Belijdenis en kerk
Hebben die twee wel wat met elkander te maken? Gaat het in de belijdenis, die men aflegt, niet vooral om een puur geestelijke zaak? Een zaak, die in de binnenkamer van het hart voorbereid is en waarin een zondig en dwalend mensenkind uitspreekt, dat hij zoveel van Gods genadige openbaring in Christus gezien heeft, dat hij daar 'amen' op zegt. Dus dat zijn hart antwoord geeft op het Woord des Heren. Een antwoord, dat nog veel versterking en bekrachtiging nodig zal hebben, juist omdat we dagelijks zulke zondige en dwalende mensenkinderen blijken te zijn, maar dat toch tot een zodanige rijpheid gekomen is, dat we op de vraag: wilt gij ook niet heengaan?, zeggen: Here, tot Wien zullen wij heengaan, Gij hebt de woorden des eeuwigen levens en wij hebben geloofd en bekend, dat Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.
Daar zitten dus allerlei zeer persoonlijke elementen in. Daar zit ook de begeerte in zich voor die enige Naam, Die onder de hemel gegeven is tot zaligheid, niet te schamen. Daar ligt het woord der prediking achter, waaruit het geloof geboren wordt en waardoor het wordt bepaald. Daar zit ook een verband in met de tekenen en zegelen, waardoor God de Here Zijn Woord bevestigt: de H. Doop en het Avondmaal.
Daarmede zitten we al in de kerk. Als kind wordt je gedoopt omdat je lidmaat van Christus gemeente bent. Als je volwassen gedoopt wordt, dan toch ook niet als enkeling in een particulier huis, maar in het midden der gemeente.
En zowel de H. Doop als het H. Avondmaal worden bediend, niet alleen in de gemeente, maar ook door ambtsdragers der gemeente, die daartoe bevoegd zijn.
Ook de belijdenis is niet een puur individuele zaak, maar drukt uit de gemeenschap met degenen, die hetzelfde geloof, dezelfde geloofsovertuiging delen.
De Nederlandse Geloofsbelijdenis van Guido de Bray zegt in Art. 28: 'dat niemand, van welke stand of hoedanigheid hij moge zijn, zich afzijdig behoort te houden en op zichzelf te staan, maar dat allen verplicht zijn zich bij haar te voegen en zich met haar te verenigen om de eenheid der Kerk te onderhouden, zich te onderwerpen aan haar onderwijzing en tucht, de nek te buigen onder het juk van Jezus Christus en de stichting van de broeders te dienen, overeenkomstig de gaven, die God aan een ieder verleend heeft, allen samen als leden van eenzelfde lichaam'.
Sedert het opstellen van deze geloofsbelijdenis in 1561 zijn er, naast de Rooms-Katholieke Kerk en de Doopsgezinden, waarvan onze Vaderen zich bewust afgrensden, allerlei kerken ontstaan, deels van niet-Gereformeerde signatuur zoals de Remonstrantse Broederschap, deels vooral sedert de vorige eeuw van Gereformeerde Belijdenis: Gerformeerde Kerken en Gereformeerde Gemeenten, Christelijk Gereform. en Vrijgem. Kerken enz. Moet nu temidden van die betreurenswaardige veelheid van kerken, die toch eigenlijk ook niet is naar de Schrift en naar de Belijdenis, moet nu bij de geloofsbelijdenis één bepaalde, concrete, historische kerk met name genoemd worden, zo dat van de jonge lidmaten gevraagd wordt (zoals in de derde vraag uit het Dienstboek der Hervormde Kerk gedaan wordt) of zij 'in de gemeenschap der Nederlandse Hervormde Kerk en onder haar opzicht getrouw willen zijn, onder de bediening van het Woord en de Sacramenten'?
Deze vraag is actueel geworden doordat groepen jongeren via de Herv. Jeugdraad bij de Synode zgn. alternatieve vragen op tafel gelegd hebben, waarin die band tussen belijdenis en kerk (althans één bepaalde, bestaande, zichtbare kerk) wordt losgemaakt.
