Het verhoor
En Jezus stond voor de stadhouder; en de stadhouder vraagde Hem: zijt Gij de Koning der Joden? en Jezus zeide tot hem: Gij zegt het. En als Hij van de overpriesters en de ouderlingen beschuldigd werd, antwoordde Hij niets. Mattheüs 27:11 en 12
Hebt u wel eens een rechtzitting bijgewoond? De meesten van ons zullen deze vraag ontkennend beantwoorden. Wij hebben wel verslagen van rechtzittingen gelezen, en van vonnissen kennis genomen, dat wel. Nu zo'n verslag lezen we hier in het evangelie, een beknopt verslag. Maar we kijken het niet even door, hoop ik. We zitten op de publieke tribune, dat is het minste! We ontdekken, dat onze zaak in het geding is. We komen in de beklaagdenbank, we moeten getuigenis geven ... Kortom, we worden er bij betrokken in de lijdensweken, en anders is het evangelie tevergeefs.
De beklaagde heet Jezus. U hebt die naam eerder gehoord; de engel deelde hem als een schoon geheim mee aan Maria en voegde er de verklaring aan toe: Want Hij zal zijn volk zalig maken van hun zonde. Over deze Jezus gaat het. En de rechter is Pontius Pilatus, hier kortweg de stadhouder genoemd. En Jezus stond voor de stadhouder. Hij stond terecht. Verbijsterend is dat. Hij die geen zonde gehad heeft of gedaan wordt in staat van beschuldiging gesteld. Die de vertegenwoordiger van God in deze wereld is moet zich een gerechtelijk onderzoek laten welgevallen door de vertegenwoordiger van de keizer. Deze en dergelijke tegenstellingen dringen zich aan ons op nu wij geroepen worden het verhaal van zijn verhoor te lezen. Is er iemand wat al te heet gebakerd, zodat hij nu reeds wil weten wat er al zo tegen Jezus wordt ingebracht. Als het eens alles was, wat tegen u kan worden ingebracht?
Jezus is niet langer vrij man. Hij werd gevangen genomen, veroordeeld en uitgeleverd. De stadhouder neemt de zaak in behandeling. Als rechter zit hij, de beklaagde staat. Hij kan niet weglopen; Hij moet wachten tot het oordeel uitgesproken is. Hoe zal het luiden en op welke gronden? Mattheüs vertelt ons geen nadere bijzonderheden over de aanklacht waarmee de voormannen der Joden zich tot de stadhouder hebben gewend. Hij stipt slechts enkele punten aan. Uit de vraag van Pilatus wordt echter wel duidelijk, wat deze er van begrepen heeft: Zijt Gij de Koning der Joden? Ze brengen de godslastering niet ter sprake, dat maakt hier geen kans. Ze gooien het over een andere boeg: Hij geeft zich uit voor een Koning. Hij doet een greep naar de macht. Hij bereidt een opstand voor. Deze aanklacht zet zoden aan de dijk. Pilatus moet er wel op ingaan.
Is ze ook waar? De ondervraging vangt aan: Zijt Gij de Koning der Joden? De vraag wordt wat verwonderd gesteld. Gij, Die hier voor mij staat, Gij houdt u voor een Koning. Dé Koning nog wel? De Koning der Joden, hoewel die U kennelijk niet als hun Koning aanvaarden. Hij neemt Hem op van top tot teen. Hij kijkt Hem doordringend aan. Jezus slaat de ogen niet neer. Er brandt een vuur van waardigheid en waarheid in die ogen. Pilatus knippert even met de zijne.
En Jezus zeide tot hem: Gij zegt het. In dit antwoord houdt Hij allerminst een slag om de arm. De nadruk valt niet op; gij. Gij zegt het, ik laat dat voor uw rekening. Nee, Jezus geeft een duidelijk, zij het uitermate kort antwoord: zoals gij zegt! Ik ben de Koning der Joden. Maar misschien ligt er in dit antwoord wel een zekere terughoudendheid. Laten wij daarover niet redekavelen, de misverstanden zijn te talrijk en het is nu de gelegenheid daar niet voor: gij zegt het.
