De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Zie, mijn lippen bedwing ik niet...!

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zie, mijn lippen bedwing ik niet...!

13 minuten leestijd

Palmzondag 1971.

In vele gemeenten van ons land zullen op deze dag vooral jonge mensen voorin de kerk staan om met hun ja-woord in het midden van de gemeente de Naam des Heeren te belijden. Het belijdenis-uur blijft voor velen gelukkig een onvergetelijk ogenblik, waaraan zij later met diepe ontroering terugdenken.

Het is als het ware als op de grens van Moab en Kanaän. Daar mag een gezegende beslissing vallen. God haalt er uit, wat Hij zelf in het hart gelegd heeft en dan mag het sluimerende heimwee met Ruth uitbreken tot een besliste keuze. Ja 't is goed, als een mens onder heilige aandrang van boven zijn lippen niet langer bedwingen kan. 'Heere, Gij weet het'. (Ps. 40:10). En hoewel wij op deze wijze de volheid van het heil in Christus vaak nog moeten binnengaan, hoewel er dagen zullen volgen, waarin alles in de smeltkroes ligt (gelijk bij Ruth), toch is dan de koers bepaald: Uw volk is mijn volk en Uw God is mijn God' (Ruth 1:16).

In deze regels zou ik graag onze aanstaande belijdende leden een hartelijk welkom willen toeroepen. U, die op het kruispunt van wegen staat aan de grenzen van het land, waar Bethlehem en Golgotha liggen. U, die aarzelend ertoe kwam om de belijdeniscatechisatie te gaan volgen en die weifelend uw naam opgaf om aan de gemeente te worden voorgesteld als één van hen, die de Naam des Heeren belijden. U in het bijzonder. Denkt u eens aan Orpa. Ook zij nam een beslissing, hoewel onder tranen; de slechtste, die ze nemen kon. Jaap Kronenberg dichtte van haar:

Ze mint Naomi en ze wil wel met haar trekken./ Haar lokt het vreemde van het verre land./ Maar Moab blijft haar oude liefde wekken:/ Ze heeft de schepen achter zich nog niet verbrand.

Als de openbare belijdenis des geloofs een hartelijke overgave mag heten aan Hem, Die zich nu al enkele tientallen jaren aan u voorstelde als de God van het verbond, dan mag het met recht bij u zijn: 'Geeft de Heere de hand en komt tot Zijn heiligdom' (2 Kron. 30:8). En wanneer u dat niet doet, wanneer u met Orpa toch de schepen achter u nog niet wilt verbranden en de oude liefde tot Moab uw hart blijft bezetten, dan treedt u misschien op 't laatste ogenblik terug of u doet toch maar belèdenis. Maar echt de Heere de hand geven, nee, dat is het dan niet. En als de Heere Zijn hand uitsteekt en u leert hem niet in het geloof grijpen, heeft Hij dan geen reden om te denken: hij, zij heeft wat tegen Mij? Zoals ieder, die met de uitgestoken hand blijft staan, zich beledigd gevoelt, als deze niet gegrepen wordt.

Heilig onderricht der Kerk

In deze heilige spanning bevinden zich als het goed is, degenen, die zich voorbereiden op de openbare belijdenis des geloofs. Dat vraagt begrip en biddend meeleven bij de ouders, bij de kerkeraden, bij de gemeente, maar in het bijzonder bij alle dienaren des Woords, die met hun jongeren gedurende de winter, studerend in het Woord en de belijdenis van de Kerk bezig zijn geweest.

Alle catechese, maar vooral de voorbereidingscatechisatie voor de openbare belijdenis is in feite opleiding tot het mondig lidmaatschap van de gemeente. Jezus heeft gezegd: Gaat dan heen, onderwijst al de volkeren ... ! (Matth. 28:19). Onderricht worden in het Woord van God, oftewel gericht-worden onder het Woord Gods. Hoe nodig is het bijzonder in onze tijd, waarin de kennis van de Schriften, ook zelfs in de hoofdzaken en vooral ten aanzien van de heilsbedoelingen Gods met een zondaar, tot een minimum is gedaald. En helaas, hoevelen van diegenen, die met dit minimum aan kennis zich laten roepen tot de kerkelijke ambten, menen, dat zij mondig genoeg zijn om hun zegje te kunnen doen over de kerk. En nogmaals helaas, zij hebben dan vaak nog een grote mond ook.

