Ten derden dage wederom opgestaan van de doden
II
De dood verslagen
Bij het ledige graf van Christus vermenigvuldigen zich de gedachten: Hij heeft door Zijn opstanding de dood overwonnen. Hij heeft door Zijn opstanding krachtiglijk bewezen de Zoon van God te zijn, Rom. 1:4. Hij is opgewekt tot heerlijkheid Gods des Vaders, Rom. 6:4. De opstanding is het bewijs, dat Hij Here en Levensvorst is. God heeft Hem tot een Here, een Kurios gesteld, Hand. 2:36. God heeft Hem verheerlijkt, Hand. 3:13, verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, Hand. 5:31. Hij is van God verordineerd tot een Rechter van levenden en doden, Hand. 10:42.
Voor Elia en voor Henoch lag als het ware een brug over de donkere, diepe rivier van de dood; zij hebben de dood 'overgeslagen'. Christus heeft de dood overwonnen. Hij heeft de barrière van de dood genomen en daarmee de prikkel van de dood weggenomen.
Ook in deze tijd wordt in en buiten de Kerk in vele opzichten getornd aan de waarheid van het getuigenis van de opstanding van Christus. Menigmaal wordt de verkondiging aangepast aan het naturalistische denken van deze tijd. Aan de ene kant maakt men — zoals men doet ten aanzien van de gehele Heilige Schrift — onderscheid tussen de gebeurtenissen zelf en de verhalen, getuigenissen en teboekstelling van die gebeurtenissen. Ten aanzien van de opstandingsgeschiedenis zegt men: Het enige(!), dat historisch te benaderen valt, is het getuigenis, het geloof van de oer-christelijke kerk. Dat staat dus vast: De gemeente heeft van den beginne getuigd van de opstanding van Christus. Wij zouden dus verhalen hebben van de opstanding, die een min of meer legendarisch karakter hebben, en nu komt het erop aan, dat de kerk van vandaag de waarheid, die ons in die verhalen toch wel beschreven wordt uit die verhalen uitpelt. Hier is een schriftopvatting aan het woord, die geheel in strijd is met het zelfgetuigenis der Schriften en evenzeer met de belijdenis der Kerk.
Anderzijds spreekt men wel van opstanding, maar in deze uitdrukking zouden we te doen hebben met een metaforische (overdrachtelijke) uitdrukking om aan te duiden, dat Jezus voortleeft, ondanks de dood. De opstanding zou niet meer zijn dan een woord, dat zoekt uit te beelden en te tekenen de tegenwoordigheid van de levende God, die het nieuwe begin maakt, opdat wij in zijn navolging de tweede schrede zouden doen. Als wij vasthouden aan de opstanding van Christus, reëel en lichamelijk, dan spreekt men van materialisering van het geloof. Omgekeerd wijzen wij een vergeestelijking van de opstanding van Christus af en beschuldigen de theologen, die dit leren van spiritualisering van de opstanding van Christus. Ik noem slechts een paar moderne opvattingen. De uitspraak dat God Jezus van de doden heeft opgewekt is voor Marxsen een interpretament (een verduidelijking, een vertaling) waarvan zij zich bediend hebben, die over hun ervaring van het zien van en de ontmoeting met Jezus nadachten. Eigenlijk niets anders dan een wijze van spreken, een omschrijving van iets anders dan wat de oudste christenen bedoelden. Opstanding van Christus zou niets anders betekenen dan dat de zaak van de aardse Jezus verder gaat. In het handelen van de Kerk, in haar kerygma leeft Jezus met volmacht, eis en belofte voort. Hier valt de gedachte van een lichamelijke opstanding volkomen weg. En het is konsekwent als Marxsen schrijft: De vraag naar de opstanding van Jezus is uiteindelijk geen vraag naar een gebeurtenis ná de Goede Vrijdag, maar het is de vraag naar de aardse Jezus en (daarmede onlosmakelijk verbonden) de vraag, hoe Zijn zaak een later ervaren werkelijkheid is geworden en een vandaag ervaarbare werkelijkheid worden kan.
Pannenberg meent dat men het recht heeft Christus' opstanding als een historisch gebeuren te beschouwen en dat het zelfs geboden is om dit te doen, maar hij wil de opwekking van Jezus niet zien als de herbeleving van het lijk van de historische Jezus. En juist hier ligt een grote afstand ten opzichte van wat onze belijdenisgeschriften overeenkomstig het getuigenis van de apostelen zeggen, dat de zaligheid van de Kerk mede hangt aan de waarheid van Zijn lichaam (art. 19 Ned. Gel. Bel.)
