Ingezonden
Ziet toe dat niemand u als een roof meeslepe door de filosofie en ijdele verleiding naar de overlevering der mensen, naar de eerste beginselen der wereld en niet naar Christus. Want in Hem woont al de volheid der godheid lichamelijk. Col. 2:8, 9.
Paulus heeft de gemeente van Christus voortdurend gewaarschuwd tegen dwaalleringen, met name die, welke door hun wijsgerig karakter grote invloed uitoefenen.
Deze waarschuwing is altijd actueel gebleven en vooral in deze tijd is het van onbeschrijflijk groot belang dat de kerk op haar hoede is. Dat wil niet zeggen dat zij niet voor veranderingen en herstructureringen vatbaar zou mogen zijn. Het tegendeel is waar. Wil men als kerk zijn opgewassen tegen het radicaal modernisme van deze tijd, dan zal een reveil noodzakelijk zijn. Christus heeft een levende kerk gesticht, die tegenover alle aanvechtingen actief en gefundeerd stelling zal moeten nemen. Er moet gezegd worden dat de gemeente op dit punt nog wel eens in gebreke is gebleven. Een bezadigd piëtisme impliceert een geestelijke ontwapening.
Nu is het echter de vraag of de nieuwe theologie een reveil inhoudt of dat het eerder analoog is aan de destructieve wijsbegeerte in bovenstaande tekst.
De moderne godgeleerdheid bevat veel aannemelijks voor de moderne mens, juist omdat zij op politiek-, sociaal- en cultureel terrein zulk een belangrijke plaats wenst in te nemen. De verinnerlijking in het geloof moet plaats maken voor een eschatologische wereldbeschouwing. Als wij echter de accenten zodanig gaan verleggen dat van een luttel verschil in nuance, van verschillen in opvatting met handhaving van de kern, geen sprake meer kan zijn (het meest relevante en principiële wordt immers aangetast) wordt de zaak bedenkelijk. Wanneer de wereld naast arbeidsterrein ook uitgangspunt wordt blijft er van ons christen-zijn weinig over. Ik geloof niet dat het een te voorbarige veronderstelling is dat de nieuwe theologie in die richting wijst.
Sartre's God-is-dood theorie blijft nog wel verwerpelijk, maar diens gedachten over de vrije, geestelijk autonome mens (die Sartre na Gods dood ziet verschijnen) lijken de grenzen der theologische aanvaardbaarheid niet meer te overschrijden.
Prof. dr. G.C. van Niftrik heeft in zijn jongste uitgave Het bestaan van God het een en ander aan de orde gesteld. Hij neemt op een, naar mijn gevoel, gezonde wijze stelling tegenover de moderne theologie. Toch vormen de uitspraken van de theologische nieuwlichters voor hem niet zonder meer een obsessie. Van Niftrik schijnt te zoeken naar een compromis, waarbij men zich opnieuw rekenschap zal moeten geven van het belang der belijdenis.
Hoe anders klinken Aalders' woorden in De grote ontsporing. Hier worden volgens mij de zaken veel radicaler gesteld. Het. hoopvolle van Van Niftrik is bij hem lang niet zo sterk aanwezig. Dr. Aalders ziet in de geschriften van Barth, Blumhardt en zelfs in die van Kuyper belangrijke tekenen van verval. Hij klampt zich vast aan de reformatie, laat Luther spreken en verwerpt elk modernisme dat op welke wijze ook het reformatorisch belijden in diskrediet brengt.
Ondanks de bemoedigende woorden van eerstgenoemde hoogleraar gevoel ik toch meer affiniteit met Aalders' visie (vooropgesteld dat ik zijn boek op de juiste wijze heb gelezen en zijn bedoeling op de juiste wijze heb aangevoeld), hoewel ik Het bestaan van God met meer genoegen gelezen heb dan De grote ontsporing. Is het niet een feit dat Gods Woord en het reformatorisch belijden in de maalstroom der theologische discussies wordt ontkracht? Is het niet een feit dat met name bepaalde wijsgerige elementen in de godgeleerdheid steeds meer een vraagteken gaan zetten achter Christus' heilswerk en de 'wereld' van een uitroepteken voorzien? Is het een wonder dat velen eenvoudig niet meer weten wat ze moeten geloven? De dialektiek, eigen aan deze tijd, vertoont de voortekenen van een geestelijke diaspora en een uiteindelijke ontsporing. De christen behoort bij het aanschouwen van deze ontwikkeling noch in jammerlijke klaagzangen los te barsten, noch te trachten zijn geloof op een wijsgerig of wetenschappelijk plan te brengen om voor zijn intellectuele naaste meer acceptabel te maken. Integendeel; hij zal moeten bidden en getuigen en in alle stormen zal zijn fundament onwankelbaar moeten zijn omdat het immers op een Rots is gebouwd. Een christen moet tenslotte altijd kunnen juichen omdat hij boven zijn eigen beperktheid kan uitgrijpen naar een levende God en een verzoenende Christus. Dan sluit hij de wereld niet uit, maar kan ondanks — beter: dank zij — zijn verborgen omgang met God ook extravert zijn op een wijze die van eerlijke naastenliefde getuigt.
De wijsheid van een christen ligt in zijn erkenning van eigen kleinheid, want hij is als een korenaar: hoe rijper hij wordt, des te meer buigt hij het hoofd.
Slechts met Hem kunnen wij verzoekingen en dwalingen weerstaan. Wie niet tot dat inzicht komt is arm, want hij meent, vertrouwend op eigen kracht en wijsheid, zelf voorbereider van het heil te kunnen zijn.
Hij, die zijn eigen weg wil gaan,/ ziet dwaallicht vaak voor sterren aan,/ en gaat hij op dat schijnsel door,/ dan dwaalt hij licht van 't rechte spoor./ Indien wij wand'len bij het licht/ van zijn vertroostend aangezicht,/ zien wij met vreugde dat zijn kracht/ in onze zwakheid wordt volbracht.
(Hieronymus van Alphen)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 april 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 april 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's