De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De heilige Schrift in de maalstroom van de critiek

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De heilige Schrift in de maalstroom van de critiek

8 minuten leestijd

Augustinus vertelt in een brief aan Hieronymus het volgende verhaal: In Oea (Nd. Afrika) las een bisschop het vierde hoofdstuk van het boek Jona in de kerkdienst voor en hij deed dat uit de vertaling van Hieronymus. Deze vertaling had in het zesde vers het woord klimop inplaats van pompoen of kalebas. Toen nu de gemeente de verandering van de tekst opmerkte, kwam ze ogenblikkelijk in beroering. De bisschop moest zijn excuus aanbieden om niet de hele gemeente tegen zich te krijgen. Aldus A.D.R. Polman (Onze Nederlandse Geloofsbelijdenis, I, 183).

Uit dit voorval blijkt, hoezeer de gemeente van die dagen op de hoogte was met de tekst van de Bijbel. Blijkbaar was men er ook van overtuigd, dat er dwingende redenen moesten bestaan om veranderingen in de overgeleverde tekst aan te brengen. Nu kunnen er zulke dwingende redenen inderdaad zijn. We hebben aan het slot van ons vorige artikel over de heilige Schrift naar aanleiding van artikel 3 onzer Nederlandse geloofsbelijdenis gezien, dat de gemeente niet moet worden opgevoed bij de gedachte, dat de vertaling van de Bijbel, die in haar midden gezag gekregen heeft, op dezelfde wijze geïnspireerd is als het oorspronkelijk geopenbaarde en geschreven Woord van God. Dat doet niets af van de grote voorliefde, die wij ten onzent hebben voor de Statenvertaling. Een vertaling, die steeds weer getuigt van de godvruchtige verbondenheid met de boodschap van de Schrift bij de vertalers. De Nieuwe Vertaling bv. draagt op vele plaatsen de sporen van het comprimis. Maar nogmaals, wij zijn het aan God en Zijn Woord verplicht om biddend te zoeken naar de juiste weergave van wat de Bijbelschrijvers schreven en om vanuit hun geest en vooral vanuit de Geest Gods de Schriften uit te leggen.

Dat de gemeente in het geweer komt, wanneer zij voor allerlei vernieuwingen inzake de overgeleverde Bijbeltekst gesteld wordt, behoeft op zichzelf nog niet steeds gewaardeerd te worden als een bewijs van haar onkundigheid en conservatisme. Hoe vaak immers hebben taalgeleerden en exegeten in het verleden niet aanleiding gegeven voor de vrees, dat men via zogenaamd objectiefwetenschappelijk onderzoek en daarop gebaseerde nieuwere inzichten tot een totaal andere en onaanvaardbare Schriftopvatting zou kunnen komen. Het verhaalde uit de tijd van Augustinus kan ons in ieder geval duidelijk maken, dat de vrees van de gemeente voor knoeierijen met de heilige Schrift al oud is. En ook al wordt dat soms zeer overdreven, het is en blijft een eerste vereiste voor de wetenschapsman, die met de tekst van de heilige Schrift bezig is, dat hij naast en met zijn wetenschappelijke training ook de gelovige verbondenheid van het gemeentelid met de levende God der Schriften kent. Aan de waarheid van de Schrift, die duidelijk is, kan niemand met goed recht tornen.

Bestrijding van de oude inspiratieleer

Niettemin liggen er enkele eeuwen achter onze rug, waarin men haast onophoudelijk de oude inspiratieleer heeft bestreden. Nieuwere Bijbelopvattingen zijn sinds de dagen van het 'Wetenschappelijk-critisch Bijbelonderzoek' aangekondigd als herinterpretatie van de Schrift op exegetisch voorschrift. Men vond en vindt, dat 'het oude inspiratiebegrip' als een 'bomvrije schuilkelder' heeft moeten dienen om van meetafaan het vrije onderzoek van de Bijbel af te snoeren en de Schrift tegenover elke critiek veilig te stellen. Waarom toch moest men zo angstig zijn voor een kwijtraken van de heilige Schrift als het Woord van God? Is de oude inspiratieleer, waarin de Bijbel functioneert als een geheel van eeuwige waarheden Gods, niet schuldig aan ontzettend veel misverstand? Men ging immers de Bijbel lezen als een geschiedenis- en aardrijkskundeboek. En mannen als Gallilei en Copernikus hebben het aan den lijve ondervonden, wat het betekent, als de kerk zogenaamd op grond van de Bijbel wetenschappelijk verkregen inzichten gaat bestrijden. Dan blijft de zon om de aarde draaien, hoewel wij allang weten, dat het omgekeerd is. Hoe spoedig, zegt men, vervalt men met de oude formuleringen over het geïnspireerd-zijn van de Bijbel, niet tot een wettisch biblicisme en fundamentalisme. Men heeft dan ook geen oog voor het feit, dat de Schrift via de koker van Israël tot ons is gekomen. Kennis van de oud-Oosterse en Grieks-Romeinse wereld heeft er ons de ogen voor geopend, dat wij in de geschriften van de Bijbel vaak te doen hebben met litteraire genre's (mythen, sagen, legenden...), waarin op een geniale wijze uitdrukking is gegeven aan het geloof van Gods gemeente onder Israël en in de eerste christengemeente. Gen. 1—3 dient dan als model van een manier van omgang met de Schrift, die ons de Bijbel met totaal nieuwe ogen doet lezen. Het Oude Testament, vindt men, moeten we in ieder geval lezen vanuit de Exodusverhalen. Van daaruit horen we de muziek, waarin Israël het scheppingsgebeuren bezingt.