U, die thans de catechisatieperiode in uw leven gaat afsluiten, u mag het een grote zegen achten, als uw predikant u zoveel als in uw vermogen was, liet leren. Het is, vooral als wij straks op de tocht van allerlei wind van leer staan, een zaak om dankbaar voor te zijn, als u door het onderwijs uit de Bijbel en de belijdenis van onze Kerk weet: de dingen, die u van God geschonken zijn en die onder ons volkomen zekerheid hebben (Luk. 1:1).

Toch zult u het verstaan, dat het mondige lidmaatschap, waartoe u wordt opgeroepen, niet slechts bestaat in de nodige parate kennis en een behoorlijke vrijmoedigheid om deze uit te dragen. Om echt onze mond te kunnen opendoen, zowel tijdens het uur van de openbare belijdenis als daarna op de post, waar God u stelde in het kerkelijke leven, is nodig, dat wij met heilbegeerte het onderwijs van de kerk volgden. De moorman uit het land van Candacé vroeg aan zijn leermeester: Ik bid u, van wie zegt de profeet dit...!' (Hand. 8:34). Hij wilde verstaan, wat hij las. En hij leerde het verstaan onder de leiding des Geestes als het getuigenis aangaande de Christus. Hij viel er bovendien met heel zijn ziel bovenop.

Een dienaar des Woords zal slechts één begeerte kennen bij al zijn catechiseren, nl. om 'zijn' leerlingen aan de grote Leermeester Christus kwijt te raken. En vermaande de Dordtse Synode (1618—'19) de predikanten niet om voorzichtigheid te gebruiken in het toelaten tot de voorbereidingscatechisatie voor het heilig avondmaal. Men moest alleen toelaten, die met vrucht het onderwijs konden volgen en 'die bekommerd waren om de zaligheid hunner zielen'.

Wanneer u zich nu op deze wijze niet tevreden laat stellen met een geloofsbelijdenis, die 'slechts' instemming met de leer der kerk betekent (hoe goed ook op zichzelf), dan is de spanning er eerst recht in. U bent krachtens uw doop geroepen tot belijden. U draagt de 'Christennaam' om de zalving van Christus deelachtig te zijn. Zijn Naam te belijden, uzelf op te offeren met een vrije en goede consiëntie tegen de zonde en de duivel te strijden en straks te overwinnen. Profeet, priester, koning. Maar u weet: dat gaat alleen in de weg van bekering en geloof. En hoezeer de rechten, die de God des verbonds op u laat gelden, voor uw rekening liggen, ieder, die ooit geprobeerd heeft om zich uit eigen kracht naar God toe te werken, weet, dat dit een doodlopende weg is.

Daarom klopt het hart van de belijdeniscatechisatie en ook van de belijdeniscatechisant, als het goed is, in het gebed, samen en persoonlijk: 'Heere, geef, wat Gij beveelt, en beveel dan maar, wat Gij wilt' (Augustinus). Ik vind in dit opzicht antwoord 74 van onze Heidelberger (over de kinderdoop) zo bijzonder troostrijk. Staat daar immers niet, dat de heilige Geest, Die het geloof werkt, reeds aan de kleine gedoopte kinderen is toegezegd, niet minder dan aan de volwassen?! Daarop dan gepleit, 't Is een oud gezegde, maar 't wordt steeds weer met verwondering ondervonden, ook door jongeren der gemeente: 'Als de Heere komt, brengt Hij Zelf alles mee'.

Heere, open Gij mijn lippen door uw kracht... (Ps. 51:8).

