De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Spurgeon’s ’Pastorale adviezen’

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Spurgeon’s ’Pastorale adviezen’

7 minuten leestijd

II

In een kort inleidend woord maakt Spurgeon goed beschouwd een excuus, wanneer hij, gevolg gevende aan een toenemende aandrang van oud-collegianten, een gedeelte van de door hem gehouden lezingen over de ambtspraktijk ter perse laat leggen. Want eigenlijk waren deze oorspronkelijk niet voor publikatie bestemd. Spurgeon is van oordeel, dat ze maar nauwelijks zó uitgegeven kunnen worden. Zijn bezwaren zijn gefundeerd op de dagelijkse omgangstaal, door hem er in gebezigd. Ze zijn ook net iets te vertrouwelijk van toon, zegt hij. En er komen allerlei anekdoten en humoristische passages in voor.

Om bij dat laatste te beginnen, wie weleens iets van Spurgeon heeft gelezen, weet, dat hij een man van sprankelende humor was. Door de verheven ernst van zijn preken fonkelt telkens weer een humor — een lach met een traan, zoals iemand het eens formuleerde — die deze originele man juist dat bijzondere geeft, dat wij integenstelling tot de zure deftigheid van sommige zijner ambtsbroeders gerust als een positief punt mogen beschouwen. Dit geeft juist een speciale kleur aan het geheel en maakt nu juist in deze 'lezingen' er het levendige en interessante van uit. Hier hebben wij zelfs, nog meer dan elders de echte, rasechte Spurgeon in levende lijve voor ons staan. Te belangwekkender wordt het dan ook, wanneer hij zijn persoonlijke herinneringen 'autobiografisch' ten beste geeft. De illustraties 'doen' het dan aanschouwelijk, om zo te zeggen. Als vroeger wijlen prof. dr. Hugo Visscher — toch altijd nog loffelijker memorie! — dit op zijn colleges deed bij ons, legden wij allen onze pen even neer. Er kwamen dan ervaringen voor de dag, waarmede wij ons voordeel konden doen.

Het ligt dan ook helemaal in deze lijn, als Spurgeon al dadelijk met de deur in huis valt en — hoe modern doet het aan in onze tijd! — om natuurlijk sprekende predikers vraagt: 'Want', zegt hij niet zonder een twinkeling van spot in zijn ogen — 'gemaaktheid, ijdel vertoon en op de spits gedreven deftigheid, eens zo machtig in de godsdienstige wereld, verliezen evenzeer het ontzag van de mensen als de voormalige goden van de Olympus, voor wie in voorbije eeuwen dichters hun lier stemden. Waarheid en leven moeten overwinnen, en hun overwinning is te meer nabij, als ze niet langer bekleed worden met het plechtgewaad van conventialisme en schijn'.

In de eerste plaats moet ons 'gereedschap' goed zijn en wij moeten het ook zorgvuldig onderhouden. Michel Angelo, deze grote kunstenaar, vervaardigde zelf zijn penselen. De God van alle genade vormt voor Zichzelf alle echte predikers. Niet, dat de Heere niet souverein zou zijn, om zelfs door een zeer dwaze prediking bekering te werken. God kan ook mensen zaligmaken zonder prediker, wanneer iemand met het Woord in aanraking komt en dit rechtstreeks wordt toegepast door de Heilige Geest. Maar wij hebben van Gods geopenbaarde aanwijzingen uit te gaan. En dan is het toch zo, dat wij in zekere zin ons eigen gereedschap zijn. Wij hebben geestelijk onszelf niet te verwaarlozen. Mac Cheyne schreef eens aan een bevriend collega: 'Bedenk, dat gij Gods zwaard zijt, Zijn instrument, want een geheiligd prediker is een geducht wapen in de hand des Heeren.'

Met welk een waakzaamheid moeten wij dan gewapend zijn! Als een klein schroefje losschiet, kan zelfs een sneltrein tot stilstand komen. En zo kan een overigens uitnemend toegerust prediker door een op zichzelf misschien klein gebrek volslagen gehandicapt worden.

Een erger voorbeeld: 'De Calvinistische leer kan schadelijk worden, als ze wordt voorgedragen door mensen, die libertijns leven en voorgesteld wordt als een dekmantel van goddeloosheid'. Op dezelfde wijze kan een Ariaans prediker of iemand, die ten onrechte iets van des mensen vrije wil ten goede verwacht, door de zorgeloze toon, die hij aanslaat, de mensen doen geloven, dat zij berouw kunnen hebben op een tijdstip, dat zij zelf bepalen mogen en dat daarom de oproep tot bekering niet zo dringend is.

In de Amerikaanse vrijheidsoorlog moeten een paar verloren veldslagen te wijten geweest zijn aan bedorven kruit, dat door gewetenloze leveranciers aan het leger geleverd was, waardoor het artillerievuur zonder de beoogde uitwerking bleef.

