Van feit tot feest
Pasen
II
Als we komen van het feit tot het feest, staan we voor de vraag: welke band is er tussen beide, tussen de opstanding van Christus en de blijdschap van al de Zijnen, die Hem als hun Heere belijden en eren?
Tussen deze twee, feit en feest, is er een hechte band. Altijd is de levende Christus de bron, de oorzaak van het feest voor de gelovigen. Zo lezen we dat de discipelen verblijd werden (op de opstandingsdag) als zij den Heere zagen (Joh. 20: 20). De jongeren waren diep bedroefd geweest toen zij hun Meester zagen lijden en sterven aan het kruis, maar hoe innig werden zij verblijd toen zij hun Meester weer zagen als de levende! Het ging hen om Jezus uit liefde en liefde kan alleen maar leven uit de Levende.
Daarmee is meteen ook gezegd dat Christus niet alleen de vreugde geeft maar ook dat Hij de blijdschap is. Door Hem is er het feest en tegelijkertijd is Hij het feest. De ware vreugde is de blijdschap der liefde van en tot Jezus en zij verlustigt zich in de Geliefde, de Levende.
Zo is er een nauw verband tussen het feit en het feest van Pasen. Maar dat wordt nog verder gezien als wij bedenken dat Christus opgestaan is om aan al de Zijnen Zijn gaven en schatten deelachtig te maken. Hij geeft al wat Hij heeft. Daar zorgt Hij zelf voor en daar staat Hij voor in, dat zij met Hem zullen leven. Ik leef en gij zult leven (Joh. 14:19). Deze vaste troost vloeit voort uit Zijn volbrachte werk. Hij is de overwinnaar van Satan, dood en hel en wat kan en zal Hem verhinderen in de uitvoering van Zijn heilswerk? Christus zelf heeft Zich daarover verheugd en Hij wist, dat niemand de Zijnen uit Zijn hand zal rukken. Die Hij eenmaal gegrepen heeft, houdt Hij eeuwig vast.
Het feest is dus in Hem zeker. De bruiloft des Lams komt en dan zal er eeuwige vreugde zijn op de hoofden van allen, die Hem als de Opgestane hebben liefgehad.
Pasen geeft dus een levende hoop. Alles wat wij door het geloof van Christus verwachten, is een gegronde, een levende hoop. Hij zal beslist uitvoeren wat Hij heeft verworven en beloofd. Het is volbracht en Hij volbrengt Zijn heilsplan als de Heere der heerlijkheid.
Daarom is de band tussen Pasen als feit en als feest geen twijfelachtige zaak, maar een band, die nooit meer breken kan. Het feit van Pasen is zeker: de Heere is waarlijk opgestaan. Het feest van Pasen is even zeker. De verwachting van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waarop gerechtigheid wonen zal, is gegrond niet op een vrome wens of een schone droom van ons, maar op de levende Christus, die de wereld overwonnen heeft en gerechtigheid heeft aangebracht. Het leven uit deze verwachting door het geloof is een heimwee naar Christus met het gebed: Maranatha, kom, Heere!
Pasen geeft feest uit de Vorst des levens, uit Wien alle zegeningen voortvloeien voor tijd en eeuwigheid, zegeningen, die Hij Zelf uitdeelt in wijsheid en liefde, naar Zijn welbehagen. Het feest is er, als Hij het geeft en zo dikwijls Hij het ons toedeelt. Dat make ons bescheiden en biddend werkzaam. Al deze dingen zijn uit God (2 Cor. 5:18). Die wetenschap kan ons ootmoedig stemmen en toch sterk maken in geloof en hoop.
Zullen wij dan klagen omdat het niet alle dagen feest is en als we zo vaak in de duisternis wandelen moeten? Wij hebben zelf het licht gedoofd en verdienen het licht niet! Maar de Heere weet wat we nodig hebben en wat ons toevertrouwd kan worden. Dat is nog niet zo heel veel. Zullen we ons niet eerder en meer erover verwonderen moeten, dat Hij het licht en het leven is, dat Hij de getrouwe is en dat Hij ons de vreugde geeft op Zijn tijd, als Hij met het licht des levens ons hart verwarmt tot de ware vreugde?
Het feest is de rijke vrucht afdalend uit de levensvorst Christus. Het feest is Zijn gave.
Toch schrijft Paulus: verblijdt u in den Heere te allen tijd; wederom zeg ik: verblijdt u (Filipp. 4:4). We vragen ons af: hoe kan Paulus de opdracht tot blijdschap geven, als de vreugde een gave Gods is?
