Uit de pers
De Joden in Rusland
Het antisemitisme, de Jodenhaat, is helaas geen voorbij verschijnsel. In een artikelenserie in 'Trouw' heeft Huib Hendrikse over de Jodenhaat in Rusland ontstellende dingen verteld. Officieel heet het dat er geen antisemitisme meer bestaat. Maar officieus gaan de aanvallen voort. En wie er tegen protesteert, haalt zich het ongenoegen van de russische autoriteiten op de hals, met alle kwalijke gevolgen van dien. Ook ds. S. Gerssen, secretaris van 'Kerk en Israël', gaat in het orgaan van de Protestantse Unie 'De Vrije Natie' (april 1971) in op de positie van de Joden in Rusland. Er mag dan geen rechtstreekse vervolging zijn, de situatie van de Joden is toch zorgwekkend. Gerssen vergelijkt deze met de situatie in Duitsland voordat het tot daadwerkelijke vervolging kwam.
De haat tegen de Joden is overigens in Rusland geen vreemd verschijnsel. In alle perioden van de geschiedenis komen we uitlatingen van Jodenhaat tegen, vaak gevolgd door felle uitbarstingen.
Opvallend is, dat ook in communistisch Rusland het joods zelfbesef zich heeft weten te handhaven. Ondanks een politiek beleid dat erop uit was, zoveel mogelijk het joodse religieuze en culturele karakter uit te roeien. Gerssen spreekt van een joods revival, zowel nationaal als religieus. Omdat men dit in Rusland niet kan beleven, verlangt men naar Israël te gaan.
En hier beginnen nu de moeilijkheden. Wanneer Rusland deze visa zonder meer verstrekt bestaat het 'gevaar' dat duizenden deze gelegenheid zullen benutten. Daardoor zou de staat Israël zowel getalsmatig als spiritueel een beduidende injectie krijgen en dat zou in Arabische kringen op zijn minst grote ergernis wekken.
In het politieke beleid van Rusland past dat dus niet. Anderzijds is Rusland toch bepaald gevoelig voor de blaam van antisemitisme in de Westerse wereld. Daarom lijkt de taktiek nu deze te zijn dat door het incidenteel verstrekken van visa in het buitenland een gunstige indruk wordt gewekt.
Tegelijk wordt de joodse minderheid in Rusland zelf door processen en het wekken van een onzekere sfeer geïntimideerd, zodat men amper om een visum durft te vragen. De berichten, die ons uit Rusland bereiken zijn in dit opzicht rondweg ontstellend.
Het is de moeite waard van deze ontwikkeling terdege kennis te nemen. Sommigen zullen verrast zijn wanneer zij horen van een joodse revival ook in religieuse zin.
Wie het jodendom alleen maar ziet in de schaduw van de verwerping van de Messias zal het nauwelijks tot een innerlijke vernieuwing in staat achten. Blijkbaar is het joodse geloof zo levenskrachtig dat het opnieuw beslag kan krijgen op de massa's en een moed kan geven tegenover de vijanden, die ons stil maakt. Wij zien dat, maar doorgronden het niet.
Het joodse volk bergt kennelijk een geheimenis, dat in onze christelijke schema's uit de toon blijft vallen.
Als wij hierin met een mysterie te maken hebben komt er vanzelf een eigenaardige spanning in het drama van het groeiend conflict tussen jodendom en het Russisch communisme.
Onlangs was een jonge Russische Jodin Anna Roessinek een paar dagen in Nederland en de couranten besteedden veel aandacht aan dit bezoek. Zij zei o.a.: 'Wij staan alleen tegenover de sterkste macht ter wereld'. Is dat waar of is het veeleer zo, dat Rusland handen vol werk begint te krijgen met de sterkste macht ter wereld, nl. de God van Israël.
Zal het gelukken zijn souvereiniteit in taktische manoeuvre's te kanaliseren? Als het werkelijk God zelf is, die 'The Jews of Silence' tot spreken brengt en het joodse hart tot leven dan is het een illusie te menen, dat dat met enkele showprocessen kan worden overwonnen.
De God van Israël is nu eenmaal de Heer van de geschiedenis en het is zeker geen lichte zaak om met Hem een conflict aan te gaan.
Ik ben geen profeet, maar het lijkt mij toch dat het joodse ontwaken de meest ernstige bedreiging is waaraan het Russische communisme ooit heeft blootgestaan. Vroeg of laat zal er wel een exodus uit Rusland naar Israël plaatsgrijpen. Wie zou dat kunnen keren? Maar dat betekent dat de beweging van het joodse volk terug naar het centrum, naar Zion, niet een beweging is die feitelijk al gebeurd is en sedertdien alleen nog maar wat nadruppelt.
