De doop met de heilige Geest
III
We zagen al, dat de inhoud van 'de belofte' in de twee teksten waar we in het vorige artikel mee eindigden (Hand. 1:4 en 5; Hand. 2:39) nooit dezelfde kan zijn, omdat de (inhoud van de) belofte in 1:4 volstrekt eenmalig is. Maar nu willen we eens gaan kijken naar 'het adres' van die belofte; tot wie wordt de belofte gesproken?
Ook op dit punt is er een groot verschil tussen 1:4 en 2:39.
In 1:4 zijn dat de discipelen, vertegenwoordigende de kerk van Christus. Allen zijn zij getuigen van Christus' opstanding, zoals uit het verband blijkt. Het waren dus uitsluitend wedergeborenen, die nu als een 'plus' deze doop met de H. Geest konden ontvangen.
Maar in 2:39 waren het Joden en Jodengenoten, vijanden van Christus die Hem aan het kruis gebracht hadden (vers 36) niet-wedergeborenen die nog bekeerd moesten worden. En nu gaat Petrus tegen deze Joden zeggen dat hun de belofte toekomt. De belofte is ook nog voor de kinderen; velen zijn nog niet eens geboren, laat staan wedergeboren. En tenslotte komt de belofte ook nog toe aan heidenen: Zij die verre zijn.
Nu weten we welke argumenten men aanvoert om deze moeilijkheid te omzeilen; deze moeilijkheid namelijk dat de belofte van de doop met de H. Geest alleen voor wedergeborenen is en niet voor mensen die nog niet zijn wedergeboren.
Men redeneert dan als volgt: Want u komt de belofte toe . .. (vs. 39; dit woord 'belofte' slaat terug op het slot van vers 38: .... en gij zult de gave des H. Geestes ontvangen. Maar Petrus zegt in vers 38 nog meer. Hij zegt (als in één adem): Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt (...) tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des H. Geestes ontvangen.
Het is niet in te zien waarom 'de belofte' alleen maar zou slaan op de gave des Geestes en niet ook op bekering, doop en vergeving der zonden.
Die belofte begint toch niet pas te functioneren als eerst die bekering, doop en vergeving voorafgegaan is, want dan komt het toekomen van de belofte aan de kinderen en aan de heidenen in de lucht te hangen; de belofte komt immers aan degenen toe die geen kinderen en geen heidenen meer zijn.
Maar met dat al zijn we iets anders op het spoor gekomen. We moeten het nog eens hebben over dat 'eenmalige' en 'onherhaalbare' van Pinksteren.
We wezen al op het eenmalige van het heilsfeit dat in de geschiedenis plaats vond. Maar dat heilsfeit, zoals ook de andere heilsfeiten, moet ook nog ergens anders zijn beslag krijgen. En ook daarvan zouden we willen spreken als min of meer eenmalig. Het heilsfeit moet ook nog zijn beslag krijgen in de Kerk Gods, in de gemeente.
We zullen onze bedoeling met wat voorbeelden proberen duidelijk te maken.
Jezus is in de stal van Bethlehem geboren; dat is echt gebeurd in de volheid des tijds. Maar nu waren er in die dagen oprechte vromen. Godvrezende mensen, die ook leefden bij het Woord (het oude testament); en zij wisten nog niet af van het nieuwe dat gekomen was. We denken daarbij aan Simeon, Anna, Filippus, Nathanaël en vele anderen. Die moesten — eenmalig, voor één keer — 'overschakelen' op het nieuwe dat gekomen was. Dat kunnen uiteraard alleen die mensen maar meemaken, die leven in de tijd dat zo'n heilsfeit in de geschiedenis plaats heeft, en in dit verband spreken we van (min of meer) eenmalig.
Nog een voorbeeld. De opstanding van Christus had plaats op Paasmorgen in de hof van Jozef. Maar deze opstanding krijgt in het hart en leven van Thomas pas zijn beslag een week later in de opperzaal te Jeruzalem. Daar laat de Here hem zien en tasten om Thomas te overtuigen. We spreken hier van eenmalig, omdat het uitgesloten geacht moet worden dat Thomas later nog eens zou kunnen gaan denken of zeggen: En toch geloof ik niet in Jezus' opstanding uit het graf.
Ook de Kerk van Christus, die gebouwd is op het fundament van apostelen en profeten, zal na deze (soms moeizame) 'overschakeling' niet meer twijfelen aan het historische feit van Christus' opstanding.
Maar daarmee is volstrekt niet gezegd, dat de Kerk nu verder alle eeuwen door in een jubelend levend geloof altijd tenvolle leven zal uit deze opstanding van Christus, zodat zij nu altijd bedenkt de dingen die boven zijn en zonder onderbreken opgewekt wordt tot een nieuw leven (Heid. Cat. Zondag 17). Wat kunnen er tijden zijn van ingezonkenheid, dorheid, geesteloosheid en aardsgezindheid! Het is telkens weer nodig dat de Here, door Zijn Geest, de Zijnen opwekt tot een nieuw leven.
Wat de opstanding van Christus betreft kunnen we dus drie stadia ontdekken:
a. De opstanding van Christus als historisch gebeuren, op Paasmorgen, in Jozefs hof.
b. Het overschakelen van de gemeente naar dit nieuwe heilsfeit. Dit heeft plaats gehad in de 40 dagen tussen Pasen en hemelvaart. Dit is vooral collectief, het gaat de gehele gemeente aan; de getuigen van Zijn opstanding worden geïnstrueerd opdat hun getuigenis voort zou gaan alle eeuwen door en over de gehele aarde. De Here kan natuurlijk in dit stadium ook wel eens één mens apart onderwijzen, denk aan Thomas; maar dan toch opdat het in het geheel van de gemeente voorgoed zijn beslag zou krijgen.
