De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Afbraak van het christelijk karakter van ons volksleven

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Afbraak van het christelijk karakter van ons volksleven

9 minuten leestijd

In het thans afgeschafte program van beginselen der C.H.U. luidde art. 3: De overheid is geroepen de christelijk-historische grondslagen van het volksleven te bevestigen en de christelijke beginselen in het staatsleven te eerbiedigen. Welke zijn die christelijk-historische grondslagen? Dat is te lezen bij Groen van Prinsterer.

De hervorming was terugkeer tot het apostolisch geloof, door onvoorwaardelijke onderwerping aan de voorlichting door Gods Geest en aan de uitspraak van Gods Woord, vasthouding aan de onveranderde evangeliewaarheid.

De overheid heeft als dienaresse Gods naar Rom. 13 de bijbelse normen te handhaven in het staatkundige leven. De tien geboden hebben een politieke betekenis voor het staatkundige leven, welke door de overheid gehandhaafd dienen te worden. Kerk en overheid hebben ieder een eigen terrein en verantwoordelijkheid, maar hebben naar calvijnse gedachten samen te werken. Dat was ook de opvatting van Hoedemaker.

In het huidige staatsbestel hebben de christelijke politieke partijen van deze gedachten uit te gaan en de overheid te controleren en te critiseren, opdat deze haar taak overeenkomstig de bijbelse normen vervult.

Voldoen de christelijke politieke partijen aan deze eis? Het afschaffen van bovengenoemd artikel 3 is een teken aan de wand. Het is de bedoeling van dit artikel op dit terrein enig onderzoek te verrich­ten en de gevonden feiten aan de lezer door te geven, opdat hij of zij daarmede zijn nut kan doen.

Crematie

Historisch staat vast dat de lijkverbranding niet van Christelijke oorsprong is, en ook niet stamt uit Israël. Het was in Israël iets, dat vanzelf sprak, dat de mens na de voleinding van zijn leven tot het stof der aarde, waaruit zijn lichaam genomen was, wederkeerde en dat zijn ziel tot God wederkeerde. Het natuurlijk levenseinde is: hij stierf. En daarbij sluit dan ook vanzelf aan: hij werd begraven; want de wet waaronder hij krachtens Gods rechtsbestel natuurlijk verkeert, is deze, dat hij tot stof wederkeert.

In het leven der Hebreeën was de begrafenis vanzelfsprekend. Ook in het Nieuwe Testament is begraven het vanzelfsprekende. De Heere Jezus Christus zelf is gestorven, begraven en opgestaan.

En zo is dan ook in de Kerk van Christus van meet af de christelijke begrafenis het enig mogelijke vanzelf sprekende.

De Kerk heeft dan ook bij de kerstening der heidense volken, die hun lijken gewoon waren te verbranden, de begrafenis ingevoerd.

Wij hebben dus in de begrafenis te doen met een cultureel resultaat van de christelijke religie in de algemene zin des woords. Christus, de verrezen Heiland, heeft op de ruïnen van het ondergaande heidendom een nieuwe cultuur gewekt, waarin in het sociale bewustzijn crematie, als daarmee onverenigbaar, werd buitengesloten. Het behoeft geen betoog, dat de herleving van lijkenverbranding het noodzakelijk begeleidend verschijnsel is van het ontkersteningsproces, dat de volken van het Westen ondergaan. De diepe achtergrond daarvan is ongetwijfeld de materialistische levensbeschouwing, die de moderne mensheid van alle eeuwigheidslicht berooft. Voor 1968 was crematie dan ook alleen geoorloofd, indien de overledene bij notariële akte de wens daartoe te kennen had gegeven. Maar ook dit laatste restant van het christelijk karakter moest wel verdwijnen. Op 20 juni 1968 werd gestemd over een wetsvoorstel, waarin de crematie volledig gelijkgeschakeld werd met het begraven. De S.G.P. en het G.P.V. stemden tegen, terwijl de grote chr. partijen meehielpen deze christelijke karaktertrek te doen verdwijnen.

