Ten derde dage wederom opgestaan van de doden
I
De verkondiging van de opstanding van Jezus Christus is van centrale betekenis in het leven van de Kerk; de opstanding van Christus is één van de stukken, waarmee de Kerk staat en valt, één van de machtige pijlers, waarop het gebouw der zaligheid rust. In het Nieuwe Testament vormen de uitspraken over de opstanding van Christus het centrum van de prediking. Paulus aarzelt niet te schrijven: Indien wij alleen in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen (1 Kor. 15:19). Indien Christus niet is opgewekt, zo is uw geloof tevergeefs, zo zijt gij nog in uw zonden (vs. 17). Uw geloof tevergeefs, dat wil dus zeggen: zonder waarde, zonder inhoud. Zonder opstanding is de prediking ijdel en waardeloos, nietig en in de grond der zaak een vals getuigenis. Zonder de waarheid en waarachtigheid van de opstanding heeft de Kerk niets meer te vertellen. De kern van het christelijke geloof staat dus bij de Opstanding van Christus op het spel. Zónder dat zijt gij nog in uw zonden en om zondevergeving en herstel van de betrekking met God onze Schepper gaat het. Het beslissende is de verzoening met God en de overwinning van de dood. Zonder de prediking van het onbegrijpelijke en onvoorstelbare van het wonder van de opstanding is er geen zaligheid, geen enkel uitzicht; dan is de mens in vreze des doods gedurende zijn gehele leven en hij blijft in die vreze. Als er geen opstanding is, wel zegt Paulus, dan blijft alleen maar over de levenshouding van de mens, die zegt: Geniet van het leven, haal er uit wat er uit te halen is, want morgen kan het misschien niet meer (Jes. 22:13). Een mens leeft toch maar eens! Hij is maar één keer jong enz. Maar nu, Christus is opgestaan en dat maakt het leven geheel anders. Die toekomst, waarheen Gods gemeente leeft, beheerst het heden van elke dag.
Opstanding is een artikel uit de geloofsbelijdenis der kerk
De natuurlijke mens neemt deze prediking niet, vroeger niet in de dagen van de Sadduceeën, die van geen opstanding wilden weten; zelfs in de gemeente van Corinthe schudde men zijn hoofd als het over de opstanding ging. De Atheners lachten er een beetje om, toen Paulus daarover sprak (Hand. 17:31v). En vandaag neemt men het ook niet; men leeft bij het zichtbare en zienlijke; men leeft voor dit leven en tracht over het getuigenis des harten heen te leven, dat wel anders zegt! Nu ja, dokter, als u zich soms vergist, zei de man aan de vooravond van een ernstige operatie, dan zal ik rust hebben, eindelijk. 'Bent u daarvan zo zeker?', antwoordde deze. En hij had gelijk; legde eigen innerlijke onrust door zijn opmerking bloot. Pasen, ja, dat spreekt van de verleving van de natuur en als wij daarover spreken, dat wordt aanvaard, wij gaan de mooie tijd van de zomer tegemoet. De zangtijd genaakt en de bloemen worden weer gezien in het land. Maar als wij tot de zaak waar het om gaat komen, dan zegt men eerder, dat men niet meer in sprookjes gelooft, dat een ander maar in fabels moet geloven. Allemaal valse getuigen, Johannes en Paulus, en de gehele Kerk daarna; dat zegt men liever. Maar, zegt Paulus, dan zouden wij valse getuigen zijn, valse getuigen van God, of ook valse getuigenis 'tegen God in'. Maar nu, — Christus is opgestaan! Het is de juichkreet van de Kerk, die delen mag in de victorie van haar Koning!
De Evangelisten zijn sober in het weergeven van bijzonderheden van geboorte en dood, van sterven en opstanding van Hem, die naar de eeuwenoude belijdenis der Kerk waarachtig God en waarachtig mens is. Hoe terughoudend zijn zij in de opstandingsverhalen over het gebeurde in het graf, op de morgen van de Opstanding. Er is niemand bij geweest, als Christus uit zijn graf ging en de poort van zijn graf door zijn boden geopend werd. De apostelen zijn geen ooggetuigen geweest van het grote heilswonder Gods, dat Hij wrocht in de opwekking des Heren. Maar de apostelen waren wel getuigen! Getuigen van het lege graf, van de verschijning van de Here zelf, die zij ontmoet hebben tot hun onuitsprekelijke verwondering en blijdschap. Hij leeft en deze ervaring heeft niemand hen ooit kunnen ontnemen, is ook niet door niets te vervangen, is vaster en geeft meer zekerheid zelfs dan een verstandelijke redenering en een uiterlijk bewijs. Op een bepaalde wijze kan men wel spreken van de weerloosheid van de gemeente in haar verkondiging in een wereld, die naar bewijzen vraagt. Gaat het bij de opstanding van Christus om een historisch feit? Ja of neen? Bewijs het en ik zal het geloven, zegt men. Maar ga dan eens terug naar het Kerstgebeuren. Er is wel een tijd geweest, dat zelfs theologen de waarheid van de geboorte des Heren hebben ontkend. Die periode is wel voorbij. Het is niet te bestrijden, dat Jezus van Nazareth heeft geleefd. Is men nu een christen, als men dit erkent? Neen, Kerstfeest vraagt geloof, dat deze Jezus de geboren Zaligmaker is. En de zaligheid is in geen ander (Hand. 4:12). Een christen is een gelovige.