Jezus loochent het niet. Het is lang geleden, dat de wijzen vroegen: waar is de geboren Koningen der Joden? Hier is Hij. Waar zijn nu de wijzen, om Hem te huldigen? Waar is Nathanaël die Hem verheugd als de Koning van Israël beleed? Er is deze Koning geen enkele heerlijkheid gebleven. En toch is Hij het. Dat is geen zaak van pracht en praal, dat is een zaak van roeping. De Vader zelf heeft Hem tot Koning gezalfd, heeft Hem de opdracht gegeven om Zich een eigen volk met Zijn bloed vrij te kopen en Zich tot een eigendom te maken. Daarmee is Jezus bezig, daarom is Hij meer dan ooit de Koning. Dat kan Pilatus, dat kan niemand opmaken uit de omstandigheden. Dat mogen wij opmerken bij het licht van de Heilige Geest, Die in de waarheid van dit Koningschap leidt.
Gij zegt het. Ik geef er vrijmoedig getuigenis aan. En u, en ik? Erkennen wij Hem als de Koning? Hem is macht gegeven om te redden en om te regeren. Die macht oefent Hij nog uit. Al schijnen anderen het voor het zeggen te hebben. Hij heeft gezag. Een eeuwige Koning is Hij. Hij kan daarom ook heden niet zonder onderdanen zijn. Hij bevindt zich onder mensen, die niet willen, dat Hij over hen Koning is. Willen wij het soms wel? Weet u wat een Koning is. Iemand die wat kan, die ontzachelijk veel kan. Jezus kan van opstandelingen onderdanen maken. Van mensen, die niets in Hem zien, mensen die alles in Hem vinden! Wie is een Koning als Hij. U mag het verhoor onderbreken, en deze Koning als uw Koning aanbidden. Hem anderen aanbevelen, omdat Hij het is.
Ondertussen zitten de overpriesters en de ouderlingen niet stil. Ze zijn door haat verblind en zien niets van Zijn hoogheid. Zij voeren van alles en nog wat aan tegen Jezus, om Pilatus ervan te overtuigen, dat Hij schuldig is. Ik schrik daar telkens weer van; de overpriesters en de ouderlingen. De kerkeraad. Mensen wier haat door godsdienstige ijver wordt gevoed, zo, dat de vlammen er uit slaan. En godsdienst, zonder Jezus is zo gevaarlijk. Jezus moet veroordeeld worden, dat staat voor hen vast. Omdat ze zich door Hem niet lieten veroordelen, daarom. Wie niet valt voor het oordeel van deze Jezus, velt het oordeel over Hem, dat is nog het geval. De stadhouder moet het doodvonnis bevestigen, zij het op andere gronden. Zij hadden een kerkrechtelijk vonnis geveld, de stadhouder moet een staatsrechterlijk vonnis vellen. Een doodvonnis moet het blijven. Jezus is een gevaar voor Rome, voor de rijksorde en de rijksvrede. En ook hierin is waarheid met leugen gemengd. Want deze Koning zal zijn eigen orde en zijn eigen vrede stichten.
En Hij? Van Hem lezen wij; Hij antwoordde niets. Tegenover hun hartstochtelijk schreeuwen. Zijn verwonderlijk zwijgen. Hij had zich kunnen verdedigen. Hij kreeg er van de stadhouder de gelegenheid voor. Hij had misverstanden kunnen recht zetten, verdachtmakingen kunnen ontzenuwen, Hij deed het niet. Hij had op Zijn beurt banvloeken kunnen slingeren naar Zijn beschuldigers, maar Hij volhardt in een beklemmend zwijgen. Wel beklemmend. De overpriesters worden er des te opgewondener door. Zij krijgen geen vat op Hem; Hij wil Zich blijkbaar niet verdedigen; Hij heeft geen woord meer voor hen. Dit zwijgen hangt loodzwaar, als een onweerswolk, boven de samengestroomde menigte. Een broeiende hitte, deze stilte, het zweet zou u uitbreken.
Als een Lam. Wij herkennen Hem. Het Lam onder de handen van de scheerders, in de handen van de slachters. Stemmeloos. Hij laat Zich niet overhalen tot enig verweer. Het uur van de offerande is geslagen. Antwoordt Hij niets? Geen stom woord. Maar nee, dit zwijgen is welsprekend. Het spreekt ons van Zijn gehoorzaamheid, van Zijn bereidwilligheid. Het spreekt zo luid, dat het ons leert zwijgen, wanneer wij vals beschuldigd of hard aangevochten worden. Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold en als Hij leed, niet dreigde. Een voorbeeld, zonder woorden. Antwoordde Hij niets.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's