Staatsloterij

Van oudsher waren de christelijke partijen tegen de staatsloterij, omdat men van mening was dat de goklust niet moet worden bevorderd en dat een inkomen op deze wijze verkregen ethisch niet verantwoord was. Ik zal de geschiedenis hiervan niet gaan ophalen. Ik beperk mij tot het wetsvoorstel van 23 febr. 1968, waarin werd voorgesteld de hoofdprijs van de staatsloterij en ook van de toegestane toto te verhogen van ƒ100.000,— tot ƒ500.000,—. Men ziet: dit is een duidelijk beroep op de goklust van de spelers. Op 9 april 1968 werd dit voorstel aangenomen. Tegen stemden: het G.P.V., de S.G.P., 3 leden van de C.H.U., 7 leden van de A.R.P. en een lid van de P.v.d.A.

Vrije verkoop voorbehoedmiddelen

In art. 240bis van het wetboek van strafrecht was het verboden om aan personen beneden de leeftijd van zestien jaren enig middel ter verstoring van zwangerschap aan te bieden en blijvend of tijdelijk af te staan.

Op 14 okt. 1966 werd door minister Samkalden een voorstel ingediend om de vrije verkoop van voorbehoedmiddelen mogelijk te maken. Na enige wijzigingen kwam dit voorstel op 12 juni 1969 in stemming in de tweede kamer. Hierdoor werd het mogelijk de voorbehoedmiddelen vrij te verkopen, ook aan kinderen, en er vrijelijk reclame voor te maken. Binnenkort zal men er op de televisie een en ander van kunnen zien. Ook de verkoop in automaten in besloten ruimten is mogelijk geworden. Tegen dit voorstel stemden: de A.R.P., het G.P.V., de S.G.P., de Boerenpartij, de groep Harmsen en 2 K.V.P.-leden.

Het behoeft weinig betoog dat deze vrije verkoop de onzedelijkheid bevordert.

Het hoofd der echtvereniging

Art. 160 van het burgerlijk wetboek vangt aldus aan: De man is het hoofd der echtvereniging.

Ieder, die een weinig in de bijbel thuis is, weet, dat dit een bijbelse gedachte is. Ef. 5:23v luidt dan ook: want de man is het hoofd der vrouw, gelijk ook Christus het hoofd der gemeente is; en Hij is de behouder des lichaams.

Is het te verwonderen, dat in deze tijd van opdringende onrechtzinnigheid deze bepaling uit het burgerlijk wetboek geschrapt moest worden? Vier leden van de C.H.U. stemden tegen, benevens de A.R., de S.G.P. en het G.P.V.

Homofilie

In oktober 1969 heeft minister Polak een wetsvoorstel ingediend om art. 248bis van het Wetboek van Strafrecht te schrappen. Dit luidde als volgt: De meerderjarige, die met een minderjarige van hetzelfde geslacht, wiens minderjarigheid hij kent of redelijkerwijze moet vermoeden, ontucht pleegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

In de Waarheidsvriend van 10 sept. 1970 heb ik hierover uitvoerig geschreven en aangetoond, dat dit artikel stoelt op bijbelse gronden. Men had kunnen verwachten, dat de christelijke partijen als één man pal zouden staan voor de handhaving van dit artikel. Niets was echter minder waar. Alleen de S.G.P., het G.P.V. en de Boerenpartij verklaarden zich tegen. Hoe ver is de onrechtzinnigheid in de grote chr. partijen doorgedrongen, dat zij hun verleden van 1911, toen zij vóór dit artikel stemden, zo konden verloochenen!

Echtscheidingsrecht

12 juli 1969 werd door minister Polak een voorstel ingediend bij de Tweede Kamer tot herziening van het echtscheidingsrecht. Tot op heden waren er in de wet vier gronden voor echtscheiding: 1e overspel, 2e kwaadwillige verlating, 3e veroordeling wegens misdrijf tot een vrijheidsstraf van vier jaren of langer, na het huwelijk uitgesproken, 4e zware verwondingen of zodanige mishandelingen door de ene echtgenoot jegens de andere gepleegd, waardoor diens leven wordt in gevaar gebracht, of waardoor hem gevaarlijke verwondingen zijn toegebracht.