Wie het historische feit aanvaardt, dat er een mens wederkeerde uit de dood, de mens Jezus Christus, is daarmee geen christen. Pasen vraagt geloof. En dat is het bewijs der zaken, die men niet ziet. De Kerk wandelt door geloof en niet door aanschouwen.
Eenstemmig getuigenis der Schrift
In de Schrift vinden wij een eenstemmig getuigenis over des Heren verrijzenis. Hij is opgestaan naar de Schriften. Christus zelf heeft er van gesproken. Mrc. 8:31; 9:31, Joh. 2:19. En daarbij wordt het Kruis nooit losgemaakt van de Opstanding, noch ook wordt de verheerlijking des Heren ergens gezien zonder in directe samenhang met het lijden. Na de hemelvaart wijst Petrus op de ledige plaats in de kring der apostelen na de dood van Judas. Het is nodig, dat van de mannen, die met ons omgegaan hebben al de tijd, in welke de Here Jezus onder ons in- en uitgegaan is ... één derzelve met ons getuige worde van Zijn opstanding (Hand. 1:21v). Getuigen worden van Zijn opstanding. Dat was Petrus op de Pinksterdag: Deze Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn. Welken God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzo het niet mogelijk was, dat Hij van de dood zou worden gehouden. Het kòn niet anders; hier wordt de doodklok over de dood geluid. De smarten des doods, dat zijn de weeën, die spreken van het nieuwe leven. En dan welk een leven! Een leven, waarop de dood nooit meer vat zal hebben! Deze heeft God opgewekt ten derden dage en gegeven, dat Hij openbaar zou worden, niet al den volke, d.w.z. niet aan het gehele volk, maar de getuigen, die van God tevoren verkoren waren, ons nl., die met Hem gegeten en gedronken hebben nadat Hij uit de doden was opgestaan, Hand. 10:40v.
Het getuigenis van de opgestane Here staat in het middelpunt van de prediking vóór Paulus, bij Paulus en na Paulus: Dit is het woord der prediking des geloofs, dat wij prediken: indien gij met uw mond zult belijden den Here Jezus en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zo zult gij zalig worden, Rom. 10:9v.
Het ledige graf
Maar is de prediking van het lege graf niet een genoegzaam bewijs van de opstanding? Alle vier evangeliën spreken inderdaad van het ledige graf op de eerste dag der week, op Pasen. En dat is geen verhaaltje, geen mythe, waarachter wel een of andere waarheid zou schuilen, maar betrouwbaar verslag van wat door de oudste christenen is gezien en ervaren. Evenwel is door de ontdekking van het ledige graf zonder meer niemand tot geloof gekomen. Het Sanhedrin heeft niet ontkend, dat het graf op de eerste dag ledig was, maar een verklaring had men al heel gauw bij de hand, een dwaze, in zichzelf tegenstrijdige verklaring. En velen hebben dit geloofd! Gods boodschap niet geloven. Maar de boodschap van onbetrouwbare mensen gelooft men grif. Ook vandaag geloven velen kunstig verdichte fabelen (mythen), maar het Evangelie van Christus gestorven om onze zonde en opgewekt om onze rechtvaardigmaking kan geen genade vinden in de ogen van de natuurlijke mens.
Gods daden zijn niet demonstreerbaar; het zijn geen bloot constateerbare feiten. Ik kan aan niemand bewijzen, dat de Here op het gebed wonderen heeft gedaan. Maar Gods daden vragen om een antwoord, om geloof. Het wonder van Lazarus' opwekking uit de doden heeft vele reacties teweeggebracht: Velen uit de Joden geloofden in Hem, maar anderen hebben hun hart verhard in ongeloof. Daar moet toch wat aan gedaan worden, riepen zij. Zo gaat het niet langer want deze mens doet vele tekenen, Joh. 11:45vv.