Vergeet nooit dat God de blijdschap geeft door middel van Zijn Woord. Paulus wekt ons op tot de blijdschap in de Heere door de overdenking van Zijn Evangelie. De zegen van het voedsel is ook een gave Gods, maar die ontvangen wij niet vóór maar door het gebruik van het voedsel als levensmiddel. Zo kunnen wij de vreugde in de Heere genieten als een gave Gods, als wij het Evangelie van Gods genade, het woord der verzoening, biddend overdenken. Dan gaan vaak de schatten van het Woord open en verblijden we ons in den Heere. Daarom mag Paulus ons opwekken: verblijdt u in den Heere te allen tijd, want die oproep houdt in dat het aan blijdschap in den Heere maar al te vaak ontbreekt, maar dat er in den Heere redenen genoeg zijn om ons tot de vreugde te verheffen, afgezien van alle omstandigheden, zodat de blijdschap geen schaars goed is voor een ogenblik, maar een gave te allen tijd.
Is het niet een reden tot innige blijdschap en zalige verwondering, als we overdenken mogen, dat Christus opgewekt is om onze rechtvaardigmaking (Rom. 4:25)?
Hij heeft de vrijspraak (dat betekent het woord rechtvaardigmaking hier) voor Zijn ganse volk bereid door het offer van Zijn leven en daarom heeft God Hem uit de doden opgewekt. We mogen op Pasen zingen: de schuld uws volks hebt Gij uit Uw boek gedaan, ook ziet Gij geen van hunne zonden aan. De opstanding van Christus is het bewijs, dat God gaf aangaande de volkomenheid van Christus' Middelaarswerk. Daarom is God, die om onze zonden een vertoornd rechter moest wezen, om Christus' wil en in Christus een verzoend Vader.
Daarom kon de schrijver van de Hebreeënbrief zijn lezers aansporen, ziende op de grote Hogepriester, Christus Jezus: laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen en genade vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd (Hebr. 4:16). De vrijmoedigheid, hier bedoeld, wordt niet geput uit onze moed en wordt niet bepaald door ons zelfvertrouwen. Verre ervan. Zij ontvangt de moed uit Christus Zelf, de grote Hogepriester, door Wien de troon Gods een genadetroon is geworden en is. Hij is de Hogepriester, die behoorlijk medelijden kan hebben met onze zwakheden. Daarom weet Hij wel wie wij zijn als wij tot Zijn troon naderen.
Wat kan ons dan weerhouden in het toegaan tot Zijn troon? Er is in ons alles aanwezig als redenen om niet te gaan. Onze zonde en doemwaardigheid zijn groot genoeg om ons alle moed te benemen in het toegaan.
Hoe lang kan het duren eer we gaan, omdat wij de moed willen putten uit onze gerechtigheden, werken, gebeden, gestalten en goede voornemens. We zijn nog te goed om te gaan en we hopen nog eens zo geschikt te worden, dat we gaan durven. Dan kennen we onszelf nog niet en we verstaan de rijke vruchten van Christus' opstanding nog niet.
Eén ding is hier nodig: eerlijk worden. Laten wij om die zegen maar gedurig bidden. De Heere maakt ook eerlijk, als Hij de Zijnen, die nog van verre staan, tot Zich trekt. De tollenaar (uit de gelijkenis, Luk. 18:9—14) was ook eerlijk tegenover zichzelf, want hij erkende de zondaar (bij uitnemendheid) te zijn en hij was eerlijk tegenover God, want hij vroeg genade en die is er bij de Heere. Deze tollenaar stond wel van verre van schaamte en berouw maar hij was toch in de tempel gekomen om er genade, gratie te vragen voor een ter-dood-veroordeelde. Hij kwam zo niet tevergeefs. We lezen, dat de Heere Jezus vol gezag zeide: deze ging af gerechtvaardigd, door God vrijgesproken, in zijn huis. Hij ontving vergeving, omdat Jezus voor hem verzoening had aangebracht. De vrijspraak wordt ontvangen uit de vrijspraak, die er is door Jezus' offer. Wat verhindert ons nog in ons toegaan?
Pasen leert ons dat de verzoening is aangebracht. Ook voor ons? Dat vragen velen zich af. Met dit 'ook-voor-ons?' kunnen we lang verlegen zitten, omdat we vooraf willen weten of het wel voor ons is. Op die vraag krijgen we antwoord alleen in het geloof en in het toegaan tot de troon der genade. De tollenaar ging in het geloof, pleitend op Gods genade en in die weg heeft hij het ervaren: ook voor mij!