Die voorgestelde vragen zijn uitermate kort gehouden. Wanneer iemand nog gedoopt moet worden, wordt hem/haar alleen gevraagd: verlangt gij door de Doop in de gemeente van Christus te worden opgenomen?
En aan hen, die reeds dooplid waren: Wilt gij ter bevestiging van uw Doop, waardoor u in vroeger jaren in de gemeente van Christus werd opgenomen, thans door uw ja-woord te kennen geven, bewust tot de gemeente van Christus te behoren?
Daar kunnen dan eventueel bij de zgn 'aanneming' nog meerdere vragen bij gesteld worden, die ook in de voorstellen van de Hervormde Jeugdraad uitgewerkt zijn, en waarin gesproken wordt over het lid-zijn van de heilige, wereldwijde en apostolische kerk; over het belijden van het geloof dier kerk in die drie-enige God; over de trouw om naar vermogen mede te werken aan de opbouw van Christus' gemeente en over de aanvaarding van de roeping om met blijdschap te leven en te werken in de wereld, daarin Christus te volgen en Hem te belijden.
Daarin staan vele voortreffelijke dingen. Maar waarom juist deze dingen onttrokken aan de 'openbare', d.i. de openlijke belijdenis des geloofs? Waarom in die korte voorgestelde belijdenisvragen wel gesproken over de 'doop' (op zichzelf een goede en waardevolle zaak ook in verband met de belijdenis) en over de 'gemeente van Christus', maar niet over het geloof in Christus Zelf en in datgene, wat Hij als haar Zaligmaker voor die gemeente wil zijn? Waarom niet gesproken over de Vader van onzen Here Jezus Christus, tot Wien Christus Zijn gemeente leidt, en over de Heilige Geest, Die in alle waarheid leidt, het hart vernieuwt en de grote Trooster is?
Maar — afgezien van deze vragen — het punt, waar het nu om gaat is, dat in al deze vragen wel gesproken wordt over 'de gemeente van Christus' en van de 'heilige, wereldwijde en apostolische kerk', maar dat nergens een binding wordt uitgesproken met een bepaalde kerk, dus ook niet de Nederl. Herv. Kerk al doet men wel in die kerk belijdenis.
Die binding aan een bepaalde kerk werd door deze jongeren te eng gevonden, te opgesloten in eigen kring. Men acht deze binding aan deze bepaalde Nederlandse Hervormde Kerk niet passen in het kader van sterke oecumenische contacten, waarbij het bv. komt tot de vorming van studenten-gemeenten, waarin de oude scheidsmuren geslecht worden. Vandaar de vraag omtrent het lidmaatschap van de heilige, wereldwijde en apostolische kerk. Men wil van het kerkelijke gekrakeel, gezeur en getwist af. En dat is op zichzelf een begrijpelijke zaak. Maar nu richt zich dit oecumenische streven in de regel niet op die kerken, waarmede wij 'door bijzondere banden van belijdenis of van geschiedenis zijn verbonden' om met ordinantie 20 van onze kerkorde te spreken, maar juist naar de kant van die kerken, waarmede deze verbondenheid niet bestaat (de Remonstrantse, de Doopsgezinde en de Rooms-Katholieke kerk). Of — wanneer het contact zich uitstrekt naar de Gereformeerde Kerken, dan toch vaak overeenkomstig de mate waarin deze kerken bezig zijn zich van die gemeenschappelijke belijdenis te verwijderen. We zijn altijd nog dankbaar, dat die belijdenis met zovele woorden in de kerkorde onzer kerk genoemd wordt. Zij is geen dood document uit het verleden, maar het getuigenis van het geloof des harten in een tijd, toen dat geloof op de vuurproef gesteld werd, wanneer het uitsprak, wat het door Gods Geest had leren verstaan uit en door Zijn Woord omtrent de enige, waarachtige God, aangaande Zijn eniggeboren Zoon Jezus Christus, en de weg der verzoening, der genade, des vredes en des levens in Hem ontsloten.