De tafel des verbonds

Een vraag, die u in het bijzonder aan het eind van de periode van catechisatie sterk zal hebben beziggehouden, is: Mag ik nu naar het heilig avondmaal? In het bestek van één artikel kan ik deze vraag niet uitputtend behandelen. Wel wil ik herinneren aan wat de Dordtse Synode bepaalde en wat ik hierboven daarover schreef. Ook meen ik te begrijpen, wat Smytegelt bedoelde, toen hij in zijn catechismusverklaring schreef: 'Ieder moet wel belijdenis doen, maar elk mag niet ten avondmaal gaan'. Er is een automatisme in de gang naar het heilig avondmaal, ook ten onzent, die niemand voor zijn rekening mag nemen. Dan gaat men naar de tafel des verbonds op grond van een zogenaamde gehoorzaamheid: men heeft belijdenis gedaan, omdat men gedoopt was; nu gaat men ten avondmaal, omdat men niet ongehoorzaam wil zijn aan zijn belijdenis. Alleen bedenke men dan wel, dat ongehoorzaamheid wel een kwalijke zaak is, maar dat de gehoorzaamheid, die God behagen kan, alleen geloofsgehoorzaamheid zijn kan. Aan dor verstandelijke redeneringen hebben we niets.

Dat betekent aan de éne kant, dat u, die belijdenis des geloofs gaat afleggen, straks een genode gast bent, dringend geroepen om naar Christus' bevel 'Doet dit tot Mijn gedachtenis' de dood des Heeren aan Zijn tafel te gedenken. Maar anderzijds zult u moeten weten, dat u alleen een welkome gast bent, als u, uzelf beproevende, misschien met bevende hand, uw naam in kunt vullen in het antwoord, dat de Heidelbergse catechismus geeft op vraag 81: Voor wie is het avondmaal des Heeren ingesteld? U bent dan de man, de vrouw, die zichzelf leerde mishagen, nochtans op Christus' verzoenend bloed leerde hopen en in de kracht des heiligen Geestes tegen de zonde leerde strijden.

Zo blijft dan de spanning. Die zullen we er niet uithalen, noch door als vanzelfsprekend te veronderstellen, dat ieder lidmaat ten avondmaal gaat noch door onszelf en elkaar te verzekeren, dat voor de openbare belijdenis 'slechts' enige liefde voor de Waarheid Gods nodig is, die ooit wel eens aanleiding kan zijn voor een komen tot geloof, maar het op zichzelf nog niet is. Niets is zozeer nodig, als dat wij èn bij de openbare belijdenis èn bij de komende viering van het heilig avondmaal des Heeren onszelf beproeven, of wij in het geloof zijn. Dat is een doorgaande zaak. De Heere werkt alles, ook in het geestelijke leven, niet op één dag. 't Is waar. Maar als Hij de beginselen van de verborgen omgang met Hem in ons hart werkt (en dat is er of het is er niet), dan werkt Hij ook door. In de nadere ontdekking aan ons bedorven bestaan. In een hartelijker omhelzing van Christus door het geloof. In de gunstige verlening van de kracht des Geestes om te strijden tegen inwonende zonden en tegen het kwade rondom. En één van de middelen ter versterking van dat geloof, is het heilig avondmaal. Zijn tafel: Hij vergadert er omheen die als verloren zondaars op Christus geworpen zijn. En ook zo versterkt Hij ze, zo zwak en aangevochten als ze daarin zijn, in het vaste vertrouwen, dat niet alleen anderen, maar ook hun vergeving van zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is ...! (Heid. Cat., vr. en antw. 21).

Welk een grote zegen zou het voor de geestelijke herleving in onze gemeenten zijn, als ook jonge lidmaten de tafel des Heeren niet langer van zich af konden schuiven als iets, wat ze immers ook wel kunnen missen. U zult het met mij eens zijn, als ik zeg, dat er vaak zo weinig (met smaak) gegeten wordt van het Brood des Levens, omdat er zo weinig echte geestelijke honger is. God verwekke deze honger ook in vele jonge harten door de ontdekkende en indringende prediking van de Christus der Schriften, Die zich uit de gemeenschap met Zijn geliefde Vader heeft laten wegstoten (en dat was voor Hem het allerergste) om hen, die God niet meer missen kunnen, daarin terug te brengen.

