Het derde front
Jezus en de opstanding
Toen ik als jong predikant de catechismus ging preken, was het volop oorlog. Het gebeurde niet dat je als deze weken alom geconfronteerd werd met verkiezingsaffiches. Wel hingen her en der, wat heel wat hinderlijker blikvangers waren, aanplakbiljetten met de kolossale kapitaal V van Viktorie en de schallende en zorgwekkende leuze: 'Duitsland wint op alle fronten' als een welsprekende commentaar op het zelfbewuste 'über alles' van het veelgezongen nationale lied.
Wat doe je dan als jonge prediker, wanneer zondag 17 aan de orde is? Je zet als thema boven je preek: Christus wint op alle fronten. Christus immers versloeg op die wonderlijke Paasdag de dood op elke gevechtslinie. Tot onze rechtvaardiging ontnam Hij de eeuwige dood elk beslag, tot onze heiligmaking maakte Hij een eind aan de geestelijke dood door de gave van de beginselen der eeuwige vreugde in het hart en verwon met uitzicht op onze volkomen heerlijkmaking de lichamelijke dood. Met recht mogen we in absolute dankbaarheid betuigen dat Hij uit grote dood heeft verlost, dagelijks verlost en verlossen zal naar onze stellige en goedgefundeerde verwachting. Inmiddels verloor Duitsland waar slechts plaats was voor een nederlaag om aanvankelijk gevierendeeld en vernederd voort te bestaan, maar Jezus Christus is heden en gister en tot in alle eeuwigheid Overwinnaar. Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus. Overheden en machten, satan en zijn leenmannen, die de macht van de dood hebben, heeft Hij ontwapend en publiekelijk te kijk gezet, omdat Hij door Zijn heilzaam kruis over hen had getriumfeerd. Gode zij dank, ja, want Hij doet allen tijd triumferen in Christus.
Mij viel ten deel te schrijven over Christus' heldhaftige zege op het derde front. Zijn verrijzenis is immers een zeker pand van onze zalige opstanding, dus zekerheid van zaligheid. Ik ben me heel wel bewust, dat ik een zwaar onderwerp aansnijd. Dit geloofsartikel ontmoet vandaag, als de dag van gister te Athene, spot en bij anderen de bekende reaktie van later nog eens weer erover horen en nadenken. Een afschuifsysteem is overigens ook niet van de beste. Ik veronderstel dat het niet geringe tal theologen en volgelingen, die moeite hebben met de letter van de eerste hoofdstukken van het boek Genesis, met de opstanding, zowel die van de Verlosser als die van het vlees, ook niet direkt uit de voeten kunnen. Het is een machtig bolwerk voor het geloof, maar tevens een gevangenpoort voor onze gedachten en onze ratio (rede) die wederopstanding van het vlees. We moeten niet lichtzinnig verontwaardigd en verdacht vlot mensen aanvallen, die bezig zijn het massieve geloofsartikel van de lichamelijke verrijzenis te verdampen. We kunnen al te gerust zijn in Sion. Terecht zei de apostel: Wordt het bij u ongelofelijk geoordeeld dat God de doden opwekt? Het is, wanneer we ons de realisering proberen in te denken toch inderdaad wel een uiterst ongelofelijke aangelegenheid. We zijn echter toch maar ingescheept met het Evangelie van Jezus en de opstanding. Het is heel wat te zeggen, dat we zo waar als we tot een handjevol stof zijn gereduceerd, we met een verheerlijkte en vernieuwde ziel, lichaam en geest op een nieuwe aarde en in een nieuwe hemel zullen verkeren. Het is de reuk van het kennen van de Heere Jezus, waarmee we een samenleving aromatiseren. Het behoeft ons niet te verbazen, dat het Nieuwe Testament de kwaliteiten en perspektieven van de lichamelijke opstanding breed uitmeet.
