplicht. Tweemaal, eigenlijk driemaal, wordt het gebruikt; in al die gevallen wordt het nog onderstreept bovendien. Aan elk geval afzonderlijk schenken wij enige aandacht. De eerste keer dat het voorkomt is daar, waar (par. 5) het gaat over de dialoog welke de kerken binnen de Raad van Kerken willen voeren over 'het belijden en het functioneren van de Kerk van Jezus Christus in deze tijd'. Deze dialoog wordt dan genoemd een verplichtende dialoog!

Ook al wordt in de Beginselverklaring zelf niet uitdrukkelijk meegedeeld wat onder zulk een 'verplichtende dialoog' verstaan moet worden, menen wij toch wel met enige zekerheid te kunnen zeggen wat ermee bedoeld is. Er zal namelijk mee bedoeld zijn, dat deze dialoog gevoerd moet worden in het klare bewustzijn, dat het gaat om een daad-werkelijke eenheid. Anders gezegd: in het besef dat het bij praten alleen niet mag blijven, dat men 'ergens' uit moet komen, en dat 'ergens' dat is dan de zichtbare eenheid. Het zal dus een gerichte dialoog moeten zijn of om het te zeggen met een modewoord: een functionele dialoog! Niet langer meer mag de dialoog (of het gesprek) fungeren als een doel op zichzelf, het stadium van ontmoeting en verkenning is voorbij; ook mag zij niet meer zijn een voorzichtig aftasten van elkaars geloofs-inzichten en standpunten, en zelfs niet meer een samen worstelen om de waarheid, waarbij leugen en dwaling aan het licht moeten komen. Neen, zij is geworden een structuur-element in een eenheid waarvan verondersteld wordt dat zij er eigenlijk al is. Dat het werkelijk zo gezien wordt, blijkt hieruit dat met nadruk wordt gesteld dat de Kerken die zijn toegetreden tot de Raad hun geloof uitspreken 'dat de Kerk in Jezus Christus één is' (1). Waarbij men dan betrekken moet wat reeds in de Praeambule (blz. 1) is gezegd, namelijk dat de Raad van Kerken het als zijn opdracht ziet de eenheid van de Kerk van Jezus Christus te 'verwerkelijken'.

Het is in het licht van deze uitspraken dat men een term als 'verplichtende dialoog' moet zien en verstaan. Dan kan de conclusie geen andere zijn, dan dat wij in ons land blijkbaar op het ogenblik al zo ver gekomen zijn dat de kerken ervan uitgaan dat de eenheid er al is, dat de aanvaarding van elkaar er óók al is, dat er geen wezenlijke verschillen meer bestaan, dat alleen nog maar de dialoog nodig is, te weten als middel om de eenheid in haar zichtbare gestalte als één Kerk te 'verwerkelijken', waarbij dan hoogstens de een de ander nog wat zal dienen te 'corrigeren' (let op deze uitdrukking, ze staat letterlijk in par. 5). Geen wonder dat in dat verband de dialoog een verplichtende wordt genoemd! En dan te bedenken dat de kerken die dit hier zeggen behalve de hervormde kerk en de gereformeerde kerk ook de remonstrantse broederschap is, ja zelfs ook de rooms-katholieke kerk in ons land. Hoe vèr is men blijkbaar in de Raad van Kerken al gevorderd op de weg naar een zichtbare eenheid, dat wil zeggen: één kerk!

