Buitengewone wijkgemeenten
Zoals bekend heeft de synode de mogelijkheden tot het vormen van een buitengewone wijkgemeente, voor gemeenteleleden die zich niet verenigen kunnen met prediking en pastoraat in hun gemeente, verruimd. Tot voor kort was het zo dat overgangsbepaling 235 de buitengewone wijkgemeente-in-wording regelde. Voorwaarde voor de vorming van zo'n gemeente was dat er een predikantsplaats gevestigd moest worden. Dat veronderstelde een bepaalde grootte van de minderheidsgroep wilde één en ander financieel haalbaar zijn. Thans is het ook mogelijk dat groepen, die niet groot genoeg zijn om een eigen predikant te onderhouden, een bijstand in het pastoraat krijgen. Zo'n bijstand in het pastoraat wordt dan benoemd door het moderamen van de provinciale kerkvergadering, in overleg met de kerkeraad van de wijkgemeente.
Het ziet er naar uit dat we in onze Hervormd Gereformeerde gemeenten in toenemende mate met deze zaak geconfronteerd zullen worden. In verschillende van onze gemeenten zijn in het verleden al, met medewerking van de hogere kerkelijke organen, buitengewone wijkgemeenten in wording gevormd. Daartegen hebben we herhaaldelijk geprotesteerd bij de officiële kerkelijke instanties. Want het gaat niet aan om groepen gemeenteleden aan het opzicht van de plaatselijke kerkeraad te onttrekken, zeker niet wanneer de achtergrond van het stichten van zo'n buitengewone wijkgemeente is een onbehagen over de gereformeerde prediking. Vaak werd dit laatste wel gecamoufleerd door het punt van de liturgie als hoofdbezwaar naar voren te brengen, maar in de practijk bleek dat de buitengewone wijkgemeente-in-wording vrijwel zonder uitzondering een midden-orthodoxe koers ging varen. De confessionele vlag werd daarbij nogal eens gebruikt om een middenorthodoxe lading te dekken.
Kort en goed: we hebben om twee redenen bezwaar gemaakt tegen de buitengewone wijkgemeente-in-wording in onze gemeenten. In de eerste plaats menen we dat de gereformeerde prediking het alleenrecht heeft in onze kerk. In de tweede plaats — en dit hangt direct met het eerste samen — menen we dat de kerkelijke instanties niet het recht hebben om gemeenteleden aan de gereformeerde prediking, het pastoraat in gereformeerde zin en het opzicht van de plaatselijke kerkeraad te onttrekken.
Anderzijds was het ook zo dat we de buitengewone wijkgemeenten voor 'onze mensen', die in middenorthodoxe gemeenten in een minderheidspositie waren, niet hebben gestimuleerd. Integendeel. We vonden dat we zelf niet mochten stimuleren wat we bij anderen afwezen.
Wel zijn in de loop der jaren diverse Herv. Geref. evangelisaties ontstaan, die — de één meer de andere minder — op de kerk zijn blijven aanwerken. En in verschillende gemeenten zijn zulke evangelisaties, na vele gesprekken met de kerkeraad ter plaatse, in de gemeente opgenomen en is een Herv. Geref. predikant beroepen of heeft men voor Herv. Geref. preekbeurten gezorgd. Maar dat is lang niet overal het geval.
We hebben ons nu, als hoofdbestuur van de G.B. op één van onze bestuursvergaderingen nog eens met deze materie bezig gehouden, aangezien we herhaaldelijk met deze problematiek in de gemeenten worden geconfronteerd. De verruiming van de mogelijkheden voor de vorming van buitengewone wijkgemeenten-in-wording vroeg bovendien onze aandacht.
We blijven erbij dat we de vorming van buitengewone wijkgemeenten-in-wording in Hervormd Gereformeerde gemeenten ernstig laken. De kerk behoort in prediking en pastoraat in overeenstemming te zijn met haar gereformeerde belijdenis. Hervormd Gereformeerde kerkeraden zullen om des gewetenswil dan ook geen prediking kunnen toelaten, waarin dit belijden met voeten getreden wordt. Alleen een prediking, die naar Schrift en belijdenis is, mag in onze kerk geduld worden. De moderamina van P.K.V.'s hebben dan ook niet het recht om gemeenteleden aan deze gereformeerde prediking te onttrekken.
