Mens in Gods wereld
(N.a.v. de conferentie van het C.O.G.G. op 31 maart en 1 april l.l. op Woudschoten.)
Ik wil beginnen met een verhaaltje. Toen keizer Wilhelm Jeruzalem bezocht en een van de poorten van Jeruzalem van zijn top ontdaan moest worden, omdat het de keizer niet behaagde om van zijn paard vóór de poort af te stappen, voegde deze vorst bij de gemelde vernedering nog deze, dat hij — in een der musea aangekomen — zei: 'Ich möchte etwas Neues sehen' (ik zou wel wat nieuws willen zien). Het ging om archeologische vondsten. Een vergrijsde hoogleraar archeologie waagde toen de vraag: 'Kennt Seine Majestät schon das Alte?' (Kent Zijne Majesteit het oude al?)
Op de laatstgehouden conferentie van het Contact Orgaan van de Gereformeerde Gezindte hebben wij ons begeven op een terrein dat in de meest letterlijke zin zo oud is als de wereld, en waarvan zich toch laat vragen: 'Kent u dit oude reeds?' Er is tijdenlang in de theologie en andere levensbeschouwelijke wetenschappen gesproken over de verhouding van Kerk en wereld, mens en wereld enz. Doch een nauwkeurige analyse, zoals prof. dr. W.H. Velema in zijn referaat op deze conferentie over het onderwerp 'Mens in Gods wereld' heeft gegeven, wordt ons bij de vraagstellers en beantwoorders in woord en geschrift zelden geboden. En daarom: 'Kennt Seine Majestät schon das Alte?' Ofwel: 'Er is niets nieuws onder de zon'.
En toch is in dit thema en zijn gebied een verschuiving van waarden binnengeslopen, - die ons doet vragen, of: het thema er niet grondig door beïnvloed en eventueel door gewijzigd is. Die verschuiving noemen wij sekularisatie of — als het proces nog volop aan de gang is — sekularisering. En het eerste gevolg ervan is, dat het buiten maar ook binnen Kerk en christendom moeilijk is en steeds moeilijker wordt om van Gods wereld te spreken en dan ook nog reël te blijven.
Twee vragen
De twee grote vragen, waarvoor het christendom zich in de 20ste eeuw t.o.v. de wereld gesteld ziet, zijn m.i. 1) of de sekularisering een gunstig neutraal gebied t.o.v. adat en heidendom schept en of dat neutrale gebied een invalspoort is voor de bijbelse verkondiging van schepping, verzoening en verlossing; 2) of de kosmos, wat de toekomst betreft, de praeparatie inhoudt van wat het NT noemt de toekomende eeuw, of wel de 'eeuw' Gods; tegen het licht van wat we lezen in Romeinen 8 houdt dat deze vraag in: of deze schepping de kinderen Gods baart, of zij uit deze wereld openbaar komen.
Laten we met de tweede vraag mogen beginnen. Hetzelfde Rom. 8 stelt naast elkaar dat de schepping de ijdelheid onderworpen is èn dat de schepping straks vrijgemaakt wordt van de slavernij aan het verderf tot de heerlijkheid der kinderen Gods. En bovendien laat dit hoofdstuk duidelijk uitkomen, dat die heerlijkheid der kinderen Gods niet gebaard wordt door de wereld, maar geopenbaard in de verlossing van hun 'lichaam' door de Geest. Allemaal termen en woorden, die nauwkeurig vakmanschap in de exegese oproepen, doch dat wordt hier van mij nu niet verlangd. Laten we het dus even bij deze aanhalingen houden.