Voor Marxsen, Ebeling e.a. zou de apostolische boodschap van de opstanding in vergelijking met de verkondiging van Jezus niets nieuws hebben gebracht. Daarop zeggen wij beslist neen. Er ligt dit enorme verschil, dat met Pasen volle werkelijkheid werd wat tevoren door apostelen en profeten was gepredikt en aangekondigd. Het nieuwe ligt in de vervulling en realisering en verheerlijking van wat door Christus was aangekondigd en verkondigd.
Opstanding feit van de historie?
Is de opstanding van Christus nu een historisch feit of niet? Hierover wordt druk gediscussieerd. Men zegt: historisch is wat te constateren valt. En dat zou van de opstanding des Heren niet gelden, want dat feit onttrekt zich aan de aanschouwing, aan demonstratie. Inderdaad is de opstanding des Heren iets van de andere, bovenaardse werkelijkheid Gods. Voor mij heeft wat de Here met Pasen verwerkelijkt een historische dimensie, iets ervan hebben de discipelen ervaren in hun persoonlijke leven; het ging in in hun persoonlijke bestaan en het behoort tot de historie van hun leven. Maar, wat mij betreft mag men het wel meta-historisch noemen, maar daarom en daarmee is de zaak waarom het gaat nog niet irreëel! Hier moet ook de naam van Bultmann genoemd worden, de theoloog van de z.g.n. Entmythologisierung; dit betekent, dat de mythen de bijbelse verhalen uit moeten om zo tot de kern van de boodschap door te dringen. Volgens hem is Pasen geen historisch feit. Bultmann poneert, dat de opstanding niet als een mirakel te verstaan is, waarvan de jongeren getuigen zijn geweest en dat hun geloof in de Messianiteit van Jezus evenals ons geloof zou rechtvaardigen. Het opstandingsgeloof is dan niet anders dan het geloof aan het kruis als heilsgebeurtenis, aan het kruis als kruis van Christus. Wat de Evangeliën zeggen over het ledige graf is volgens Bultmann legende en 'zonder twijfel zijn dit later gevormde stukken, waarvan Paulus nog niets wist'. Maar wat is dan wel de betekenis van de opstanding van Christus? Het is geen uiterlijke gebeurtenis, maar een innerlijk geschieden: de overwinning van Christus doordat zich uit de overwinning van de ergernis in de mens het geloof verheft. Hoe dan dit geloof in de opstanding ontstaan is?
Tot op zekere hoogte is het ontstaan daarvan begrijpelijk te maken door reflexie over de bestaande persoonlijke verbondenheid van de jongeren met Jezus. En zo wordt het geloof in de opstanding herleid tot visionaire ervaringen. Reeds vroeger sprak men van subjectieve en objectieve visioenen, die de grond van het geloof der apostelen zou zijn geweest. Maar aan alle theologen, die op enigerlei wijze vasthouden aan een visioenshypothese mag de vraag gesteld worden of ooit honger brood bakt!
Het Evangelie van Pasen ziet Christus als de levende, nadat Hij de dood had overwonnen, dezelfde, die gestorven is en begraven. Op Christus heeft de dood geen enkele greep meer, integendeel de dood is de gevangene van Christus. Hij heeft de gevangenis gevangen genomen en de laatste vijand overwonnen. Op Pasen ziet de gemeente over het ijzeren gordijn van de dood heen; het is voor de gemeente in haar beste ogenblikken geheel weg. Dood, waar is uw prikkel? Ziende op Christus mag als het ware de dood worden uitgedaagd. Kom maar op, hij blijft een vijand, maar het is de laatste!
Onlosmakelijk verbonden blijven opstanding en kruis en evenzeer spreken wij over het kruis altijd weer in het licht van Pasen. En dan betekenen dus de verschijningen des Heren meer en iets anders dan een demonstratie van aardse lichamelijkheid. Het gaat er bij Pasen niet om, dat een dode weerkeert in het leven, Lazarus en anderen keerden weer in een leven, dat in de ban van de dood ligt en lag; zij zijn wederom gestorven. Maar Hij keert niet weer tot verderving. Christus' dood en evenmin dus Christus' opstanding kennen overeenkomst met het sterven van een mens. Daar is geen analogie tussen Lazarus' opwekking en dat van Christus. Waar men dit wel zoekt te construeren doet men èn tekort aan het kruis en de dood des Heren èn aan de zin van de opstanding. De opstanding des Heren is een geschieden, dat zijn weerga niet kent, is iets geheel eigens. 'Hij stierf niet uit zwakheid, maar uit kracht' (Augustinus). Hij had macht om het leven af te leggen en Hij heeft dat gedaan als de Goede Herder, die Zijn leven stelt voor Zijn schapen. Hij had macht om het leven weder te nemen en Hij heeft het gedaan 'om onze rechtvaardigmaking'. Joh. 10:17 v., Rom. 4:25.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 april 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 april 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's