Een andere vraag luidt of de gelovigen, die van verre reikhalzend uitzagen en omhelsden, dit bijzondere heil in alle duidelijkheid hebben gekend. Veelvuldig zijn de klachten, dat het duister graf God geen lof toebrengt en dat het stof geen juichkreet aanheft. Toch zijn er ook andere getuigenissen. Ik denk aan een enkele psalm, en aan o.a. Jesaja 26 om een hoofdstuk te noemen. De doden zullen leven, ook mijn dood lichaam, mijn lijk om heel concreet te wezen. Het Oude Testament is een licht schijnende naar de volle dag van de verschijning van de Zoon van God. Ik zou willen spreken van het Johanneïsche van het Oude Testament en daarmee bedoel ik wat we in Joh. 3 en Joh. 9 bijvoorbeeld aantreffen: een geleidelijk klimmende lijn naar de top van de volle kennis van het heilgeheim. Het midden in de dood moet beleefd om het wonder van de opstanding in alle luister te laten opdagen. Bovendien moeten we niet gering denken van het verborgen potentieel — wat slechts als mogelijkheid bestaat of aanwezig is — onder het Oude Testament. Christus heeft een sterk staal gegeven in zijn meesterlijke weerlegging van de stelling van de Sadduceeën, dat er geen lijfelijke opstanding zal zijn. Hij wijst op de woorden, waarmee God Zichzelf bekend maakt: Ik ben de God van Abraham, Izak en Jacob. Dat impliceert, aldus de Heere Jezus, dat deze mensen leven, want God kan geen God van dode mensen wezen. Zij leven Hem allen. Op gezag van Christus geldt dit tot rijke troost, maar niemand van ons zou daarop gekomen zijn. Wie weet hoeveel rijkdommen er in het Oude Testament niet opgeslagen zijn? Ik veronderstel, dat de heiligen van de oude dag bij geloofsintuïtie meer hebben gekend en genoten dan we thans langs intellectuele weg kunnen reconstrueren. Ik meen wel, dat het een verschraling is, wanneer we met allerhande theologische scholen op de rationele toer gaan. Het gelovige hart is van overoude dagen eigen en onvermoede wegen gegaan. Ik geloof dan ook niet in een Parsistische injektie van het Oude Testament, wanneer we de eschatologische elementen van het eerste gedeelte van de heilsopenbaring bespreken. Overigens is het in het O.T. wat deze dingen aangaat als op de dag van de opstanding zelve: aanbidding en twijfel.
* * *
De opstanding van Christus uit het graf is een profetisch paradigma (voorbeeld) en, zoals de catechismus met volste recht definieert, onderpand. Het woord arraboon — pand, voorschot — is een echt bijbels woord. Het is een begrip! Pand is een prestatie vooraf die tot veel groter en verstrekkender prestatie verplicht. In de opstanding van Christus uit de doden heeft God zich onlosmakelijk gebonden om al de gelovigen op te wekken tot hun zaligheid. God heeft Christus opgewekt en zal ons, die in Hem geloven ten eeuwige leven, opwekken.
Het is ons heel wonderlijk te moede, wanneer we na jarenlang verblijf in verre werelddelen allernaaste familie in levende lijve weer voor ons zien. Veel ontroerender nog moet het zijn, wanneer betreffende persoon lang was doodgewaand. Leeft Jozef, sprak vader Jacob. De geest van Jacob, hun vader, werd levendig. De kracht der opstanding wekt leven in velerlei opzicht. Christus wint immers op alle fronten.
Het baart echter geen verwondering, wanneer ten aanzien van dit Godswonder de puur menselijke vraag opkomt, die eens Maria in andere doch soortgelijke situatie uitte: Hoe zal dat wezen? In 1 Cor. 15 gaat Paulus uitvoerig op deze vraag in. Gij dwaas, horen we Paulus zeggen. Juist wanneer we uiterst verstandelijk de problematiek benaderen maken we ons rijp voor de typering: dwaas die je bent. Het zal een geestelijk lichaam zijn dat wordt opgewekt. Toch een lichaam. Kwaliteiten mogen erbij komen, maar het blijft: dit ons vlees.
De Schepper handhaaft via het verlossingswerk van Zijn eniggeboren Zoon wat Hij geschapen heeft. Het verbaast, dat instanties die naar ons besef elkaar gemakkelijk uitsluiten te weten Geest en vlees juist volstrekt op elkaar zijn aangewezen. Het is uitgerekend de Geest, die het wonder van herschepping ten uitvoer legt. Gods werken van verlossing zijn veel geestelijker dan wij ons gewoonlijk kunnen indenken, maar tegelijk en evenzeer veel vleselijker, veel stoffelijker.
Wij willen in onze opvattingen en geloofspractijken nog al eens uitwijken. Vaak gooien we het veel te veel over de geestelijke boeg, zodat we vergeten hoezeer God voor de voleinding dit mijn vlees en dit mijn lichaam bedoelt, al is het graf voorlopig het voorland. Christus, wiens verrijzenis een ontwijfelbaar onderpand is, legt daarop ook een zwaar accent, wanneer Hij eet voor de ogen van Zijn discipelen om hen te overtuigen dat hij geen geest is. Het is minder spiritueel dan vele hooggestemde lieden graag zouden willen. Vele ontwikkelingen slaan vaak van het ene uiterste om naar het andere. We doen dat in onze slaap en de wereld dood in zonde en misdaad doet dat. Het vraagt geen uitvoerig betoog, dat we met ons horizontalisme en benadrukken van lichamelijkheid en het hiernumaals geen ernstig gevaar lopen de beschuldiging van overgeestelijkheid te ontlokken. Het Evangelie is als in de symboliek van de vierde evangelist een adelaar, die zich verheft op twee vleugelen namelijk die van de zuivere geestelijkheid en die van de concrete vleselijkheid en daarom hebben wij die tot alle eenzijdigheid geneigd zijn immer ongelijk, omdat het werk Gods tegelijk geestelijker en vleselijker is dan wij ons kunnen indenken en voorstellen.