Zo ging ook de verloren zoon. Hoe eerlijk was hij tegenover zichzelf en zijn vader! Hij ging om zijn schuld aan zijn vader te belijden: ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u. Bij zijn vader erkende hij: ik ben niet waard een zoon van u genoemd te worden. De vader werd met ontferming bewogen, toen hij zijn zoon zag. Daarna ontving de zoon de volle vergeving en de aanneming tot kind. Toen ervoer de zoon: ook voor mij! (Lukas 15:11—24).
Uit het geopende graf en van de opgestane Heiland gaat een dringende nodiging uit: laat u met God verzoenen, want Dien, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Cor. 5:20, 21). Christus is opgewekt om onze rechtvaardigmaking (Rom. 4:25).
Het is in dit verband altijd een rijk woord, dat de Heere door Jesaja sprak: komt dan en laat ons tezamen richten, zegt de HEERE (Jes. 1:18).
Deze oproep Gods is dringend: komt dan (toch) en is ook wonderlijk: tezamen richten. De HEERE, de God des verbonds, roept Zijn volk op 'aan de ronde tafel' om samen recht te spreken. De vorm van het Hebr. werkwoord wijst op een wederkerig handelen, op een met elkaar rechtspreken. De Heere nodigt daartoe uit. Hij zal Zijn beschuldigingen laten horen en Zijn volk mag zijn aanklachten laten horen. Hoe diep buigt de Heere zich neer tot een schuldig volk, dat Hij zich als rechter gelijk stelt met de beschuldigde!
Maar de Heere zegt meteen bij de oproep ook welk vonnis Hij vellen zal over een ieder, die tot Hem komt: een vergevend vonnis, de vrijspraak, hoe groot het bedreven kwaad ook rnoge geweest zijn: al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (Jes. 1:18). De vergeving wordt al vóór het rechtsgeding beloofd. Daarom is de oproep: komt dan en laat ons tezamen richten, des te sterker in overredingskracht. Dat is ook nodig, want wij dralen zolang!
Deze dringende, wonderlijke oproep des Heeren is en wordt vaak misbruikt, door hen, die menen dat het tot-God-komen niet meer nodig is omdat de vergeving er al is en door hen, die hun komen uitstellen, totdat ze rechtvaardig zijn en door hen, die weigeren te komen zoals ze zijn. Van hen allen geldt het woord, dat op de oproep volgt: indien gij weigert en wederspannig zijt, zo zult gij van het zwaard gegeten worden, want de mond des HEEREN heeft het gesproken (Jes. 1:20). De God des verbonds nodigt dringend, maar Hij dreigt ook de ongehoorzamen. We zullen niet ongestraft het Woord des Heeren negeren.
Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan! Het luisteren naar deze nodiging dringt tot gaan en het gaan zal een komen zijn met berouw en van het tezamenrichten zal alleen maar overblijven onze belijdenis: Heere, wij hebben gezondigd en gedaan dat kwaad was in Uw oog. Die zo komt, ontvangt de vrijspraak uit de vrijspraak, door Christus aan het kruis verworven. Dan wordt beleden: ook voor mij! Dan wordt het feit van Pasen verlossend ervaren en dan wordt Pasen ook als het feest gevierd in verwondering en aanbidding.
Pasen vieren is het feest van de verzoening met God, van de eeuwige vrijspraak vieren en daarom is Pasen voor hen, die door het geloof Christus omhelzen, een echt feest en een hartelijke verheerlijking van Hem, die dood geweest is en leeft tot in eeuwigheid.
Christus heeft in Zijn lijden en sterven nog veel meer weldaden voor Zijn volk verworven en die alle zijn door Zijn opstanding gegarandeerd, maar de rechtvaardigmaking, de volkomen verzoening met God is toch wel de grootste weldaad, ooit aan een arm en doemwaardig schepsel bewezen.
Door God met God verzoend!
Dat is de vrucht van Pasen!
Dat is de roem van Pasen!
Dat is het feest van Pasen!
Pasen is echt, een feit, het is geschied!
Pasen is het echte, ware feest voor een ieder, die in Christus is ingelijfd.
Pasen leert in blijdschap en aanbidding stamelen van de levensvorst: mijn Heere en mijn God!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 april 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 april 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's