Laten deze regels voor u een dringend appèl zijn op uw hart. Steeds meer raak ik er van overtuigd, dat u alleen op een waardige wijze de Kerk kunt dienen, als u mag weten, wat Pilatus niet wist: 'Wat zal ik doen met Jezus?!' En leest u dan voor uzelf in de stille week nog maar eens de vragen door, die de oude Kerk stelde aan hen, die als volwassene na hun belijdenis gedoopt werden en de voorbereidingsvragen voor het heilig avondmaal, achterin uw kerkboekje en in het dienstboek van onze Kerk.

Mondig lidmaatschap

Nog één ding tot slot. Het einde van uw leertijd betekent ook een begin. U mag als een mondig lidmaat uw plaats gaan innemen in het midden der gemeente. Meepraten, meedoen. Nee, laten we 't nu maar niet hebben over de hooggeroemde mondigheid van de moderne (kerk)mens. Wie in het verborgene van de omgang met God nooit iets in zijn hart en op zijn gezicht kreeg van de heerlijkheid van Christus (gelijk Mozes op de Sinaï en de schare op de Pinksterdag), die praat in geestelijke en gemeentelijke zaken maar een eind weg.

Maar als u de goede belijdenis mocht belijden voor vele getuigen, dan mag er ook iets van u afstralen op uw omgeving. 'Zie, mijn lippen bedwing ik niet.' Mondig lidmaatschap. Dat brengt tot meeleven met de plaatselijke gemeente en de Kerk(en) als geheel. In gebed. In daadwerkelijke steun, ook in geldelijk opzicht. In de aanwezigheid op de vergaderingen en samenkomsten der gemeente, waar van u uw oordeel gevraagd wordt. Als de kerk in haar belijdende leden een zwijgende kerk is, dan wordt het spreken van de ambtelijke vergaderingen lamgeslagen. Leeft, denkt en worstelt u mee met de grote vragen, waarmee kerkeraden, classes, provincies en synode te maken krijgen in onze tijd.

En bent u het juist niet, ook als u wellicht nooit geroepen wordt tot een kerkelijk ambt, die op uw post in het maatschappelijke leven, de Naam des Heeren hebt uit te roepen over alle terreinen des levens? Wij mogen van de Kerk en haar ambtsdragers niet een maatschappelijke geëngageerdheid vragen, waarin het Evangelie opgaat in het geven van wat losse spelregels voor de politiek en het sociale leven. Maar we mogen als kerk en als ambtelijke vergaderingen van u, jonge lidmaten, wel vragen, dat een doorleefd geloof zich uitleeft in het dienen van God, in het gesprek met uw collega op het werk, in het getuigenis op vergaderingen van b.v. ouderavonden van de school, van vakorganisaties, van gemeenteraden. Een uitgestrekt terrein, zo breed als het leven, ligt voor u. Moet daar de stem van Gods Woord tot zwijgen worden gebracht, hoe langer hoe meer? Dat gebeurt, als ook u niet spreekt.

Waarom zoeken de kerkeraden soms jarenlang naar mensen, die tijd en moeite over hebben voor het werk in de gemeente, als ambtsdragers, of als huisbezoekers? In Rome zijn enkele grafstenen gevonden, waarop de merkwaardige letters stonden: Q N D S. Lange tijd wist niemand wat die letters betekenden. Totdat iemand het vond: Quorum nomina Deus Scit — wier namen God alleen weet. Lagen daar niet begraven die martelaren der Kerk, van wier bestaan geen mens weet had, maar die bij God niet zijn vergeten?!

U hoeft geen beroemdheid te zijn. 't Is ook gevaarlijk om dat te wezen. Als God het maar van u weet: Deze man, deze vrouw beleed Mij voor de mensen. Een stad op een berg. Een licht op een kandelaar. Waarom ook niet. 't Is geen kunstlicht! 't Is licht van Hem, die zei: 'IK ben het Licht der wereld'. En laat ze er dan om lachen. Ze hebben in Moab tenslotte over Ruth ook niet zo gunstig geoordeeld, denk ik. En in ieder geval heeft Lot zijn rechtvaardige ziel gekweld door het zien en horen van de ongerechtigheden in Sodom. Dat komt er van, als je je mond niet houdt.

Maar 't'geeft niet.

Toch bedwing ik mijn lippen niet; Heere, Gij weet het.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Zie, mijn lippen bedwing ik niet...!

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's