De taak van de kerk: direct of indirect?
De verhouding Kerk en Wereld
VI
Nu volgt onze tweede stelling:
De inwerking van de kerk op de wereld is niet een rechtstreekse maar een indirecte. Zij voltrekt zich voornamelijk via de persoonlijke bekering en vernieuwing, al blijft daarnaast de mogelijkheid dat de kerk zich rechtstreeks tot de overheid wendt en op deze wijze indirect in het leven van mensen en volkeren ingrijpt.
Nergens in het N. Testament zal men ook maar één voorbeeld ervan kunnen vinden dat de gemeente zich heeft ingezet voor de verwezenlijking van sociale of politieke doelstellingen. Evenmin zal men ook maar ergens in het N. Testament er een voorbeeld van vinden dat tot een dergelijke actie door de apostelen wordt opgeroepen. Wat meer is: dit alles ligt mijlenver buiten het gezichtsveld van het N.T. en haar prediking.
Reeds Jezus zelf heeft geweigerd op te treden als een politiek leider of als vernieuwer van sociale toestanden. Zijn nadrukkelijke verklaring, dat zijn koninkrijk er niet een van deze wereld is, zegt in dit verband genoeg. Het ontvangen van macht over de koninkrijken dezer wereld heeft Hij afgewezen als een duivelse verzoeking (Matth. 4). Nergens vinden wij Hem in het gezelschap der Zeloten, een politieke verzetsgroep tegen de romeinse overheersers. Toen iemand Hem ertoe wilde overhalen zich in te laten met een erfeniskwestie, was zijn antwoord: Mens, wie heeft Mij tot een rechter of scheidsman over u aangesteld?', zie Luk. 12:14. Men leze eens wat Calvijn bij deze tekst heeft opgemerkt; het komt in het kort hier op neer: Christus' rijk is een gééstelijk rijk, niet een wereldlijk rijk; Hij was geen overheidspersoon, dat was zijn ambt niet; en in dat verband: zijn taak was evenmin de omverwerping van de regering der romeinen. Elders lezen wij dat Jezus de schare ontvluchtte toen Hij merkte dat men Hem Koning wilde maken (Joh. 6:15). Diezelfde schare verweet Hij: 'Gij zoekt Mij niet, omdat gij tekenen gezien hebt, maar omdat gij van de broden gegeten hebt en verzadigd zijt' (Joh. 6:26). Bekend is ook Jezus' woord: 'Geeft dan de keizer wat des keizers is en Gode wat Gods is' (Luk 20:25). Vooral voor de Zeloten was het betalen van belasting aan de keizer een ergernis, Jezus wou het echter niet afkeuren, wel een bewijs hoe ver Hij afstond van deze revolutionaire beweging.
Wat betreft zijn prediking het volgende. Hoofdinhoud was: 'De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods nabij gekomen: bekeert u en gelooft het Evangelie' (Marcus 1:15). Steeds weer wordt in onze tijd alleen het eerste benadrukt, dat het Koninkrijk Gods gekomen is. Men vat dat dan op als een zaak van geschiedenis en cosmos. Ook al gelooft men nog wel dat God dit Rijk doet komen, men roept niettemin elkaar op tot historische daden. Omdat de Rijksidee veruitwendigd is is de heilsprediking dat evenzeer. Door het Rijk Gods zozeer te leggen in de geschiedenis is het enige antwoord dat van 's mensen zijde daarop gegeven kan worden: zijn daden! Die daden zijn dan gericht op omwenteling. En daarmee heb je dan als vanzelf: de revolutie!
Men bemerkt niet dat men daarmee is gekomen in het klimaat van wereldse ideologieën. Wie de prediking van zonde en genade loslaat maakt van het christelijk geloof een ideologie. Soms wordt dat verhuld door toch nog ergens van persoonlijke zonde en vergeving te spreken, maar het is niet meer het punt waar men van uitgaat! Met een dosis verticalisme wordt de kwaal van het horizontalisme niet overwonnen. Niet het extreme horizontalisme is het meest gevaarlijk, maar veeleer het denken waarin op het stramien van het horizontalisme nog flink wat verticalisme geborduurd wordt.
