De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De doop met de heilige Geest

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De doop met de heilige Geest

7 minuten leestijd

II

In het vorige artikel beloofden we nu te zullen ingaan op de uitleg van Torrey van Hand. 2:39.

Volgens Torrey (blz. 104 e.v.) gelden er twee regels bij de exegese:

a. De regel van de usus loquendi; d.i. men verklaart een woord naar de wijze waarop dat woord in dat Bijbelboek gebruikt wordt.

b. De regel van de context, van de samenhang.

Dat zal waarschijnlijk wel moeten betekenen dat men volgens de eerste regel het verder-verwijderde verband nagaat; hoe gebruikt de schrijver van dat bijbelboek dit woord door zijn hele bijbelboek heen?

Volgens de tweede regel gaat men de betekenis van het gebruikte woord na aan de hand van het onmiddellijke verband waarin het staat.

In dit geval wil de schrijver de beide exegetische regels hanteren om er achter te komen met welke inhoud we het woord 'belofte' uit vers 39 moeten vullen. Bezien we dit woord 'belofte' in het verder verwijderd verband van het gehele boek Handelingen, dan is het antwoord zonder meer duidelijk, aldus Torrey.

In Hand. 1:4 en 5 komen we het woord 'belofte' tegen: ... 'maar verwachten de belofte des Vader, die gij, zeide Hij, van Mij gehoord hebt. Want Johannes doopte wel met water, maar gij zult met de H. Geest gedoopt worden niet lang na deze dagen.' En zo ook in Hand. 2:33: 'Hij dan, door de rechterhand Gods verhoogd zijnde, en de beloften des Heiligen Geestes ontvangen hebbende van de Vader, heeft dit uitgestort, dat gij nu ziet en hoort.'

Zonder de geringste twijfel heeft dus de 'belofte' uit Hand. 2:39 betrekking op de doop met de H. Geest. Wie kan nu een zinnig argument aanvoeren om te bewijzen dat 'de belofte' in Hand. 1:4 en 5 en Hand. 2:33 iets anders zou betekenen dan zes verzen verder.

Maar ook wanneer hij de tweede exegetische regel gaat hanteren, het direkte verband van de tekst dus, blijft er geen twijfel over.

Immers in het voorafgaande, 38ste, vers lezen we:

'En Petrus antwoordde hun: bekeert u en een ieder van u late zich dopen in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave des H. Geestes ontvangen, want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen die verre zijn, zovele als de Here, onze God, er toe roepen zal', (curs. v. d. schrijver).

Hier brengt Petrus nu precies onder woorden om welke belofte het gaat. Hij zegt: Gij zult de gave des H. Geestes ontvangen. De belofte is dan ook zonder enige twijfel de belofte van de 'gave van', of, wat hetzelfde is, van 'de doop met de H. Geest' (Torrey blz. 106).

Ook Molenaar, zij het veel minder uitvoerig, betoogt hetzelfde. Hij zegt, dat uit het verband duidelijk blijkt, dat (in vers 39) niet de verbondsbelofte in haar algemeenheid is bedoeld, maar de belofte van de volheid van de Geest (blz. 32). En over Hand. 2:38 schrijft hij: Petrus vat daar de 'orde des heils' samen in de volgende woorden: 'bekering - doop - vergeving, gave des H. Geestes'. Het ontvangen van de gave des H. Geestes is duidelijk een toppunt (blz. 35).

* * *

Hoe sterk dit betoog op het eerste horen ook is en hoe stellig de beweringen ook zijn, toch zijn we niet meteen overtuigd. Integendeel.

Eerst willen we eens naast elkaar zetten die twee teksten: Hand. 1:4 en 5, ... verwachtende de belofte des Vaders ... naast 2:39, ... u komt de belofte toe ... Wordt in deze beide teksten met het woord 'belofte' precies hetzelfde bedoeld? Wij menen dit, juist op grond van het verband, te moeten ontkennen.

Om te beginnen is de situatie volkomen verschillend. In 1:4 en 5 is de nieuw-testamentische kerk aanwezig, vertegenwoordigd in de discipelen van de opgestane Christus. In 2:39 hebben we te maken met een preek waarin het heil verkondigd wordt en waarin opgeroepen wordt tot bekering; waarbij we dan bovendien nog te bedenken hebben dat deze prediking plaats heeft in een 'zendingssituatie'. En in dit geval is het wel van uitzonderlijk groot belang dit punt niet uit het oog te verliezen. Het is namelijk, op grond van het verband, onze overtuiging dat we in 1:4 en 5 te maken hebben met een heilsfeit. Christus belooft daar aan de Kerk dat het komen van de Trooster zijn beslag zal krijgen in de geschiedenis.