De tweede keer dat het woord 'verplichtend' gebruikt wordt in deze Beginselverklaring is in de volgende paragraaf (6). Wij citeren: 'De Raad zal principieel of althans practisch ontaarden in een superkerk, als de kerken zichzelf niet de subjecten van de Raad weten, die de volle verantwoordelijkheid voor de verplichtende uitvoering van hun gemeenschappelijke uitspraken en beslissingen aanvaarden'. Een zin als deze zal men goed moeten lezen om niet er misschien door misleid te worden. Wie hem voor het eerst leest is wellicht geneigd te denken, dat de Raad van Kerken dàt dan toch in ieder geval niet wil wezen: een superkerk, zodat hij ook wel nooit enige pressie zal gaan uitoefenen of zal gaan doen wat eigenlijk op het terrein van de kerken zelf ligt. Ongemerkt is men dan intussen toch lelijk misleid. Let maar eens op. In het laatste gedeelte van de zin lees ik van 'gemeenschappelijke uitspraken en beslissingen'. Nu is mijn vraag: Wie doet die uitspraken en wie neemt die beslissingen? Gezien het hele stuk (en de 'Spelregels' achterin) zou je kunnen denken aan de Raad zelf. Uitgesloten is het niet dat inderdaad hier, althans voor een deel, aan de Raad zelf moet worden gedacht. In ieder geval, het zijn geen geringe initiatieven die de Raad van Kerken, getuige de genoemde 'Spelregels', van plan is te gaan nemen. Bovendien, alleen al de namen van de Secties die òf al gevormd zijn òf zullen worden gevormd, staan er borg voor dat er waarlijk niet alleen gepráát zal worden en dat het niet blijven zal bij het uitbrengen van adviezen, maar dat er ook heel belangrijke dingen zullen worden gedáán. En zelfs al zou dat niet zo zijn (maar ik ben er zeker van dat het wèl zo is) dan nog zal toch de Raad van Kerken in de toekomst een grote macht krijgen. Want stel dat in de aangehaalde zin alleen gedacht zou moeten worden aan uitspraken en beslissingen van Synoden en (wat de roomse kerk betreft) het Episcopaat, dan zal toch veel, zo niet alles, op dit terrein van tevoren bekokstoofd worden binnen de Raad van Kerken en haar Secties. Zo zal deze Raad toch de allures van een kerk gaan aannemen, ja in feite hééft hij dat al gedaan. Ik vind het dan ook eigenlijk maar schijnheilig als net gedaan wordt alsof de Raad beslist geen superkerk wil wezen; hij wil in werkelijkheid namelijk nog veel méér: hij wil dat alle kerken naar zijn pijpen zullen dansen. Wat van de gemeenten en haar leden gevraagd wordt is eigenlijk alleen maar gehoorzamen aan de Raad en zijn besluiten uitvoeren. Over paternalisme gesproken! Maar het is mooi gecamoefleerd, wij zullen het graag moeten doen, gewillig moeten doen, doen alsof het allemaal door onszelf bedacht en besloten is. We worden namelijk allen uitgenodigd 'subjecten van de Raad' te zijn, waarmee de schijn wordt opgehouden dat de mondigheid van de gemeente en de gemeenteleden ernstig wordt genomen. In eigen 'volle verantwoordelijkheid' mogen wij uitvoeren wat daar in die Raad allemaal bedacht en besloten is, vanzelfsprekend: door deskundigen. Ik zeg: wij mogen dat uitvoeren of moet ik misschien zeggen: wij moeten dat uitvoeren? Je kon nog weleens in de ban gedaan worden, neen niet omdat je afwijkt in leer of leven, alleen maar omdat je je niet houdt aan wat die goede Raad van Kerken — immers na veel studie! — uitgesproken en beslist heeft. O wee wie zich onttrekken zal aan die 'volle verantwoordelijkheid' waarmee door ons uitgevoerd zal moeten worden, wat deze Raad heeft voorgeschreven. En nu valt weer dat woord, waar wij het in het begin al over hadden: het zal moeten zijn een verplichtende uitvoering. Je kunt ook zeggen: doodernstig zal het moeten gebeuren. Niet zo in de trant van: ik licht er mijn hand een beetje mee! neen, alsof je eigen leven èn dat van anderen ervan afhangt. Immers wij zijn met de oecumene in een geheel nieuw stadium gekomen (waarover straks). Over enige tijd zullen er geen uitspraken meer zijn die zó canoniek zijn als die van de Raad van Kerken en zullen er geen wetten zwaarder mogen wegen dan de beslissingen die genomen zijn door deze Raad. Met geen belijdenis of dogma en met geen gebod Gods zal nog een of andere kerk, participerend in deze Raad, zoveel ernst maken als door deze Raad gedaan wordt met zijn eigen uitspraken en beslissingen, die een 'verplichtende uitvoering' eisen. Inderdaad, wie maar gelóvig zal willen opzien tot deze Raad en zijn eisen gehoorzaam zal willen opvolgen die zal (natuurlijk!) in deze Raad geen Superkerk zien. Maar men onthoude goed: Het gaat de Raad in werkelijkheid om nog veel meer!