Dat behoort zelf tot de levensgeschiedenis der Kerk. Met die levensgeschiedenis heeft de Nederlandse Hervormde Kerk te maken. Zonder die levensgeschiedenis zou de Kerk als gemeente van Christus niet zijn, wat zij is 'hier en nu'. Zij kan nu eenmaal het Evangelie van het kruis van Christus en de bevestiging er van door de Sacramenten niet bedienen zonder de concrete vorm van haar zichtbare gestalte.
In die levensgeschiedenis is veel, waarover wij ons diep hebben te schamen. Juist omdat God Zijn kerk doet ingaan in de historie van ons geslacht, is er in de kerkgeschiedenis zoveel, dat van ons menselijk dwalen en van onze menselijke ontrouw en verwarring getuigt. Dat zit al in dat woord 'Hervormd'. De kerk wordt telkens door onze zonden misvormd en moet ook na de Her-vorming telkens opnieuw hervormd worden. Maar dat betekent niet, dat we nu maar door die gehele geschiedenis een streep zetten, daarmede afrekenen en het hele instituut van de kerk met vraagtekens gaan omringen. We zullen ons inderdaad moeten laten waarschuwen tegen het misbruik, dat ons vleselijk hart van de concrete inzettingen Gods kan maken. De kerk heeft b.v. in de middeleeuwen een ontwikkeling doorgemaakt, die laat zien hoe ambten en sacramenten in mensenhanden misvormd kunnen worden.
Maar dat betekent niet, dat we op een overgeestelijke manier ons van die kerk der Hervorming afkeren.
De belangrijkste vraag is in dit verband deze nl. of de kerk in haar historische verschijning louter een product van menselijke opvattingen, handelingen en beslissingen is (die dan bovendien menigmaal nog foutief waren), zodat het ons vrijstaat zulk een kerk, ook al stamt zij uit de Hervorming of liever al werd zij in de Hervormingstijd de her-vormde, de opnieuw gevormde kerk van Christus, willekeurig prijs te geven. Als het alleen ging om òns werk in die kerk, als die kerk inderdaad alleen maar ònze kerk zou zijn, dan zou een plechtige gelofte bij de geloofsbelijdenis misplaatst zijn. Dan zouden zij gelijk hebben, die zeggen, dat wij mensen niet moeten blijven vechten om ònze stellingen.
Maar het wordt anders, wanneer wij overtuigd zijn, dat God ook met die zichtbare kerk te maken heeft. Zijn hand gaat ook over de geschiedenis van Zijn gemeente op aarde. Het staat daarom niet aan ons reformaties ter hand te nemen. Het is niet aan ons de betekenis van de zichtbare kerk in ondankbaarheid te laten vervluchtigen en in naam van de gemeenschap der heiligen, die een geloofszaak is, te streven naar een eenheid van kerken, waarvan de eenheid meer een kwantitatieve, dan een kwalitatieve is, meer een rekenkundige eenheid, dan bepaald door de eenheid van de Waarheid Gods.
Onze tijd heeft de neiging alle gevestigde orden niet alleen aan critische vragen te onderwerpen, maar die ook te laten vallen. Critische vragen vanuit een ernstig Bijbelonderzoek mogen en moeten we stellen. Te beginnen bij onszelf. Maar zo lang de gouden draad van Gods bemoeienis met verloren mensenkinderen nog loopt door deze kerk der Hervorming, daarin dat Hij ons de ruimte geeft om Zijn Wet en Zijn Evangelie onverkort te verkondigen en daaromheen te vergaderen, zo lang blijven wij ons aan dèze kerk verbonden gevoelen. We mogen bidden en werken, opdat God de Here haar herstelIe tot een eendrachtig en waarachtig getuige van Zijn waarheid en Zijn heil. En wij vragen: Here, laat niet varen de werken Uwer handen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's