De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Beginselverklaring van de Raad van kerken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Beginselverklaring van de Raad van kerken

8 minuten leestijd

II

Geen waarheidsvraag meer

In heel de 'Beginselverklaring' zal men nergens nog iets tegenkomen van wat in het verleden steeds genoemd is de 'waarheidsvraag'. Onder die waarheidsvraag verstaan wij dat gevraagd wordt: wat is waarheid en wat is geen waarheid? wat is waarheid en wat is dwaling? wat dient geloofd en wat dient afgewezen te worden? waar liggen de grenzen van de kerk? wat is de ware kerk en wat is valse kerk?

Het kan bekend zijn dat om deze vragen in het verleden heel wat te doen is geweest. Dat zij veel strijd hebben opgeroepen, dat er vervolgingen om geleden zijn, dat mensen er als martelaren hun leven voor hebben gegeven.

Vanuit een hautain besef van eigen moderne Verlichting wordt er in de Beginselverklaring op deze strijd in het verleden teruggezien. Het lijkt allemaal zinloos te zijn geweest, neen, nog erger, het wordt alles afgedaan als een vergissing, een verloochening van hetgeen God gegeven heeft, waarvoor men zich geroepen voelt thans schuld te belijden.

De basis der eenheid

Wanneer ervan uitgegaan wordt dat de eenheid der kerken er reeds is en dat men alleen met schaamte en schuldbesef naar het verleden kan terugkijken, zal toch op z'n minst de vraag gesteld mogen worden waar dan die eenheid in rust. De Verklaring laat ons op dit punt niet in het onzekere. Er wordt gesproken over een 'eenheid in Christus'. Wij geven gaarne toe: alle ware eenheid zal een eenheid in Hem moeten zijn. Maar, zo luidt onze vraag, mag men er zomaar van uitgaan dat zij er is? In Johannes 17, waar over deze eenheid in Christus zoveel te lezen staat, wordt zij verbonden met het aannemen van Zijn Woord (vs 8), het geloven van het Woord (vs. 20) en het geheiligd worden in de waarheid (vs. 19). Met andere woorden: Zonder het stellen van de waarheidsvraag is alle praat over een eenheid in Christus nietszeggend. Wat men eenheid noemt is dan geen ware eenheid, maar slechts vrome fantasie.

Er komt bij dat in deze Verklaring de eenheid in Christus in feite overschaduwd wordt door wat genoemd wordt 'de werkzame eenheid door de Geest van Christus' (1.c). Ook tevoren is er al gesproken over 'de genade-werkzaamheid van de Geest' (1.b) en over de Geest als 'messiaanse gave' (1.a). Er staat trouwens met zoveel woorden dat deze werkzame eenheid door de Geest van Christus aanvaard wordt als de 'geloofsbasis' waarop de Kerken in de Raad van Kerken samen-zijn en samenhandelen (1.c).

Heel de eenheid waar men het over heeft is hiermee getrokken in een volstrekt ongrijpbare sfeer. Zeg tien keer: de Geest, de Geest... en je hebt nog niets gezegd als niet deze belijdenis vanuit het Woord wordt gevuld!

Het bezwaar dat ten allen tijde door de Reformatie is ingebracht tegen het spiritualisme met zijn beroep op de Geest is ook hier geldend. Wat men zoekt te dekken met dé 'Geest' is in werkelijkheid niet meer dan de 'geest' van mensen. Het vrome gevoel: ik voel het nu eenmaal zo! of moderner gezegd: wij herkennen elkaar! is gekomen in de plaats van Woord en Geest. Dit spiritualisme moet waarlijk niet alleen gezocht worden in bepaalde extreme groepen in of secten buiten de kerk, zij is ook een typisch rooms verschijnsel. Het oude roomse beroep op de Geest als degene die de kerk altijd zou hebben geleid in al haar besluiten en beslissingen heeft in de Beginselverklaring van de Raad van Kerken een verbond gesloten met een modern vrijzinnig subjectivisme; de vermenging van beide heeft geleid tot het resultaat dat wij thans onder ogen hebben.

De context der geloofsbasis

Al wat wij zojuist hebben gesignaleerd staat in de context van het moderne theologische denken. Ik noem in dit verband slechts: de nadruk op Gods heilshandelen in het heden, het spreken over de dienst aan de wereld, het gericht zijn op de actuele problemen van onze nationale en internationale samenleving, de allesbeheersende plaats die toegekend wordt aan de sociale en politieke dimensies van het geloof, het spreken over het messiaanse heil en de messiaanse vrede, de visie op het Rijk Gods, de ineenvloeiing van schepping en verbond, de secularisering van alle bijbelse en christelijke woorden en begrippen.

Wie ook maar enigszins bekend is met de boeken die geschreven zijn door prof. dr. Fiolet, die secretaris is van de Raad van Kerken, zal in de Beginselverklaring veel daarvan tegenkomen. Wij weten dat het niet zijn theologie alleen is, ook die van Kuitert en menig ander, maar het is toch wel treffend dat zij het is die hier zo duidelijk aan de dag treedt.