Om duidelijk te maken wat we bedoelen, zetten we deze belofte van Christus aan Zijn Kerk hier in Hand. 1:4 en 5, eens even naast de belofte die de engel Gabriël van God over kwam brengen aan Maria, dat zij namelijk de Zaligmaker zou voortbrengen. Het zal ons duidelijk zijn dat, zo gezien, de inhoud van zo'n belofte volstrekt eenmalig is. In de geschiedenis gebeurt zo'n heilsfeit, zoals natuurlijk alle heilsfeiten maar één keer. Het is absurd om hier te denken aan herhaling.

Dat we in 1:4 en 5 te maken hebben met de aankondiging van een heilsfeit, dat straks zou plaatsvinden, blijkt als we in het verband lezen dat (de inhoud van) deze belofte nauwkeurig gebonden is aan een bepaald tijdstip: Niet lang na deze dagen. De discipelen moeten dat tijdstip ook afwachten, en als het aangebroken is gebeurt nauwkeurig alles wat beloofd was: Als de dag van het Pinksterfeest vervuld was ... Hand. 2:1.

De belofte was niet alleen gebonden aan een bepaald tijdstip, maar ook aan een bepaalde plaats, namelijk Jeruzalem (Hand. 1:4).

Het was dus de volheid des tijds voor het komen van de H. Geest in deze wereld. In de belofte aan de discipelen gaat het dus om een historisch feit dat maar één keer geschiedt. We moeten hier dus niet gaan spreken van een herhaling. We zeggen toch ook niet dat de belofte van de engel aan de herders in Efrata's velden een herhaling was van de aankondiging van de geboorte van Christus door de engel aan Maria. Ook al hebben die beloften, op de klank af, ongeveer dezelfde inhoud, toch zijn ze van een totaal verschillende orde en liggen ze op een volkomen verschillend vlak.

In Hand. 1:4 gaat het om dezelfde belofte als die genoemd wordt in Hand. 2:33. In beide teksten wordt die genoemd 'de belofte des Vaders', en dat het hier gaat om het volstrekt eenmalige heilsfeit blijkt duidelijk, omdat Petrus een beroep doet op wat de mensen met hun eigen ogen gezien — en met hun eigen oren gehoord hadden: tongen als van vuur en een geluid als van een stormwind. Ook deze uiterlijke tekenen zijn nooit meer herhaald.

In zijn preek op de Pinksterdag zet Petrus de heilsfeiten die in de geschiedenis gebeurd zijn (echt gebeurd zijn) op een rijtje naast elkaar (Hand. 2:23 e.v.): Christus is aan het kruis gedood, daar vlak buiten Jeruzalem begraven, uit dat graf opgestaan, door de rechterhand Gods verhoogd (van de Olijfberg af). En zij zijn daar allemaal als discipelen ooggetuigen van (vers 32). Al deze dingen zijn al van oude tijden af aan voorzegd geweest in het oude testament.

En nu, vandaag, voegt de Here er weer een heilsfeit aan toe, hetgeen zij nu zelf ook hoorden en zagen (vers 33).

Deze belofte kan dus volstrekt nooit herhaald worden, temeer omdat de Schrift in dit verband steeds spreekt van 'blijven'.

* * *

Hiermee zijn we gekomen aan een ander, minstens even belangrijk punt. We doen namelijk de Pinksterbeweging geen recht als we spreken over het 'onherhaalbare van de Pinksterdag te Jeruzalem', om hen dan te gaan verwijten dat zij het zich herhalen van datgene wat we tot nu toe opmerkten over Pinksteren zouden leren. Zij, althans Molenaar, leggen sterke nadruk op het unieke van het Pinksterfeest te Jeruzalem. Maar daarnaast wezen we al op het eigenaardige feit dat Molenaar toch in één adem weer spreekt van het 'herhaalbare'.

We kunnen, dachten we, begrip hebben voor dit wonderlijke zichzelf-tegenspreken en willen nu proberen daar iets over te zeggen door nog weer eens een keer Hand. 1:4 en 5 te zetten naast Hand. 2:39, om dan deze twee teksten ook op een ander punt met elkaar te vergelijken. Daarover de volgende keer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 maart 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De doop met de heilige Geest

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 maart 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's