Zoals gezegd: er is nog een derde zin in deze Beginselverklaring waarin — zij het in iets andere vorm — het woord 'verplichtend' voorkomt. Dat is daar waar gezegd wordt dat met de oprichting van de Raad van Kerken 'het stadium van de onverplichte oecumene' voorbij is (in de tekst worden de woorden 'onverplichte oecumene' onderstreept). Wij zullen er wijs aan doen deze uitdrukking goed tot ons te laten doordringen. De tijd der onverplichte oecumene is voorbij! Er is dus — dat zit in deze zin — een tijd geweest dat de oecumene niet verplicht was. Je kon er aan doen en je kon er niet aan doen. Je kon critiek hebben en zelfs je geheel afzijdig houden. Je kon ook meedoen aan het gesprek zonder dat dat bepaalde consequenties met zich meebracht ten aanzien van je hele houding tegenover — laten wij zeggen — de roomse kerk in ons land. Welnu, dit stadium is voorbij. Er staat in de Beginselverklaring: met de oprichting van de Raad van Kerken! De oprichting van deze Raad wordt dus gezien als het beslissende moment in de geschiedenis der oecumenische verhoudingen in ons vaderland. De verhouding tussen de kerken zou hierdoor radikaal zijn veranderd; genoemde oprichting heeft ons van de 'onverplichte' in de 'verplichte oecumene' gebracht.

Ik moet zeggen: Wat een arrogantie en wat een heerszucht! Het kerkvolk wordt een nieuwe wet opgelegd, die van de verplichte oecumene. Er wordt blijkbaar zonder meer van uitgegaan dat ieder die oecumene wil. Natuurlijk zal het bekend zijn in de Raad van Kerken dat er ook groepen en personen in de kerken zijn die haar niet willen, maar die worden gewoon genegeerd. Zonder ons wordt over ons beslist. Onwilligen zullen gewoon méé moeten. Gedwongen tot een verplichte oecumene. En dan: gedwongen door wie? Door een Synode? Neen! Door een Raad van Kerken, die slechts een Raad is, een diensten-orgaan der kerken. Je moet maar durven! Maar je ziet het vaker in deze tijd: men dient zich eerst bescheiden aan, maar niet zodra is men aanvaard of men doet alsof niemand anders er meer is. Wat klinkt bescheidener dan het woord 'gesprek' maar wie er intrapt wordt weldra overschreeuwd. Een orgaan als de Raad van Kerken waar, althans in de hervormde kerk, een groot deel van het kerkvolk niets mee te maken heeft, gaat ons opdringen een verplichte oecumene, al moeten we ons wel realiseren dat de Kerken zelf verantwoordelijk zijn voor het ontstaan en dus ook voor de activiteiten van deze Raad. Met de oprichting van de Raad van Kerken is een boot van wal gestoken. De vlag — daar zullen wij het een volgende keer over hebben — is die van de rooms-vrijzinnige Fiolet, de secretaris van de Raad van Kerken. Wat mij aangaat weigert het kerkvolk er in te stappen. Wij bedanken voor de verplichte oecumene!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 maart 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De Beginselverklaring van de Raad van kerken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 maart 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's