Trouwens de zaligheid, waartoe de opstanding entree verleent, is dezelfde als die waarvan gezegd wordt: Geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord. Het gaat het meest kloeke begrip te boven. Onuitsprekelijk heil. Het kan ons soms wel eens een klein ogenblikje pakken en vasthouden, dat na verloop van jaren en na voorbijgang van tal van geslachten en geslachten ineens iemand leeft en bestaat, die ik ben. Is het niet onbegrijpelijk en onverklaarbaar dat ik ik ben? Zo maar een poosje op aarde. Wat haat en wat liefde. Ditjes en datjes. Laat ik wel haastig voortmaken om uit te vinden waar ik vandaan kom en waar ik naar toe ga. Ik heb slechts enkele ogenblikjes. Het is vreemd en onvoorstelbaar, dat na wie weet hoeveel jaren en eeuwen, na tal van geslachten ik er weer ben met lichaam en ziel. Uit de dood herboren. Want Christus, aan wiens lichamelijke verrijzenis aller opstanding is opgehangen, heet de Eerstgeborene uit de doden. Het is een wonderlijke en bij levendig nadenken aangrijpende voorstelling, dat ik er straks en dra weer zijn zal na mijn dood. Het bij mensen onmogelijk en mogelijk bij God geldt ook deze geboorte uit de doden. In feite is eigenlijk de inzet van onze geloofsbelijdenis, van ons credo: Ik geloof in God definitief voor elk artikel dat volgt, hoe dan ook. Ik geloof in God, de Almachtige. Het zal wonderlijk wezen weer ziel en lichaam te zijn in de toekomst, maar ook nu is het wonderlijk er zo te zijn.
De tekst Handelingen 4:2 met name de woorden: in Jezus de opstanding uit de doden vindt diverse uitleg. Men kan beluisteren dat Christus als Bewerker zal optreden. Ook denken aan Zijn opstanding, tout court, zonder meer. Misschien mogen we ook vermoeden dat in Hem, in Wien alle heil en eer is geïnvesteerd, de garantie, het begin en de kern te vinden is van de toekomstige opstanding ten eeuwigen leven voor al de gelovigen. Als we Jozef in Egypte horen spreken, horen we daardoorheen en daaroverheen Christus spreken: God heeft mij voor ulieder aangezicht heengezonden om u een overblijfsel te stellen op de aarde en om u bij het leven te behouden door een grote verlossing.
Het geloof in de verrijzenis legt verplichtingen op. Ook al moet het lichaam het graf passeren, dat ontslaat ons niet van de opdracht om evengoed dat lichaam rein te bewaren tot de komst van Christus. We mogen de leden niet associëren aan de sex (lees hoererij), zoals tegenwoordig op allerlei wijze gebeurt. We mogen niet à la de wederdopers menen, dat de opstanding reeds heeft plaats gehad en dat we zo bloot kunnen als we maar willen. De tragische blootganger grijpt vooruit op het volmaakte heil en is bovendien revolutionair, want hij wil het heil niet uit Christus' handen ontvangen. Paradijszonde was willen zijn als God. Zonde van nu, als variatie van hetzelfde kwaad, is willen zijn als Christus. Velen zijn tegenwoordig christus niet christen. Tenslotte betekent de opstanding van het vlees een resolute afwijzing en afkeer van de crematie. Voor de realist is het schouwspel van het verterend graf afgrijselijk, maar voor het realisme van het geloof is het graf toch een slapend Hem verwachten.
Hoe zal dat wezen? Stellig, de kracht van de Allerhoogste moet er aan te pas komen en de Heilige Geest moet vaardig worden. Kom, Schepper Geest en blaas. Het is nog niet geopenbaard hoe en wat we zijn zullen, maar we zien alvast Christus met eer en heerlijkheid gekroond. Gods kind heeft Christus in het hart, Christus door het Woord in het oor, Christus voor het oog. Jezus en de opstanding. Jezus, dat is bij uitstek zijn mensennaam.
De ongelukkige wereld zegt: Ik heb de pest aan de dood of iets dergelijks op wat fijner manier, maar Gods gemeente getuigt: dood, waar zijn uwe pestilentiën?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's