Velen zien de joodse terugkeer naar Zion als een voldongen feit waaruit men zijn conclusies kan trekken, hetzij positief of negatief.
Als het werkelijk zou gebeuren dat er honderdduizenden Joden naar Israël zouden komen zou het beeld van deze staat zich wel eens fundamenteel kunnen wijzigen. Datgene waarin Israël uniek is: de opbouw van een samenleving op basis van de sociale verantwoordelijkheid, de roeping voor de wereld in het zoeken naar gerechtigheid en vrede, de mystiek, het is alles voor een groot deel voortgekomen uit het arsenaal van het Oosteuropese Jodendom.
Men zou hiervoor een hele rij illustere namen kunnen noemen. Als de staat Israël uit deze wereld een nieuwe krachtige injectie zou ontvangen zou dat wel eens voor de hele mensheid tot een zegen kunnen zijn.
Is dit speculatie? Ik dacht het niet. Het is eerder een oproep tot voorzichtigheid in het oordeel en tot bescheidenheid zolang alles rondom de staat Israël en het joodse volk nog zo volop in beweging is.
Inderdaad past ons bescheidenheid in ons oordeel rondom alles wat zich in en om de staat Israël afspeelt. Toch blijft er m.i. een probleem liggen in het spreken over een joods revival, juist in verband met de ook door Gerssen aangewezen schaduw van de verwerping van de Messias. Het is niet zozeer de vraag of het jodendom in staat is tot een innerlijke vernieuwing, het is veeleer de vraag, van welke aard deze innerlijke vernieuwing is. En vooral ook: Waartoe leidt deze innerlijke vernieuwing? Met de woorden 'religieus' en 'nationalistisch' is niet alles gezegd. Tussen kerk en Israël staat toch nog altijd het Kruis van de Messias van Israël. Alleen het geloof in de Messias Jezus zal ook voor Israël waarachtige vernieuwing en waarachtige bevrijding betekenen.
Het ledenbestand van onze kerk
In het orgaan van de confessionele vereniging 'Hervormd weekblad' van 8 april komt prof. dr. G.P. van Itterzon nogmaals terug op de kwestie van het ledenbestand van de kerk.
Hij vreest, dat er zich een computer-complex aan het ontwikkelen is, waarbij het geld de leidraad wordt van het kerkelijk handelen, en er grootscheepse schrappingscampagnes op touw gezet worden. Tot geestelijke schade van de kerk.
Waar moet het heen, als men niet alleen geboorteleden gaat afvoeren, maar ook doopleden, die 25 jaar zijn geworden en nog geen belijdenis des geloofs hebben afgelegd, gaat schrappen uit de registers? Men raakt dan een groot deel trouwe kerkgangers kwijt uit de kerkelijke registers, terwijl men daarnaast een stelsel van sympathisanten en verwante leden wil invoeren.
Als al die schrappers van geboorte- en doopleden aan de consequentie van hun strevingen dachten, zouden ze tot een heel andere conclusie moeten komen. Als men werkelijk wil uitgaan van de belijdende lidmaten en doopleden, die werkelijk kerkelijk meeleven en dit in ruime mate tonen, kan er maar één gevolgtrekking worden gemaakt: dan zal men vanuit de levende gemeente de kerk moeten opbouwen. Dan zal men, staande op hun standpunt, het oor niet mogen lenen aan hen, die niet meeleven of die dit bijzonder weinig doen. Dan zal men zich niet van de wijs moeten laten brengen door allerlei kreten en leuzen van hen, die in feite buitenkerkelijk of onkerkelijk of slap-kerkelijk zijn.
Dat zal de kerk niet mogen worden geregeerd van buiten af door sprekers, die alleen van experimenten willen leven en die vergeten, dat een patiënt onder een experimentele behandeling kan heengaan. Dan zal meer en opnieuw moeten worden geluisterd naar hen, die door hun kerkgang en geloof, hun gaven en gebed, hun meeleven en meetobben, hun meezorgen en meebouwen de kerk positief steunen, omdat ze het niet in buitenissige experimenten zoeken, maar nog geloven in de macht van Woord en Geest.
Wij menen dat dit terecht is. Dat kerkelijke registers bekeken worden, en dat een kerk niet gedwongen is ieder te registreren die bij bepaalde gelegenheden NH opgeeft, is zonneklaar. Maar tegenover de veruitwendiging van de huidige practijk — de massale aantallen geboorteleden! — moet men geen andere veruitwendiging stellen.