Wat de eerste vraag betreft: het christelijk geloof wordt nergens in de Schrift als een zaak zonder strijd aangeduid; het houdt de strijd in, zij het niet tegen vlees en bloed, doch tegen de archai, noem het: de principes, de machten en de geestelijke boosheden in de lucht. Op zendingsterrein is het tenminste inmiddels duidelijk (via het boek van I.H. Enklaar: Onze blijvende opdracht), dat overal waar het vroegere heidendom gesekulariseerd wordt, geen neutraal gebied ontstaat, doch een nieuw, gesekulariseerd heidendom, welks wortels moeizamer worden gevonden, doch niet minder taai zijn dan bij het vroegere, klaarblijkelijk godsdienstig geladen heidendom.
Dat wil m.i. zeggen, dat op beide vragen het antwoord slechts een geloofsantwoord kan zijn. Waar het geloof zich naar de situatie om laat buigen en terwille van de stand van zaken nú de vroegere praxis van christen-zijn, zoals die in de apostolische vermaningen naar voren komt, bijkomstig acht, daar hebt u bij uzelf en anderen niet met geloof doch met 'tijdgeloof' te maken, dat bang is om 'weltfremd' te worden en niet ziet dat het te gronde gaat aan de zichtbare dingen of .... dat de zichtbare dingen verwart met wat van scheppingsgegevens door de mens of groepen van mensen gemaakt wordt, en dan na tientallen eeuwen doornen en distels nog net zo gemakkelijk over kultuurmandaat spreekt, alsof er in de ontaarding van de cultuur geen ontwikkeling of verheviging zou zitten. Wij moeten wandelen als ziende de Onzienlijke en in elk geval aan Hem vasthouden, en het zal wel niet toevallig zijn, dat het NT naast het 'gewone' werkwoord voor zien er nog één kent, dat zoveel als schouwen inhoudt.
Bevinding
De ene grote verzoeking, waaraan het christendom zo niet bezweken dan toch bloedarm geworden is, is het gebrek aan bevinding, niet slechts als (pure) innerlijkheid, doch als het zich bevinden van de christen voor Gods aangezicht en onder de beschijning der eeuwigheid in deze wereld en in deze geschiedenis, waar hij niet uit kan of hoeft weg te lopen. Want hier nam Christus vlees en bloed aan. Nadat theologie en christelijke philosophie als koningin en zelfs als dienstmaagd der wetenschappen officieel hadden afgedaan — zeg van de tweede helft der achttiende eeuw tot in de vorige — heeft de mondigheid van allerlei wetenschap en kultuur zich daarin geuit, dat de theologie achter de vragen aansjokte, die elke tijd haar stelde en de christelijke philosophie, of zeg: de philosophie in het algemeen nauwelijks werd toegestaan om over iets anders dan het existentialisme te spreken. Het christendom werd of een geliefd of een overbodig verschijnsel, al naargelang een bepaald tijdsgewricht of gelegenheid een plaats openliet of weigerde een plaats in te ruimen voor het christelijk geloof. In zoverre dat een staartje was van de bittere nasmaak van caesaropapisme en kerkstaat of staatskerk, laat zich dat begrijpen. Maar de diepere konsekwenties, los van de voorgaande geschiedenis, waren, dat christendom en christen-zijn en christelijk geloof aan ieders vrijheid, zeg: aan iedere neutraliteit en persoonlijke keuze-zonder-pijn-voor-de-omgeving werden overgelaten. De rollen waren niet maar politiek en kerkrechtelijk omgekeerd. Neen, de volgorde van Woord Gods en mensentaal. Wet Gods en romeins recht, theokratie (Godsregering) en oligarchie (regering door weinigen) of demokratie (regering door het volk), bewaren en bebouwen en kultuurbedrijving-met-ingebouwd het doel der kreativiteit; — die volgorde was en is in het geding.