Wat in Jezus' prediking van het Rijk Gods opvalt — zie de aangehaalde tekst — is dat dit Rijk Gods zich verwerkelijkt in de weg van bekering en geloof! Een andere weg is er zelfs niet. Het rijk Gods begint in het hart van de zondaar; begint het daar niet dan begint het nergens. Al wat men verder voor het Rijk Gods houdt is maar een droom.
Vast staat dus dat Jezus het gezag van de overheid erkend heeft. Zelfs van die overheid die Hem naar het leven stond. Melaatsen die door Hem gereinigd waren verwees Hij naar de priesters (o.a. Matth. 8:4). Juist in het hoofdstuk waarin Hij de felste critiek levert op de Schriftgeleerden, staan ook de woorden: 'De Schriftgeleerden en de farizeeën zijn gezeten op de stoel van Mozes. Daarom al wat zij u zeggen, dat gij houden zult, houdt en doet het; maar doet niet naar hun werken; want zij zeggen het en doen het niet' (Matth. 23:2 en 3).
Verder valt op hoe Jezus de van God zelf in de schepping gegeven structuren eerbiedigt en waar ze door menselijke zonde overwoekerd zijn in ere herstelt. Het verlaten of wegzenden van eigen vrouw is 'van den beginne' alzo niet geweest (Matth. 19:8). Hetzelfde geldt van het huwelijk van een man met meerdere vrouwen (vers 4). Heel de Bergrede bedoelt niet anders dan een herstel van de oorspronkelijke zin van de Wet Gods, door haar te reinigen van de overwoekeringen van menselijke inzettingen. Het evangelie verdringt niet de wet of vervangt niet de wet, maar bevestigt de Wet. Christus' vervulling van de wet bevrijdt ons van de veroordeling en vloek der wet, maar doet de wet niet teniet.
Het enige verhaal dat men met een zekere schijn van recht weet aan te halen om aan te tonen dat Jezus ook revolutionair kon optreden is dat van de tempelreiniging. Jezus zou, door de geldwisselaars uit de tempel te hebben verdreven en hun tafels te hebben omgekeerd, de bestaande orde van die dagen hebben aangetast. Eerlijk gezegd is me nooit duidelijk geworden wat dit zaken doen in de tempel nu precies te maken heeft met de bestaande orde van die dagen. Toch niet het handeldrijven als zodanig heeft Hij aangetast, alleen maar dat het gebeurde in de tempel. Bovendien, allerminst ging het de Heiland hierin om het scheppen van een nieuwe orde die de oude zou moeten vervangen. Nog eerder zou men kunnen zeggen: Hij keerde zich tegen een nieuwe orde met het doel de oude te herstellen. Maar waar het Hem allereerst om ging was de ontheiliging van het huis des Vaders! Geen sociaal doel maar een religieus doel had Hij voor ogen. Dat er tucht moet worden uitgeoefend in de kerk is het punt van discussie niet. Behalve dan dat vernieuwingstheologen juist hier niet veel voor voelen. De pericoop van de tempelreiniging pleit dan ook eerder tegen hen dan voor hen.
Wat de apostelen betreft, die hebben zich bewogen in geheel dezelfde lijn. Men leze hoe Paulus gesproken heeft over de overheid, haar gezag en de gehoorzaamheid die wij haar verschuldigd zijn; maar ook over wat hij geschreven heeft over de verhouding man en vrouw (teruggrijpend op Adam en Eva), over de verhouding van ouders en kinderen, en over de verhouding van heren en slaven.