Prof. Van Itterzon gaat ook nog in op de tuchteloosheid en de ordeloosheid, waarin men soms zijn heil zoekt, vooral op het terrein van de oecumene.
Vooral op het terrein der oecumene wordt zonderling gemanoeuvreerd. In plaats dat men, als in het grote verband van de Wereldraad, zijn eigen partij blaast en zo de eigen melodie in het orkest laat horen, schamen sommige Hervormden zich voor het feit, dat ze Hervormd zijn. Ze moeten vooral (anders tellen ze niet mee en worden ze niet voor vol aangezien) oecumenisch zijn. Dat betekent dan, dat ze zoveel mogelijk van hun eigen geloofsbezit (zo ze dit nog hebben) prijsgeven en verloochenen om zich in te voegen in een algemeen, vaag oecumenisme, dat concreet weinig voorstelt. Behalve dan, dat men zoveel mogelijk alles van de ander overneemt en alles liever wil dan Hervormd te zijn. En dan maar klagen over geestelijke verarming, kerkelijke achteruitgang en geloofsverschraling. Is er nog een God? Heeft geloven nog zin? Wat betekent Jezus Messias voor ons? Met de dood is alles toch uit? Heeft kerkgaan nog wel enige waarde? Kortom: u kent de vragen wel, die men dan bij voorkeur stelt. Maar het vreemde is, dat juist zulke mensen het hoogste woord willen hebben. Zij weten alleen, hoe het met de kerk moet gaan en welke politiek er van de kansels moet worden gepredikt. Zij organiseren pressie-groepen, waar een synode van onder de indruk moet komen. Zij heffen leuzen aan, die de kerk zal moeten overnemen. Zij bepalen, wat er met de gelden, die de trouwe kerkgangers bijeenbrengen, zal moeten worden gedaan. Zij beschikken over de goederen, die anderen ter beschikking moeten stellen, zonder zelf een duidelijk voorbeeld te geven. Mag ik echt menen, dat mensen, die hun kerkgang weinig serieus nemen, en die hun schouders niet onder het gewone, moeizame kerkewerk willen zetten wat bescheidener zouden moeten zijn in hun eisen aan kerk en synode?
Wat zou het een winst zijn, als allen, die nu nog sympathisanten of 'verwante leden' zouden willen worden, er echt toe kwamen om hun geloof in Christus te belijden. Wat zou het een winst zijn, als alle lidmaten en doopleden opnieuw hun roeping gingen verstaan en trouwer en warmer dan ooit te voren hun belijdenis en doop gingen waarmaken. Wáár, voor zover het onze roeping geldt tot geloof en bekering.
Van een opzettelijk wanordelijk gedrag, zoals dat in verschillende gemeenten te zien is, verwacht ik persoonlijk voor de kerk slechts narigheid en teleurstelling. Van een lid worden van vijf, zes kerken tegelijk (hoe idealistisch ook bedoeld) zal in de praktijk weinig nut worden gezien. Men kan toch op zondagmorgen geen zes kerken tegelijk gaan bezoeken? Men is toch niet van plan om zes kerkformaties tegelijk met een stevige financiële bijdrage te steunen? Men wil toch niet het lidmaatschap van zes kerken tegelijk als een oecumenisch gebaar zien, zonder enig feitelijk effect, anders dan dat men in zes kerken tegelijk wil meestemmen en meeregeren?
De tijd is ernstig. De kerk staat er moeilijk voor. God geve, dat zij alle wettige middelen aanwendt opdat het Woord zijn loop hebbe. Want de problemen groeien ons allen (niet de synode alleen) boven het hoofd.
Duidelijk is, dat wij met financiële maatregelen niet geholpen zijn. Nodig is terugkeer tot een bijbels-reformatorische prediking, pastoraat, catechese en beleid. Het oude parool 'Kerk, wees kerk', verdient ook nu alle aandacht.
Een proefschrift in discussie
Rondom het geruchtmakende proefschrift van dr. H. Wiersinga over de verzoening is een felle discussie gaande. Het boek zelf zal ook in dit blad nog wel de nodige aandacht krijgen. In 'Waarheid en Eenheid' van 6 april wordt een persoverzicht gegeven van een aantal artikelen die over dit boek verschenen zijn.