Anderzijds menen we, dat we de hele kerk mogen en moeten oproepen tot de gereformeerde prediking. Dat moet ook plaatselijk gebeuren. Wanneer de prediking ter plaatse niet gereformeerd is, dan hebben de gemeenteleden het recht om bij de kerkeraden op deze prediking aan te dringen. Deze weg van het gesprek met de kerkeraden dient dan overigens tot het uiterste gegaan te worden.
We menen evenwel om drie redenen, dat, wanneer deze weg vooralsnog uitzichtloos is, in de huidige situatie bij het moderamen van de P.K.V. op een buitengewone wijkgemeente-in-wording kan en mag worden aangedrongen. In de eerste plaats menen we, dat wanneer het plaatselijk niet mogelijk is om de gereformeerde prediking voor de gehele gemeente te krijgen, in ieder geval de mogelijkheid moet worden aangegrepen om deze prediking voor een deel van de gemeente te verkrijgen. Daarbij blijft het bezwaar van onttrekking van gemeenteleden aan het opzicht van de plaatselijke kerkeraad. Dat speelt echter momenteel ook al — zij het in andere zin — bij de evangelisaties. Maar bovendien, de gereformeerde prediking weegt zwaarder. Het Woord moet recht bediend worden. Wanneer de kerkeraad, die opzicht heeft over de prediking, daarvoor niet waakt, laadt ze grote schuld op zich.
In de tweede plaats weegt voor ons in toenemende mate zwaar het argument dat in vele gemeenten al sinds jaar en dag gemeenteleden verstoken zijn van de regelmatige bediening van de sacramenten. Het argument, dat men toch plaatselijk aan de sacramenten kan deelnemen, geldt slechts ten dele, want er is een eenheid tussen de rechte Woordbediening en sacramentsbediening. We mogen deze twee niet uit elkaar halen, ook al blijven de sacramenten ambtelijk hun geldigheid behouden wanneer de Woordbediening niet recht functioneert. We gevoelen de nood echter van hen, die al jaren niet meer deel kunnen nemen aan de bediening van de sacramenten, omdat ze, sinds jaar en dag, voor de rechte prediking op evangelisaties zijn aangewezen.
Een derde argument is onze inbreng in het geheel van de kerk. We weten wel dat het in de kerk niet om aantallen gaat. Maar er zijn streken van ons land, waar de vertegenwoordiging op de meerdere vergaderingen van de kerk danig scheef getrokken is door de grote inbreng vanuit de buitengewone wijkgemeenten-in-wording, die in Herv. Geref. gemeenten ontstonden. De vraag klemt of we deze ontwikkeling mogen laten doorgaan. Moeten we niet evenzeer vanuit de gemeenten, waarin Herv. Geref. minderheden zijn, de mogelijkheden openen voor een gereformeerde vertegenwoordiging naar de meerdere vergaderingen van de kerk?
We moeten het weliswaar meer van de gemeenten verwachten dan van de bredere vergaderingen van de kerk. Maar het gaat ook niet aan om de bredere vergaderingen steeds meer verstoken te doen zijn van een gereformeerde inbreng. Want dat zal zijn uitwerking overal doen gevoelen.
Ziehier enkele overwegingen — de één meer de andere minder zwaarwegend — waarom we in de huidige situatie menen, dat we de mogelijkheid voor het vormen van een buitengewone wijkgemeente-in-wording in het uiterste geval moeten aanvaarden. Niet dan nadat de weg van het gesprek met de kerkeraad ten einde toe bewandeld is. We willen dan ook niet direct allerlei Herv. Gereformeerde minderheidsgroepen oproepen om tot het aanvragen van zo'n buitengewone wijkgemeente-in-wording over te gaan. Maar gezien de adviezen, die ons steeds gevraagd worden, menen we dat we ons standpunt in deze moeten toelichten. De toestand in onze kerk is abnormaal. Zo ook derhalve het bestaan van onze Geref. Bond. Abnormale toestanden vragen om abnormale maatregelen. Zo is het ook met de buitengewone wijkgemeenten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's