De doop met de heilige Geest
IV
De vorige keer zagen we dat Pinksteren onherhaalbaar is. We willen hiermee volstrekt niet beweren dat er nu nooit meer eens sprake zou kunnen zijn van een vervuld-zijn met de H. Geest, van explosie van gaven des Geestes, van een openbaar-komen van verschillende krachten en tekenen. Natuurlijk wel; de Geest blaast waarheen Hij wil. Wij hebben Hem de wet niet voor te schrijven. Maar dat mag de Pinksterbeweging dan ook niet doen!
Vanzelfsprekend blijven hier vragen liggen. Op één er van willen we even ingaan, omdat die in dit verband nogal eens gesteld wordt.
Het is deze vraag: Moeten we dan een achteruitgang constateren in plaats van een vooruitgang, als we de eerste Pinkstertijd zetten naast de eeuwen die daarna volgden? Moeten we spreken van een verschraling en verarming in de bediening des Geestes, in vergelijking met de overvloed van de begintijd?
We geven toe dat het er alle schijn van heeft dat we deze vragen bevestigend moeten beantwoorden; maar toch zeggen we: Neen.
Kortheidshalve willen we dit ons antwoord toelichten met een voorbeeld, weer uit de Paasgeschiedenis. We weten dat de weg van de vooruitgang in het geestelijk leven dit is, dat we van het geloven voortgaan naar het aanschouwen. Dat zou dan betekenen dat de kerk, na Thomas, een achteruitgang zou boeken in vergelijking met Thomas zelf; immers de weg die de kerk zou gaan na Thomas, zou een weg zijn die liep van het aanschouwen naar het geloven. Christus zegt immers tegen Thomas: Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, zo hebt gij geloofd; zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben (Joh. 20:29). En toch willen we niet spreken van een achteruitgaan van de kerk na de 40 dagen.
* * *
Dat alles betekent natuurlijk niet dat we, wat de bediening des Geestes betreft, beweren dat de kerk en de gelovigen sinds Pinksteren van kracht tot kracht en van heerlijkheid tot heerlijkheid voortgegaan is. Integendeel!
Wat beleven we bijv. vandaag de dag donkere tijden, tijden van een diepe geestelijke ingezonkenheid. En als de Pinkstergroepen ons dat zeggen, hebben we alleen maar dit te beamen en schuldig het hoofd te buigen.
De oorzaken daarvan liggen, naar onze overtuiging, echter niet in het feit dat de wedergeborenen het 'plus' van de doop met de H. Geest onopgevraagd en ongebruikt laten liggen. Het kwaad zit dieper; het zit bij die wedergeborenen zelf. Al hebben we niet te oordelen, toch menen we dat het getal van die wedergeborenen al kleiner en kleiner wordt. En vervolgens menen we dat bij die wedergeborenen het wandelen naar de Geest en niet naar het vlees steeds meer aan het verslappen gaat. Men begint soms met de Geest, maar men eindigt met het vlees. Het gaat buiten het bestek van ons onderwerp de verschijnselen daarvan te signaleren en de oorzaken op te sporen.
Als voor ons maar vaststaat dat die oorzaken gezocht moeten worden in (het geestelijk leven van) de wedergeborenen zelf en niet in het ontbreken van dat 'extra' dat dan bestaan zou in de doop met de H. Geest.
* * *
Om die reden hebben we ook bezwaar tegen het onderscheiden van twee soorten christenen; vleselijken en geestelijken, onmondigen en mondigen (Molenaar blz. 39). Dat zou dan moeten betekenen dat we de christenen hebben op te splitsen in alleen maar wedergeborenen, naast gelovigen die ook met de H. Geest gedoopt zijn. Maar de Bijbel spreekt nergens van deze twee soorten al stelt die wel bijv. sterken tegenover zwakken. Als dat twee soorten christenen zouden zijn, kunnen we nog veel meer soorten noemen. Zo spreekt bijv. de apostel in 1 Joh. 2:12-14 van kinderkens, jongelingen en vaders. Waar moeten we nu de overgang plaatsen van de éne soort naar de andere? Tussen de overgang van kinderkens naar jongelingen, of tussen de overgang van jongelingen naar vaders?
We mogen hier toch niet gaan spreken van (slechts) twee soorten christenen, evenmin als we mogen zeggen dat een kind, dat overgaat van kruipen op lopen, of de leeftijd van de meerderjarigheid bereikt heeft, een ander soort mens wordt. Er is een oneindige en ook nooit stilstaande verscheidenheid in het geestelijk leven, zoals ook het gewone leven dat te zien geeft. Maar we moeten dat niet in een schema van slechts twee 'soorten' gaan persen.
* * *
Nog één ding rest ons. We zijn namelijk nog steeds bezig Torrey te volgen die ons aan de hand van de beide regels der exegese zou aantonen, dat de inhoud van de belofte uit Hand. 2:39 (want u komt de belofte toe ...) moet opgevat worden als de belofte van de doop met de H. Geest.