Zoals u wellicht weet, oefent dr. Wiersinga scherpe critiek op de leer van de verzoening door voldoening. Zondag 5 en 6 van de catechismus, verschillende artikelen van de Nederlandse geloofsbelijdenis, allerlei uitdrukkingen uit de liturgische formulieren zouden onschriftuurlijk zijn, want volgens deze amsterdamse studentenpredikant mogen we niet zeggen, dat Christus de schuld gedragen heeft in onze plaats en dat Gods toorn door Hem doorleden is.
Er is van verschillende zijde critiek geoefend op de wijze, waarop dr. Wiersinga de bijbelse gegevens uitlegt. Maar wat zijn de achtergronden van de door Wiersinga geboden alternatieve verzoeningsleer?
Ds. M.P. van Dijk gaat in de Friese Kerkbode van 5 maart hier op in, en wij citeren uit 'Waarheid en Eenheid' van 6 april:
Misschien, ja zeker zijn er lezers die er niet zo veel van begrijpen. Hoe kan een bijbels theoloog nu loochenen wat er duidelijk staat? De verklaring van deze omstandigheid is m.i. hierin te zoeken dat W. de bijbel benadert vanuit bepaalde achtergronden. Als wij vragen naar die achtergronden dan geloof ik te moeten wijzen op de moderne gedachte van verantwoordelijkheid en vrijheid. Zowel prof. Smits als dr. Sölle hebben uitgesproken dat de mens verantwoordelijk is en blijft voor zijn eigen daden. Als hij schuld heeft kan niemand die schuld van hem overnemen. Hij is en blijft zelf verantwoordelijk voor wat hij gedaan heeft of niet gedaan heeft. Wiersinga spreekt ook herhaaldelijk van het alibi. Als Jezus onze schuld in onze plaats draagt verschaft Hij ons een alibi.
U weet wat een alibi is. Ik heb een alibi als ik kan aantonen dat ik op het tijdstip van een of andere misdaad heel ergens anders was. Ik kan mij in dit geval aan mijn verantwoordelijkheid onttrekken. Ik ben er niet bij geweest. Ik heb het niet gedaan.
Verschaft ons het plaatsvervangend lijden van Christus een alibi? Kunnen we zeggen als Jezus lijdt onder onze schuld: ik ben er niet bij geweest, ik heb er niets mee te maken, ik ben niet verantwoordelijk?
Ik ben van mening dat het tegendeel het geval is. Juist als Jezus lijdt onder onze schuld worden wij verantwoordelijk gesteld: het is onder onze schuld dat Hij sterft. Het lijden van Christus is geen vluchtheuvel. Wie er een uitvlucht van maakt heeft er niets van begrepen.
Zegt Paulus het overigens ànders? Het 'met Christus ben ik gekruisigd', lezen we bij deze apostel, zoals hij ook verder kan gaan: 'en toch leef ik, (dat is), niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij'. (Gal. 2:20a.)
We staan niet op 'n afstand te kijken — we zijn er, integendeel, ten nauwste bij betrokken.
Van Dijk stelt een paar krachtvragen.
Bovendien, zijn we niet verantwoordelijk voor het al of niet aanvaarden van dit lijden?
Wordt onze verantwoordelijkheid niet vermeerderd omdat we nu, na dit plaatsvervangend lijden, moeten leven als kinderen des lichts? Als iets wel heel duidelijk blijkt, wanneer we de bijbel lezen, dan is het wel dit dat het lijden van Christus onder onze schuld in verband wordt gebracht met onze roeping nu, temeer ons leven aan God en de naaste te wijden.
Alibi? Het tegendeel er van!
Vermeerdering van verantwoordelijkheid! Wat doe ik met deze schat?
Inderdaad. Wat dóen we met Jezus' plaatsvervangend lijden?
U begrijpt: Alles staat hier op het spel. Geen wonder, dat de critiek fel is. Het is intussen niet iets nieuws. In onze Hervormde Kerk is reeds tot tweemaal een discussie gevoerd over de verzoening in de na-oorlogse jaren. Het is triest, dat nu ook aan de V.U. geluiden gehoord worden, die in flagrante strijd zijn, met wat de kerk eeuwen beleden heeft. Want waar het plaatsbekledend lijden van Christus wordt geloochend snijden we het hart uit het Evangelie. Wij lopen dan gevaar dat we de mens niet meer wijzen op het volbracht werk van Christus, als de enige grond, maar naar zichzelf en zijn humaniteit. Dat zou dan parallel lopen aan het moderne levensgevoel. Maar het is totaal in strijd met het Evangelie. Wiersinga's dissertatie is een symptoom van de onbijbelse koers van de moderne theologie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's