Zo kan het ook met de prediker van het Evangelie zijn. Wij hebben naar de Paulinische vermaning 'acht hebben te geven op onszelf', willen wij onze arbeid met vrucht en zegen verrichten. Wij moeten 'verloste mensen' zijn, is zijn oordeel. Wie niet geroepen is tot heiligheid, is zeker niet geroepen tot het ambt, zegt de schrijver. Fel zet hij zich af, — hij doet dat telkens in een of ander opzicht — tegen de geestelijke leiders van de Engelse Staatskerk, die zich de apostolische successie maar aanmatigen. Al hun in ruil voor gestorte collegegelden ontvangen wetenschap is volgens Spurgeon nog helemaal geen bewijs van een roeping van Boven. Vlijmscherp geformuleerd.

Wij zeggen: Natuurlijk, hoe zal iemand prediken of herderlijke zorg over zielen uitoefenen als hij niet het minst geestelijk leven kent? Daarover zijn wij het eens. Alhoewel ik hier toch voorzichtig een enkel vraagteken zet. Ten eerste: Een pas beginnend predikant — wij zijn niet allemaal Spurgeons — zal in de regel de geestelijke toerusting voor zijn werk pas in de praktijk gaan verwerven. Al doende leert men, zegt het spreekwoord. Ten tweede: er zijn véle wegen. Wie lust heeft in theologische studie en na volbrachte examens in de pastorie komt soms niet zonder dwalingen, kan ook later tot prediker van Gods genade in Christus Jezus bekeerd worden, als het Gode behaagt. Dan ontvangt hij zijn roeping eigenlijk pas recht. Ten derde: Ook een predikant heeft zijn moeite en zorg met vragen voor het tribunaal van zijn eigen hart: Ben ik bekeerd? En op welk punt wordt dit ondubbelzinnig duidelijk? Ben ik totaal veranderd, of alleen maar centraal, in het voornaamste, of misschien ook slechts aan de buitenkant? Hebben wij Rom. 6:1, 2 niet zo te lezen, dat het oude er nog wel is, maar niet meer heerschappij voert? Geloven wij dat ook werkelijk? Wat voor onderscheidingen en trappen in de heiligmaking hebben wij niet aan te brengen, als wij op onszelf teruggeworpen worden? Ik denk hier aan de beroemde briefwisseling van H.F. Kohlbrügge met Isaäc da Costa.

Hoe het zij, naar mijn oordeel is dit te zeggen, dat ook of juist de prediker van de blijde boodschap tenminste als een arm zondaar zichzelf zal hebben te kennen, die zijn enige hoop gesteld heeft op Jezus Christus en Dien gekruisigd! Waarmede niet gezegd is, wat reeds onze vaderen goed wisten, dat God ook met een kromme stok rechte slagen kan doen, omdat de Heere tenslotte toch vrij machtig is, om zijn eigen waarheid te eren.

Het mocht dan onze bede zijn, dat de Heere van een kromme een rechte stok maakte. Vooral zij, die in het heiligdom verkeren, hebben hun zaligheid uit te werken met vreze en beving om des Heeren wil. Het stemme tot ootmoedigheid, dat men, hoewel slechts 'een mannetje, uit het stof verrezen' (Calvijn), de hoge post heeft te bekleden van gezant in dienst van de Koning der koningen. En wie is daartoe uit en van zichzelf bekwaaam?

Spurgeon wijst er dan op, dat de gevaren voor hen, die het Woord Gods bedienen, zoveel groter zijn dan voor de anderen. 'Niemand', zegt John Owen, 'houdt een goede preek, als hij eerst niet voor zichzelf preekt'. De verleiding tot formalisme is een groot gevaar. Daarbij komt, dat de grote vijand, zoals Baxter zegt, zijn scherpste aanval op de leiders der gemeente zal richten. Hij zal u niet verder sparen dan God het toelaat. Als Christus de Veldheer is, de 'Overste Leidsman onzer zaligheid', die te velde trekt tegen het rijk der duisternis, zal de duivel op de officieren in dit leger nog meer mikken dan op gewone soldaten. Zijn beproefde taktiek is: De herders te slaan, opdat de kudde verstrooid worde. Wat hebben ze dan voortdurend genade nodig, opdat hun ambtswerk niet worde verijdeld of althans schade lijdt door hun onvoorzichtig persoonlijk gedrag. Spurgeon zegt niet ten onrechte, dat zij worden bespioneerd door duizend ogen. Waakzaamheid, ook in de ogenschijnlijk kleinste dingen, blijft een gebiedende eis.

Tot zover enkele notities over het hoofdstuk 'Waakzaamheid'. Een volgend maal hopen we te zien, hoe Spurgeon de roeping tot het predikambt meent te moeten waarderen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Spurgeon’s ’Pastorale adviezen’

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's