Tot nu toe hebben we alleen stilgestaan bij de gegevens die het verder verwijderd verband ons aanreikte; we hebben 'de belofte' uit 2:39 vergeleken met 'de belofte' uit 1:4. We kwamen tot de conclusie dat de inhoud van die twee 'beloften' niet dezelfde was.
Maar Torrey gaat zijn stelling ook nog bewijzen uit het onmiddellijke verband van de tekst. Wat de inhoud van de belofte uit vers 39 is, kunnen we vernemen uit dat wat onmiddellijk aan deze woorden voorafgaat; uit het slot van vers 38 dus. En daar lezen we: En gij zult de gave des H. Geestes ontvangen.
We kunnen hier kort over zijn, temeer omdat we er al even iets over opgemerkt hebben.
Inderdaad zegt Petrus deze woorden 'gij zult de gave des H. Geestes ontvangen', en hij laat er dan meteen op volgen: Want u komt de belofte toe ...
Maar Petrus heeft nog meer gezegd. In vs. 37 vragen de luisteraars: Wat zullen wij doen, mannen broeders? en dan antwoordt Petrus in vs. 38: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des H. Geestes ontvangen. Want u komt de belofte toe...
Zoals reeds opgemerkt, valt het niet in te zien waarom 'de belofte' alleen maar terug zou slaan op die gave des Geestes en niet ook op bekering, doop en vergeving. Bij dit vs. 38 spreekt Molenaar zelfs van een 'orde des heils': bekering-doop-vergeving-gave des H. Geestes. Het ontvangen van de gave des H. Geestes is duidelijk een toppunt (blz. 35). Overigens kan deze orde des heils ook omgekeerd worden, want bijv. bij Cornelius kwam eerst de gave des H. Geestes en volgde daarna pas de doop (Hand. 10). Maar dat tussen haakjes.
Men brengt dus willekeurig midden in de woorden van Petrus een scheiding aan en zegt: het woord 'belofte' uit vs. 39 slaat niet terug op alle woorden die Petrus daar zegt, doch alleen maar op het laatste stukje er van.
En nu citeren we hier Molenaar even letterlijk: 'Deze 'weg des heils', die Petrus en zijn mede-apostelen zelf waren gegaan, stelde hij nu tot een voorbeeld voor alle latere eeuwen in de kerkgeschiedenis. De belofte, nl. die van de volheid van de Geest, was er voor allen, die verre waren, zovelen als God er toe roepen zou, vs. 39. Na bekering, doop en vergeving van zonden zou voor Joden- en heiden-christenen de gave van de H. Geest volgen, als slot en bekroning van de weg des heils' (blz. 35). En Torrey doet precies hetzelfde; hij begint zelfs pas te cursiveren bij de woorden: En gij zult de gave des H. Geestes ontvangen. Want voor u is de belofte (blz. 106).
Dit is niet alleen exegetische willekeur, maar ook dogmatisch benauwend. Eerst moeten Joden- en heiden-christenen zich bekeren, gedoopt worden en vergeving van zonden ontvangen hebben, en dan is er pas voor hen de belofte van God, want immers daarna pas zal de gave des H. Geestes volgen; die gave dus die bedoeld wordt met het woord 'belofte'.
Maar dan heeft het ook geen zin meer om te zeggen dat die belofte toekomt aan bijv. pasgeboren kinderen en heidenen, want de belofte komt immers alleen maar toe (om met Torrey te spreken, blz. 87) aan wedergeborenen die geschikt en verbonden zijn tot getuigenis en dienst.
* * *
Wat komen alle dingen heel anders te liggen als we het woord 'belofte' uit vs. 39 opvatten als die belofte die God reeds aan Abraham gaf (Gen. 17:7).
Petrus roept zijn luisteraars op tot bekering en hij fundeert deze oproep op het spreken en op het beloven Gods. De Here is de eerste; Hij is de mens al vóór geweest met Zijn belofte. De mens moet Hem nu alleen nog maar antwoorden. Aan jullie komt de belofte toe en daarom moeten jullie je bekeren en je laten dopen tot vergeving van zonden. En deze gelofte komt niet alleen toe aan Joden, maar ook aan de heidenen, zodra de Here hen er toe roept door de prediking van Zijn evangelie bij hen te doen komen.
Zodra zij dit doen zullen ze ingelijfd zijn in de gemeente en zo ook deel hebben aan de gave des H. Geestes, Die sinds die dag woont in de gemeente als in Zijn tempel.
Alles klopt dan meteen ook veel beter met dat wat we onmiddellijk na vs. 39 lezen. Na de indringende preek van Petrus zijn er 3000 die zijn woord gaarne aannamen, zich lieten dopen en in de gemeente opgenomen werden.
We lezen dan niets van één of ander 'plus' of 'extra' wat zou kunnen wijzen op een doop met de H. Geest. Het enige wat van deze 3000 gezegd wordt is dat wat gezegd mag worden van alle wedergeborenen van alle eeuwen, ongeacht alle hoogten en diepten, zonden en gebreken, goede en slechte tijden: 'Zij waren volhardende in de leer, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden'.
Waddinxveen, febr. 1971.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's