En wat is nu die verzoeking, waarbij de getypeerde bevinding gedeeltelijk ontbreekt? Dat zien we, wanneer we nagaan wat er aan gedokterd is van christelijke zijde om de volgorde te handhaven. Op allerlei terrein zijn tenslotte ernstige pogingen gedaan om het terreinverlies van Kerk en christendom tegen te gaan of te vergoeden en in ieder geval wat overbleef, zeker te stellen. Dat is radikaal mislukt, en ik zeg dit niet als een hautain oordeel dat mij niet past, doch omdat zulks zich aan u en mij als feit opdringt. Met fundamentalisme pur sang buigen wij de taal der mensen niet meer om tot die van profeten en apostelen. Met de oriëntering aan de Tien Geboden geven wij geen pasklaar wetboek op Goddelijke basis voor een gekompliceerde samenleving. Met de theokratie als partijprogram bereiken wij niet meer dan bij voorbeeld een onverdragelijke kerkstaat, al naar gelang wie de pretentie voert om Gods regering waar te maken. Met stichting van een paradijs onder hen die schermen met woorden als kultuurmandaat, lopen wij wat de mensenwereld betreft alleen maar te pletter op de nuchtere konstatering van Sartre kort na de oorlog: Wij hebben de schepen van godsdienst en kultuur achter ons verbrand en moeten in het niemandsland der toevalligheden alleen verder met dat 'humanisme', die wijze van mens-zijn, die in het meest konsekwente existentialisme wordt voorgestaan en voorgeleefd.
Tussen alles wat er fout is en wat de christen beter wil, staat het kruis tot verzoening van de val en haar gevolgen en tevens als een der trappen van Christus' vernedering om onzentwil. Is er dan geen opstanding en geen hemelvaart geweest, en heeft God niet van Zijn Geest uitgestort op alle vlees, zodat Hij bij ons blijft als de Herschepper? Zeker, doch niet als gemeengoed, niet als bodem die identiek is met het land waarin wij ons bevinden en de wereld waarin wij leven. Wanneer ik het woord 'kruis' laat vallen, dan bedoel ik ook niet de afbraak, doch de opbouw-op-een-andere-manier. Konkreet gezegd: het Woord Gods als Christus' spijze en drank en zo alleen betoning van geest en kracht in ons midden en zo alleen het eerst begin van alle taalwetenschap; de Wet Gods als tuchtmeester tot Christus, en zo alleen, uit de Eersteling van de opstanding, norm van al wat recht is, namelijk die gerechtigheid die van de hemel neerziet (Ps. 85); de theokratie als geloofsartikel en zo alleen het geloof in, de wetenschap en ervaring van God Die regeert en de wijze waarop Hij regeert en wij Hem laten regeren, in ons en buiten ons; het bewaren en bebouwen van de hof als een wandel in de hemelen, en zo alleen is er een kracht op aarde, die — omdat het Gods aarde is — alle dekadentie en moeheid in de kultuur de loef afsteekt, doch er zich — gezien de wandel in de hemelen — wel terdege voor zal wachten om naar kreativiteit, uiterste pieken te streven om dan het oordeel van Icarus òver zich te zien herhalen.
Welnu, dàt is wat wij me dunkt hebben te verstaan onder bevinding — een niet-aangepaste noch zweverig-angstige maar gelovige wijze van christen-zijn en dus mens-zijn, waaraan noch de wandel op aarde noch die in de hemelen vreemd is en die daarom weet hoe laat het is op de wereldklok. En zó zullen wij beleven dat de schepping (en niet langer de wereld), de schepping (en niet langer de natuur), de schepping in al wat haar over is en al wat van haar door de opstanding van Christus en het werk van de Geest de doodswade heeft afgelegd, met opgestoken hoofd, met reikhalzend verlangen de openbaring der kinderen Gods in heerlijkheid tegemoet ziet en ondanks zichzelf weer sier en schoonheid wordt (kosmos) omwille van de heerlijkheid der kinderen Gods, en ondanks zichzelf en allen die er een ratjetoe van maken, belijdt en getuigt dat dit, zelfs bij een naderend einde, zelfs met in het vizier nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, — dat dit toch het enige is waartoe God haar in het aanzijn riep.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 april 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 april 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's