Met geen woord
Toen zei Pilatus tot Hem: Hoort Gij niet hoeveel zij tegen u getuigen? Maar Hij antwoordde hem niet op een enig woord, zodat de stadhouder zich zeer verwonderde. Mattheus 27:13—14
Pilatus, de stadhouder, staat er versteld van: Een beklaagde, die er het zwijgen toe doet. Terwijl de aanklagers zich alle moeite getroosten om aan hun beschuldiging kracht bij te zetten. Dat heeft hij op dit plein wel anders meegenaakt. Wat heftige tonelen speelden zich hier af; het geschreeuw over en weer ontaardde soms in een vechtpartij. Zó stil hield zich geen beschuldigde. Toen zei hij tot Hem: Hoort Gij niet hoeveel zij tegen u getuigen? Hij zegt het wat geërgerd. Het is toch zaak de aanklachten te weerleggen. Bovendien past Pilatus graag hoor en wederhoor toe; dan moet Jezus meewerken.
Toe, maak het mij wat gemakkelijker om u vrij te spreken; stelt u daar geen prijs op? Wat hebt u met dit zwijgen voor, dat ook mij gaat benauwen? Hoort Gij niet? Stel u voor, een beklaagde, aan wie ordeverstoring en hoogverraad ten laste gelegd wordt, en die niets tot zijn verdediging aanvoert, ook desgevraagd niet. Want Jezus verandert niet van houding: maar Hij antwoordde hem niet op een enig woord — op geen enkele vraag — zo dat de stadhouder zich zeer verwonderde. Wij verwonderen ons met hem. Het is voor Christus ten hoogste gewenst dat Hij spreekt. Hij zwijgt echter, nadrukkelijk en hardnekkig.
Wat vreemd, wat verwarrend. Wij worden iets van de hoogheid van Christus gewaar. In de strakke stilte, trilt het geheim van Zijn borgtocht. Nooit heeft iemand zo gesproken als deze mens, had de schare vroeger eens gezegd. Nu moeten wij zeggen: Nooit heeft iemand zo gezwegen als deze mens. In spreken en in zwijgen is Hij de Knecht des Heren, die weet wat er aan de orde is. Het is het uur van Zijn lijden en daarom van Zijn zwijgen. Hij staat immers zwijgend tegenover God.
Zo stoten wij door tot de achtergrond van dit rechtsgeding. Dat is tegelijk tot de grote angst en de grote troost van Jezus' lijden en sterven. Wij behoeven dit zwijgen niet te verklaren; onze verklaring doet niet eens ter zake. Hier wordt ons iets geopenbaard, dat hierop neerkomt: tot het plaatsvervangend lijden behoort ook het plaatsvervangend zwijgen. Nog altijd klopt het hart van de verzoening in de plaatsvervanging. Wil iemand de plaatsvervanging schrappen, dan ook de verzoening door het bloed, dan ook het kruis van onze Here Jezus Christus, waarin wij roemen.
Als Jezus zwijgt, dan doet Hij dat in hoger beroep, in het gericht van God. Hij zwijgt hier, omdat de zonden Hem worden toegerekend, omdat de aanklachten die tegen ons lopen, op Hem aanlopen. Daar is Hij Jezus voor, het Lam Gods, de laatste Adam. Adam, waar zijt gij? Hebt ge van de boom gegeten? Adam, op heterdaad betrapt, wordt ter verantwoording geroepen. Wat antwoordt Adam? Legt hij een volledige bekentenis af? Verre van daar. Hij verdedigt zich; hij waagt er zijn vrouw aan, hij wringt zich in allerlei bochten om zich te verontschuldigen. Adam, zwijg toch! Maar Adam zwijgt niet; dwaze mens.
Nog eens de stem: Waar zijt gij? Hier ben ik. Beladen met de schuld van heel het menselijk geslacht. God spant de vierschaar; Christus moet vóórkomen; de aandacht wordt ter Zijner kennis gebracht. Nu wordt het spannend, het paradijs is in het geding. Wat antwoordt Jezus? Dat God de verkeerde voorheeft, dat anderen overtraden. Dat Hij niets misdeed, dat heel dit lijden op een misverstand berust. Hoe verleidelijk. De zitting wordt geschorst. Na korte beraadslaging is het hof van oordeel, dat beklaagde van alle rechtvervolging is ontslagen. Eén woord slechts.
Met geen woord. Hij neemt het dus op zich. Zeker de Here heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. Hij laat het op Zich aanlopen; welnu, dan moet het recht zijn loop hebben, het heilig recht des Heren. Christus wordt veroordeeld. Het doodvonnis, dat over Adam en al zijn nakomelingen werd uitgesproken, wordt aan Hem voltrokken. Dit zwijgen is de weg naar het kruis en naar de vloek en die weg slaat Christus welbewust in.
Toeschouwers ingerukt! Nee, u moet zich niet onder gestommel en gemompel uit de voeten maken, dat niet. U moet geen toeschouwer blijven! U kreeg toch de dagvaarding thuis gestuurd? Wat deed u er mee? U moet voor Gods rechterstoel verschijnen, daar wordt van ons allen rekenschap gevraagd, punt voor punt. Als we dit evangelie lezen dan worden wij als het ware voor de rechterstoel gedaagd. Toen Job's zaak vóórkwam zei hij: Hoe zal een mens rechtvaardig zijn voor God; niet één uit duizend zal hij Hem antwoorden. De wet klaagt ons aan, en het geweten moet haar gelijk geven. De rechter vraagt: Hoort gij niet hoeveel zij tegen u getuigen? Ik hoor het terdege, het gonst in mijn oren, het scheurt door mijn hart. Denwelke, zo ik rechtvaardig ware, niet zou antwoorden; mijn Rechter zal ik om genade bidden. Doet het bijtijds. Doet het nu. Denkt niet, wat zal ik antwoorden? Ik zal wat bedenkselen en bedekselen aanvoeren; ik zal mijn deugden naar voren brengen, of geloften doen, of ... zwijgen.
Zwijgen is er voor zwichten. Het oordeel van God aanvaarden. En dan? O, die stilte die valt, als wij geen antwoord meer weten en vinden. Dat is nu net de stilte waarin deze Jezus het woord neemt. Hij antwoordde niet voor Pilatus. Hij spaarde zijn woorden voor later. Hij dient de aanklagers van antwoord. Wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus de rechtvaardige. Die Voorspraak is onze vrijspraak. Hij verdedigt schuldige zondaren, niet met het hunne, maar met het Zijne. En zij horen het Hem zeggen — de Heilige Geest voert Hem sprekende in — Ik heb verzoening gevonden.
Deze Jezus, geen ander, en Hem niet anders, heb ik nodig. Deze zwijgende Jezus is mijn zielsbehoud. Hij voor mij. Zegt iemand: het komt altijd weer op hetzelfde neer. Hij heeft nog gelijk ook. Hetzelfde is Dezelfde. Deze zelfde Jezus. Zodat we ons zeer verwonderen. Die verwondering neemt toe, naarmate het ons door Woord en Sacrament wordt verzekerd. Wie zich denkt te verdedigen, zal eenmaal verstommen. Wie leerde zwijgen — en we leren het niet van onze vader Adam; dit zwijgen is niet naar het vlees — die hoort Hem spreken. Deze welsprekende zwijger. Met geen woord. Het woord is aan Hèm.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's