Ledige graf een teken
Het ledige graf deed het niet. De vrouwen wenen daar, waar het lichaam des Heren heeft gelegen. Zij waren twijfelmoedig en in grote verlegenheid als zij het graf ledig zagen, Luc. 24:5v. Marcus spreekt van de grote ontzetting bij de vrouwen; zij waren geheel van hun stuk gebracht, ondersteboven van wat zij zagen en zij durfden over wat zij hadden gezien en gehoord niets te zeggen, zozeer had vreze en siddering hen bevangen, Marc. 16:6, 8. En bij het ledige graf klaagt Maria: Zij hebben mijn Here weggenomen en wij weten niet, waar zij Hem gelegd hebben. Zij weet geen raad met het ledige graf, Joh. 20:1v. En Petrus? Hij bukte zich en ging het ledige graf in en hij verwonderde zich over hetgeen schied was, Luc. 24:11. Het gonsde van geruchten die eerste dag. Men haalde de schouders op over wat vrouwen vertelden; 'ijdel geklap' Luc. 24:11. Het graf was wel leeg, maar Hem zagen zij niet; en om de ontmoeting met de opgestane Christus gaat het. Buiten het Woord Gods om weet men met het ledige graf geen raad. Het ledige graf is wel een teken en daarom vertoeft de Kerk des Heren in de geest gaarne daar. Maar het blijft een teken, dat omhoog en naar de levende Christus wijst. De engel des Heren zei tot de herders in de velden van Efratha: Dit zal u het teken zijn: Gij zult het kindeke vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe, Luc. 2:12. De doeken en de kribbe teken van Christus' vernedering. En hier in de opstandingsgeschiedenis is het ledige graf teken van de verheerlijking van Christus. Elk wonder is een teken (denk aan het Evangelie van Johannes) en elk teken vindt in het Woord zijn betekenis! 'Die genade heeft God ons bewezen, dat Hij Zijn werken en de schat, dat wij heer over de duivel zijn ons in het Woord heeft gegeven en samengevat. Wie Hem elders zoekt zonder Woord, die zal hetzelfde vinden als de vrouwen en de jongeren, nl. het ledige graf. Dan is Christus nog altijd dood en weggenomen en dan zullen wij Hem in eeuwigheid niet vinden noch zien. Daarom eer de Schrift. Niemand matige zich aan iets van Christus te verstaan behalve dan door het Woord Gods' (Luther). Het is het Woord, dat de twijfel overwint en het ongeloof verdrijft. Als Christus zelf in de kring der discipelen verschijnt is de eerste reactie vrees en verschrikking, ontroering en verwarring, die Hij zelf wegneemt, die Hij alleen kan wegnemen: Waarom zulke overleggingen? Zie, Mijn handen en Mijn voeten, want Ik ben het zelf! En Hij opende hun verstand, dat zij de Schriften verstonden. Alzo is er geschreven en alzo moest de Christus lijden en van de doden opstaan ten derde dage, Luc. 24:45v; h. 24:25vv. Jezus zelf spreekt hier over Kruis en Opstanding met de Schrift in de hand, zoals ook tevoren (Luc. 9:22, 18:31 enz.).
Om het Woord gaat het en niet om het ledige graf, dat zonder meer niet tot geloof brengt. En klopt dit dan wel met wat wij lezen van Petrus en Johannes in Joh. 20:8, 9? Toen ging ook de andere discipel (Johannes) er in die het eerst tot het graf gekomen was en zag het en geloofde; want zij wisten de Schriften, dat Hij van de doden moest opstaan. In het ledige graf gaat het licht van het Woord voor Johannes op; het Woord komt blijkbaar bij hem boven. Het ledige graf is voor hem geen vraag van lijkenroof door vriend of vijand, maar een teken; Hij is hier niet. Hij is opgestaan. 'Dikwijls hadden zij uit de mond van Christus gehoord, wat zij toen met de ogen aanschouwden, maar het was hun ontgaan. Nu echter, door de aanschouwing van iets nieuws gewaarschuwd, bespeuren zij iets van de Goddelijke heerlijkheid van Christus, al was het nog verre van een zuiver en klaar geloof. Zo beschuldigt Johannes zichzelf, als hij erkent, dat dit voor hem een beginsel van geloof is geweest, als hij de tekenen van Christus' opstanding aanschouwde. Zo vergroot hij eigen schuld en die van zijn broeders, dat zij niet alleen geen acht geslagen hadden op de woorden van Christus, maar dat zij zich niet aan de Schriften hadden gehouden. En daaruit kan de nuttige vermaning worden afgeleid, dat onze traagheid de oorzaak is van onze onwetendheid van die dingen, die wij van Christus konden en moesten weten. Omdat wij niet zijn gevorderd in de Schriften, die de deugden van Christus klaar openbaren en ontdekken.' (Calvijn).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's