Zo dreigt via de Raad van Kerken de moderne theologie dominant te worden in alle Kerken die bij deze Raad zijn aangesloten.

Ziehier waar men uitkomt wanneer men het Woord Gods loslaat en — wat de hervormde kerk en de gereformeerde kerk betreft — zijn belijdenis verloochent.

Het zou niet veel moeite kosten om aan te tonen hoe al wat in deze Verklaring aan 'theologie' geboden wordt lijnrecht tegen de Schrift en de gereformeerde belijdenissen ingaat. Men kàn dit weten, ook binnen de Raad van Kerken, er is al meer dan eens, van verschillende kanten, op gewezen. Maar blijkbaar wil men er niet aan, wordt het gewoon genegeerd.

Om slechts één punt te noemen, in de Verklaring lezen wij dat de Kerken die toegetreden zijn tot de Raad belijden 'dat God de wereld heeft geschapen tot het Verbond, tot de beleving van het menselijk bestaan als een samen-zijn met Hem'. Ik zou weleens willen zien dat men dit bijbels fundeerde! Dan zouden er heel wat exegetische kronkels gemaakt moeten worden. Maar wie weet: is er tegenwoordig niet de toverstaf der 'hermeneutiek' waarmee men àlles àlles kan laten zeggen wat men wil? In deze opvatting van schepping en verbond wordt noch aan het een noch aan het ander recht gedaan. De wereld kan daardoor het Rijk Gods worden, terwijl het Verbond volkomen geseculariseerd wordt. Wat wij dan overhouden is alleen wat hier benéden is, onszelf, onze brave idealen, onze goede werken en inspanningen. Het praten over de Geest doet in dit verband alleen nog maar bespottelijk aan. Ikzelf ben dan de Geest, ikzelf van mijn 'goeie' kant. Dat wordt vroom versierd door te spreken over de 'messiaanse gave', maar kenmerkend is dat die 'gave' onmiddellijk 'vertaald' wordt als 'opgave' en dan ben ik het weer zélf die het doen moet en doen zal. En zo zou dan het rijk van God komen! Natuurlijk: hier beneden! Het Verbond, immers, is de beleving van het menselijk bestaan als een samen-zijn met Hem, dat is God. Maar God is hier maar een 'etiket', waar het op aankomt is dat menselijk bestaan. Wij zijn aangeland in een puur humanisme. Of Christus dan niet genoemd wordt? O zeker, dat kàn allemaal. Maar hoe? Van Hem staat er dat Hij de 'vervulling van het Verbond' is. Neen, niet de Middelaar des Verbonds! Over zijn verzoening als verzoening van de zondaar met God en van God met de zondaar geen woord. Wáár nog van 'verzoening' gesproken wordt, wordt zij onmiddellijk getrokken in de verlossing. Ziet u: dan doen wij het weer! Immers wij hebben de opgave de wereld te verlossen. Men late zich dus niet misleiden door een woord als 'vervulling' van het Verbond. Dat zal moeten betekenen, dat je in Hem, Christus, kunt zien hoe het eigen móet en kàn zijn. Zoals Hij het menselijk bestaan beleefd heeft, zo mogen en moeten ook wij het beleven. In die zin is Hij dan de vervulling. Zijn dit niet onvervalste vrijzinnige geluiden?

Kortom, het is een heilloos stuk, heel deze Verklaring. Het zou een algemene verontwaardiging moeten oproepen in heel de kerk. Hier mag geen mens aan de kant blijven staan. Het gaat om het Evangelie.

Er is een 'nieuw verstaan van het Evangelie' zo lees ik ergens in deze Verklaring. En van daaruit zou dan dit stuk zijn geschreven. Het klinkt fraai: een nieuw verstaan... Daar zijn honderden argeloze zielen mee te winnen, beter gezegd: mee te misleiden. Wat wij hier vinden is het tegenovergestelde van het Evangelie. Het zijn werken en nòg eens werken en nòg eens werken. Er zit geen greintje genade in. Het slaat de zielen kapot. Het is de zweep van de drijvers, gelijk die van de Egyptenaren in de tijd van Mozes.

Er zou nog veel te zeggen zijn, onder andere over de roomse katholiciteistopvatting die onder de mooie naam 'pluriformiteit' hier triumfeert over al wat de Reformatie ooit over de kerk heeft beleden. Maar laat het genoeg zijn. Ieder leze het stuk zelf, maar men leze het góed, met open oog; en men kieze. Anders zal het niet kunnen. Wij staan met deze Beginselverklaring voor een keus. De ware Geest van God — niet die 'Geest' waar in dit stuk over gesproken wordt — geve dat velen de goede keus doen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De Beginselverklaring van de Raad van kerken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's