Ook op dit punt moeten we spreken van onherhaalbaar. Zulke 40 dagen zullen nooit meer herhaald worden.
c. Het door de Geest leven uit deze opstanding van Christus, door het geloof. Dat zal zich, als het goed is, dagelijks moeten herhalen, tot de dagelijkse vernieuwing onzes levens.
En nu moeten we dan gaan proberen deze dingen over te brengen op een ander heilsfeit, namelijk op dat wat op de Pinksterdag te Jeruzalem geschiedde. Voor de discipelen die vóór- en op de Pinksterdag te Jeruzalem vergaderd waren viel het eerste en tweede stadium samen. Dat bracht de aard van het heilsfeit mee. De H. Geest daalde neer en kwam woning maken in de christelijke gemeente, en deze discipelen vormden toen die christelijke gemeente.
Maar dan breekt het tweede stadium aan. Dat begint al meteen op die Pinksterdag zelf door de preek van Petrus. En we lezen dat daarna de Here Zelf meewerkte door bijzondere tekenen en wonderen om deze 'overschakeling' te bevorderen.
Straks als deze boodschap komt bij de Samaritanen (Hand. 8) en nog weer later als het komt bij de heidenen (Hand. 10), zien we dat de Here tekenen en wonderen doet geschieden die duidelijk heenwijzen naar het nieuwe dat gekomen is.
Het geschiedt als het ware bij voorkeur collectief, maar dat neemt niet weg dat we ook lezen van een enkeling die nader onderwezen wordt; en niet altijd hebben dan die opzienbarende tekenen plaats. We denken hierbij vooral aan Apollos, die nog niet verder wist dan de situatie van vóór Pinksteren. Maar Aquila en Priscilla nemen hem mee en onderwijzen hem verder, zodat hij nu ook anders zal gaan preken (Hand. 18:24—28).
Bezig zijnde in dit zogenaamde tweede stadium willen we Molenaar van harte gaarne toegeven dat we hier staan op 'keerpunten in de heilsgeschiedenis' (blz. 26), maar we wijzen het af als hij spreekt van een 'herhaling van Pinksteren' en vooral verzetten we ons als hij beweert, dat deze herhalingen zich door alle tijden heen voortzetten (blz. 27 e.v.).
Christus heeft, na Zijn opstanding, Zich door Thomas en ook door andere discipelen laten betasten; één en andermaal at Hij iets voor hun ogen, om hen te overtuigen van de werkelijkheid van Zijn opstanding. Maar deze dingen worden definitief afgesloten bij de hemelvaart, aan het einde van de 40 dagen.
* * *
Nu is echter hiermee, wat de heilsfeiten betreft, niet het laatste gezegd. Het is niet af, als zo'n heilsfeit werkelijkheid geworden is, echt gebeurd is, in de geschiedenis; ook zijn we er nog niet als zo'n feit zijn beslag gekregen heeft in de gemeente; nu zal het ook nog een in het geloof doorleefde werkelijkheid moeten worden in het hart van elke gelovige; telkens weer. En dat geldt dus ook van het Pinkstergebeuren.
Viel in het tweede 'stadium' de klemtoon op het gemeenschappelijke, de gemeente, hoewel het persoonlijke daarbij niet uitgesloten werd (Thomas, Apollos); hier komt de nadruk veel meer te liggen op het persoonlijke, de enkeling.
Hoewel we ook hier weer het collectieve, het gemeenschappelijke niet geheel uitschakelen; en dan denken we daarbij aan opwekkingsbewegingen. Maar hier gaat het toch met name om de enkeling.
Het is dus niet genoeg dat we weten en belijden dat de H. Geest is komen wonen in de gemeente als in Zijn tempel; het is niet waar dat we dus automatisch deel aan de Geest zouden hebben wanneer we maar tot die christelijke gemeente behoren. In dit verband hebben we er dan ook geen bezwaar tegen als men uitdrukkingen gebruikt als: Het zal — telkens weer — Kerstfeest, Pasen, Pinksteren moeten worden in ons hart. In zoverre willen we het dus nog nemen als men gaat spreken van het herhalen van een heilsfeit.
Maar we hebben onoverkomelijke bezwaren als men onder dat herhalen wil gaan verstaan: het herhalen van die gewisse kentekenen die de Here gebruikte bij het overschakelen van de gemeente van het oude naar het nieuwe.
Als we dus spreken van het herhalen van het heilsfeit, moeten we niet gaan teruggrijpen naar die dingen die we tegenkwamen in de periode dat het heilsfeit bezig was zijn beslag te krijgen in de gemeente.
M.a.w. als het weer Kerstfeest mag worden voor ons hart, dan moeten we niet gaan verwachten dat we (letterlijk) het (pasgeboren) Kind Jezus in onze armen mogen nemen, zoals Simeon dat eenmaal deed. Zal het Pasen worden voor ons hart, dan houdt dat niet in dat we met onze vinger de littekenen van de wonden in Christus' lichaam mogen betasten, zoals Thomas en andere discipelen dat eenmaal mochten doen.
En nu is ons bezwaar tegen de leer van de doop met de H. Geest en al wat daarmee samenhangt dit, dat men spreekt over het herhalen van Pinksteren voor het eigen hart, maar men grijpt daarbij dan terug op die dingen waarvan we Iezen in de overgangsperiode van de gemeente van het oude naar het nieuwe.
En van die dingen moeten we toch zeggen, dat ook die onherhaalbaar zijn; zoals we toch ook moeten zeggen t.a.v. Pasen, dat hetgeen plaats vond met de discipelen in de 40 dagen tussen opstanding en hemelvaart, niet meer terugkeert en nimmer meer herhaald zal worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's