De bijbel kent slechts de eerste grond: overspel.

Thans werd voorgesteld als enige grond te nemen: ontwrichting van het huwelijk. Dit is vooreerst een zeer rekbaar begrip. Vervolgens behoeft, wanneer de beide partijen dit stellen, de ontwrichting niet te worden aangetoond. Met andere woorden, ontbinding van het huwelijk bij onderling goedvinden blijft op deze wijze mogelijk. Daar staat tegenover, dat het nog twijfelachtig is, of de onschuldige partij bij overspel kan scheiden, indien de schuldige partij dit niet zou wensen. De ruimte laat niet toe hier dieper op in te gaan, maar vast staat dat deze nieuwe voorstellen slechter zijn in bijbels opzicht dan de oude artikelen. De onrechtzinnigheid viert ook hier weer haar triomfen. Tegen stemden de A.R., omdat de wachttermijn van zes maanden vervallen was; de S.G.P. en het G.P.V. en enkele leden van de Boerenpartij.

Abortus provocatus

Volgens de gereformeerde ethici is, conform bijbelse opvattingen, abortus alleen geoorloofd als de moeder dreigt te overlijden, indien deze niet wordt toegepast. Tegenwoordig zijn de ethici geneigd hieraan toe te voegen: ook geoorloofd indien ongeneeslijke krankzinnigheid dreigt. Het urgentieprogram van A.R.P., C.H.U. en K.V.P. zegt echter: Abortus provocatus is in beginsel alleen aanvaardbaar, wanneer naar medisch-sociale indikatie het lichamelijk en geestelijk welzijn van de moeder ernstig wordt bedreigd.

Het venijn zit hier in de term sociale, want dit brengt een opening naar het toestaan van abortus-povocatus uit meer of minder gemakzucht, waardoor een levende vrucht op niet geoorloofde gronden zou kunnen worden gedood.

Dit artikel geeft uiteraard niet de ruimte breedvoerig op deze zaak in te gaan.

Pornografie

In art. 240bis is het verboden aan minderjarigen beneden zestien jaren uit winstbejag hetzij enig geschrift, enige afbeelding of enig voorwerp, aanstotelijk voor de eerbaarheid aan te bieden en blijvend of tijdelijk af te staan. De grote chr. partijen willen ook in dezen aan de tijdgeest tegemoet komen. Zij schrijven: Terwijl een grotere vrijmoedigheid in kunst en literatuur ten aanzien van sexualiteit op zich aanvaardbaar is, dient onmenselijke en sadistische pornografie in de verbodssfeer te blijven. De overheid moet voorts optreden tegen het nadrukkelijk opdringen van pornografie.

Het is duidelijk: ook op dit terrein een toegeven aan de situatie.

Slot

Er zou uiteraard nog wel meer te zeggen zijn. Ik heb thans niet gesproken over de christen-socialistische tendenzen, die in de grote chr. partijen op te merken zijn.

Deut. 28 spreekt duidelijke taal: En het zal geschieden, indien gij de stem des Heeren, uws Gods, vlijtiglijk zult gehoorzamen, waarnemende te doen al zijne geboden, die ik u heden gebied, zo zal de Heere, uw God, u hoog zetten boven alle volken der aarde. En al deze zegeningen zullen over u komen en u aantreffen, wanneer gij de stem des Heeren, uw Gods, zult gehoorzaam zijn.

Daarentegen zal het geschieden, indien gij de stem des Heeren, uws Gods, niet gehoorzaam zult zijn om waar te nemen, dat gij doet al zijne geboden en zijne inzettingen, die ik u heden gebied, zo zullen al deze vloeken over u komen en u treffen.

Leest u dit hoofdstuk maar eens geheel door!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Afbraak van het christelijk karakter van ons volksleven

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's