Schepping en evolutie

Gezien de vele publicaties van de laatste tijd, ook in ons orgaan, lijkt het mij niet nodig uitvoerig op deze zaak in te gaan. Ik verwijs de lezer graag naar wat anderen daarover schreven. Toch geef ik hier nog enkele gedachten weer ten aanzien van de zogenaamde nieuwere exegese van Gen. 1—3 om enigermate een beeld te krijgen van wat onder herinterpretatie van de heilige Schrift wordt verstaan. Het wordt ons dan ook duidelijk, waarom men met de 'oude inspiratieleer' geen raad meer weet.

Op grond van wetenschappelijke (historische en biologische) gegevens kan men onmogelijk meer geloven, dat men in Gen. 1—3 te maken heeft met werkelijke gebeurtenissen, die beantwoorden aan historische ware feiten. De scheppingsverhalen, zegt men, dienen zich aan als een bepaald litterair genre (mythe of sage). Daarin wordt dan een uitbeelding gegeven van het verleden, die met onze historische maatstaven niet te meten is, maar die een poëtische vormgeving is van het geloof in Isrels God temidden van het heidendom. Daarmee kan zonder bezwaar de historiciteit van Adam en van de zondeval wegvallen. De boodschap van de Bijbel wordt er niet minder op, wanneer men gelooft in de evolutie van de mens uit de wereld van het dier. Tijdens deze ontwikkeling van dier tot mens is er een Goddelijke Stem in 's mensen hart wakker geworden, die hem opriep het dierlijke in hem te overwinnen. Zondeval betekent dan, dat de mens aan deze Stem niet gehoorzaam is geweest (aldus P.J. Roscam Abbing in Actuele uitdagingen ..). In deze en soortgelijke beschouwingen functioneert Gen. 3 als een mythische beschrijving van een stukje zielsgeschiedenis.

Kittel (in Theologisch Wörterbuch z.N.T.) ziet Gen. 3 als een model van de aard der zonde. Hij zegt: 'Het paradijsverhaal tekent de zonde der mensheid. In elke daad, die zich verwijdert van de gehoorzaamheid jegens God, wordt dezelfde tragiek openbaar en het inzicht in de typologische aard van het paradijsverhaal laat ons zien, dat de manier, zoals Adam en Eva tegenover God handelen, zij het dan op een andere wijze, dezelfde is als die, waarop ieder mens in denken en doen tegenover God schuldig wordt'. Het paradijsverhaal is dus in deze opvatting een diepzinnige inkleding van het verschijnsel der zonde in het algemeen. In het laatste geval wordt de zondeval 'onthistoriseerd', dat wil zeggen, dat men in ieder geval ontkent, dat het paradijsverhaal historie, geschiedenis zou bevatten in de moderne zin van het woord.

In deze overwegingen staan schepping en evolutie ook niet meer als een tegenstelling tegenover elkaar. In deze nieuwe interpretatie wordt de scheppingsdaad niet zozeer beoordeeld naar het begin, als wel en vooral naar het einde. In 'Evolutie' (publicatie nr. 38 van het Nederlands Gesprekscentrum) lezen we op blz. 29: 'In een dynamisch wereldbeeld is Gods scheppingsdaad voor ons, die in de tijd leven, bezig zich te voltrekken langs de weg van de kosmische evolutie ... In plaats van 'God heeft de wereld geschapen' kan men dus beter formuleren: 'God schept de (in en tot Christus) wordende wereld'. Dat wil zeggen, dat men het scheppen Gods verstaat als een leiding geven aan de zich ontwikkelende wereld. De mens is dan in deze visie vanaf zijn eerste verschijnen op aarde behept met de onvolkomenheid van het schepsel. De mens is nog niet af, onvoltooid, mens-op-weg. En zonde is niet primair afbraak van een voltooid scheppingswerk, maar de weigering van de mens om door te gaan en zich aan Gods scheppingswil te onderwerpen. Aldus de genoemde publicatie (blz. 30).

Theologie en natuurwetenschap

Het bovenstaande is slechts een greep uit de veelheid van vragen, die vandaag op onze tafel geworpen worden in de uitwisseling van gedachten op theologisch en natuurwetenschappelijk gebied. Het grensverkeer tussen theologie en natuurwetenschap is sterk toegenomen. De oude Bijbelopvatting, die zich als een vijand gedroeg tegenover de informatie, die natuurwetenschap en andere wetenschappen gaven of die geloof en wetenschap streng wilde scheiden, is ingeruild voor een Schriftbeschouwing, waarin alle mogelijke openheid geschapen is voor de feiten, die door deze wetenschappen aan het licht zijn gebracht. Men vindt gesprek en samenwerking tussen die beide dwingende eis, vooral wanneer het mens- en wereldbeeld dat de wetenschap ontwerpt op grond van haar gegevens een stuk (heils-) verkondiging gaat worden. Juist daar immers ligt een uitdaging aan het adres van kerk en christenheid.

Wij zullen echter in ons volgende artikel zien, dat het optimistische en hoogmoedige vooruitgangsgeloof van de evolutionist diametraal staat tegenover het mens- en wereldbeeld van de Bijbel en dat alle vriendelijkheden van de theologen, die de oude inspiratieleer hebben ingeruild voor een zogenaamde herinterpretatie van de heilige Schrift, tegenover de wetenschapsmensen, ook wel eens een knieval zouden kunnen betekenen, die ons duur te staan komt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De heilige Schrift in de maalstroom van de critiek

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's