Natuurlijk is het waar, dat er in de praktijk in al deze verhoudingen dank zij de prediking van het evangelie en de doorwerking daarvan het een en ander veranderde. Gelukkig wel! Maar dat was dan ook gevòlg. Dit hadden wij op het oog toen wij in onze stelling spraken van een niet rechtstreekse maar indirecte inwerking van de kerk op de wereld. Het evangelie wordt nimmer rechtstreeks op de aardse structuren betrokken. Overal waar dit in onze dagen bepleit wordt, is de grote vóóronderstelling dat die structuren als zodanig verkeerd zijn. Het is het gezag op zich waar men zich tegen keert. Onder de vlag van een voortgaande democratisering. Dat in Christus geen man en geen vrouw is, geen heer en geen knecht dat brengt men over op het terrein van de kerkelijke praxis (daarom: vrouwen in het ambt) en verder ook op alle andere terreinen. De gelijkheid die 'in Christus' is is echter een gelijkheid voor God en ten aanzien van het in Christus aangeboden en geschonken heil — hoort dus thuis op het terrein van het Evangelie. Inplaats van het op dat terrein te laten brengt men het over op het terrein van de wet en het publieke leven. De diepste theologische oorzaak hiervan is dan ook gelegen in het gemis van de rechte onderscheiding tussen wet en evangelie.
Een symptoom hiervan is het verregaande activisme van onze dagen. Men kan niets meer aan God overlaten, meent alles zelf te moeten doen. De werken vervangen het geloof. Op dit punt zou men weer eens opnieuw bij Luther in de leer moeten gaan.
Het is niet voor niets dat de Reformatie zich met zoveel kracht verzet heeft tegen spiritualisten en wederdopers. Zij verwierpen het eigen goddelijk recht der overheid, meenden met het Evangelie de wereld te kunnen regeren. Maar het resultaat was dat het evangelie verwettelijkte, het werd een nieuwe wet, die die van Mozes slechts in radicaliteit overtrof. Inplaats van een nieuwe ordening van het leven vloeide er slechts chaos en anarchie uit voort.
Voor deze Schwärmer of hoe men ze verder noemen wil is in onze tijd een nieuwe waardering, die een teken aan de wand is. Ernst Bloch schreef een boek over Thomas Münzer en Kuitert - schreef daar een zeer gunstige recensie over in Trouw. Dat is slechts één geval.
Naar mijn gevoelen heeft Karl Barth hier een grote schuld; zijn trouwe volgelingen, ook diegenen onder hen die — gelukkig — sterk in verzet zijn gekomen tegen de 'nieuwe theologie' mochten dat weleens meer bedenken. Door de Wet te plaatsen in het kader van het evangelie zijn de beide rijken vermengd. Daarmee ligt de weg als vanzelf open naar een verpolitisering van de kerk. Barth heeft op essentiële punten het spoor van de Reformatie verlaten. Hij kon dan in het laatst van zijn leven wel smalend spreken van sommige nieuwe theologen, zij hebben voor een deel slechts de lijnen doorgetrokken waar hijzelf mee begonnen is.
Wij spraken van: een indirecte inwerking van de kerk op de wereld. Doordat harten veranderen, veranderen ook gezinnen en samenlevingen. Deze verandering is altijd maar stukwerk geweest en zal dat ook blijven. De christen en heel de kerk is op weg naar het nieuwe Jeruzalem, dat komende is. Daarmee is niets vergoeilijkt, alleen maar de eis der heiliging onderstreept. Was het de zorg van de kerk in onze dagen dat hiermee ernst werd gemaakt, wij zouden die zorg van harte delen. Maar het is helaas allerminst de heiliging waar het om gaat. Juist nu meer dan ooit de kerk in gebreke wordt gesteld omdat zij de wereld zo onveranderd liet, wordt steeds meer de-beest-uitgehangen, onder kerkelijke zegening en goedkeuring. Alle taboes doorbreekt men, zo wordt beweerd, en wat overblijft is — om Billy Grahams woorden te gebruiken — Sodom en Gomorra! Zelfs die laatste restjes van de gezegende invloed van het Woord Gods op ons volksleven die er Goddank nog waren, worden opgeruimd. En dan toch maar schelden op de kerk en op een ouderwetse prediking!
Meer dan in dit ene artikel ter sprake kan komen vraagt onze aandacht. Daarom nòg een keer hierover.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 april 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 april 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's