Voorbede en vermaan
'Wat ook mij aangaat, het zij verre van mij, dat ik tegen de Here zou zondigen; dat ik zou aflaten voor u te bidden; maar ik zal u de goede en rechte weg leren.' 1 Samuel 12:23.
Er is heel wat aan de hand geweest in de laatste weken. De verkiezingen, met hun wel ontmoedigende uitslag; de verjaardag van de koningin; de herdenking — zij het uiterst sober — van de bevrijding. Het 'gemeenebest' stond midden in de belangstelling en dat is goed.
Leve de koningin. Dat is de gebruikelijke gelukwens, bij haar verjaardag en wij willen daar van harte mee instemmen. Lang leve de koningin. God moge haar en haar huis zegenen en tot een zegen stellen voor ons volk. Laat de liefde niet verflauwen, dat geldt ook van de liefde voor het huis van Oranje.
Leve de koning! Lang leve koning Saul. Dat riep het volk Israël luidkeels toen Saul opnieuw in het ambt bevestigd was. Wat waren ze blij; ze hadden een koning en wàt voor een! Hij had zoëven de stad Jabes bevrijd uit de hand van Nahas de koning van Ammon. Hij was de naam van koning waard, hij kòn het; hij was heel wat mans deze Saul.
Daar treedt Samuël naar voren. Het volk bedwingt z'n luidruchtigheid en schikt zich tot luisteren. Samuël is hun oude richter, hij voerde zo vaak het woord, en hij had iets te zeggen. Deze keer voor het laatst; Samuël maakt plaats voor Saul. Ziet, daar trekt de Koning voor uw aangezicht heen en ik ben oud geworden. Hij somt zijn eigen verdiensten niet op; een héél leven had hij aan dit volk gewijd. Had hij aan de Here gewijd. Hij trok als richter de zaken van Israël recht voor de Here hun God en tegenover hun vijanden. Nu zet hij nog een keer de dingen recht voor het aangezicht des Heren. Daar is hij richter voor.
Niemand kan hem machtsmisbruik verwijten; hij is ook niet rijker geworden van zijn ambtsbediening. Dat stelt hij terloops vast, om dan hun aandacht te vragen voor de geschiedenis. Om te getuigen van God, Die geschiedenis maakt: Het is de Here, Die ... Hoe spoedig vergeten ze het; wij ook. Wij worden er aan herinnerd en dat is maar goed. Hoe spoedig verlaten zij Hem: wij ook. Israël wilde een koning, net als de andere volken, terwijl zij een opgericht teken waren van het koningschap Gods. Dat teken halen ze neer, nu ze Saul op de troon zetten. Samuël is daarover ontsteld. Maar hij legt er zich bij neer. Nu, goed dan, als ze in het vervolg maar niet wijken van de Here, hun God. Als koning en volk maar de weg achter de Here gaan.
Het is de Here, Die ... Onweer en regen zetten aan zijn woorden kracht bij, zodat het volk angstig om zijn voorbede vraagt. Ze zijn bereid hun schuld te bekennen. Van die gelegenheid maakt Samuël gebruik om hun het Woord Gods nog eens op het hart te binden. U ziet hem voor u: Samuël de vergrijsde richter die bij zijn afscheid, een hartstochtelijk beroep doet op het volk om de Here toch te dienen. Het is als zien we Mozes bezig en Jozua. Wij zien hem niet alleen, wij horen hem. Wij horen het Woord des Heren als uit de mond des Heren. Ook onder ons moeten de dingen recht gezet worden; het predikambt is richterambt.
Is Samuël wat in zijn wiek geschoten omdat Saul de man is vandaag? Och, het deed hem eerst wel pijn; hij voelde zich door het volk aan de kant geschoven, verworpen. Maar hij kijkt niet verongelijkt toe, hoe het nu gaat. Hij komt naar het midden zonder een zweem van toorn of van trots. Hij heeft hun verzoek gehoord: wilt u, als 't u blieft voor ons bidden, en hij willigt het in. Wat ook mij aangaat het zij verre van mij, dat ik tegen de Here zou zondigen, dat ik zou aflaten voor u te bidden. Geen sprake van, dat ik daarmee zal ophouden. Dat verhoede God, het zou zonde zijn. Want God heeft hem dat bevolen.
Zo is de voorbede voor overheid en volk aan de gemeente bevolen. Vóór alles bevolen. Aan deze inzetting des Heren zullen wij niet ongehoorzaam zijn. Wij kunnen er ons aan onttrekken, en daarvoor dan redenen aanvoeren, die een schijn van recht hebben. Wij zijn goed genoeg om voor hen te bidden, maar naar ons luisteren, ho maar. Laten ze het zelf maar uitzoeken, ik trek er mijn handen van af, ik hef ze niet langer op. Voor zo'n volk? Voor zo'n overheid? Van dergelijke opmerkingen vinden wij bij Samuël geen spoor. Het vlees, ook het 'vrome' vlees moet zich onderwerpen aan de Geest der genade en der gebeden.
Overheid en volk hebben niets dringender nodig, dan een volhardende voorbede. Waar die ontbreekt, is al ons preken en spreken over de zonde van land en volk met onvruchtbaarheid geslagen. Dan zitten wij gemelijk te kijken, net als Jona naar Ninevé keek. Samuël springt voor Israël in de bres; hij treedt tussen het volk en de Here, om voor hen te bidden. Richten wij deze dienst trouw en met een bewogen hart uit, dan worden we bewaard voor hoogmoed en bitterheid. Zochten we meer onze kracht, in de voorbede, dan zou dat vorstenhuis, overheid en volk ten goede komen. Gebeden brengen het verder dan betogen, ze brengen het voor de Here. Er zijn voor de verkiezingen veel redevoeringen gehouden, maar van bidstonden heb ik niets gehoord.
Het zij verre van mij. De Here vertoornt zich als de voorbede ontbreekt. Alleen waar wij ons verootmoedigen en Zijn aangezicht zoeken daagt er licht in de duisternis. Doen wij het dan! Wij hebben een vorstin, een overheid, een volksleven. Wij hebben een Voorbidder: Christus Jezus. Hem is gegeven alle macht; door Hem regeren de koningen, van Hem ontvangen wij de opdracht tot voorbede. Daardoor wordt het gemeenebest bevestigd tegen boze aanslagen en zware tegenslagen.
Bij de voorbede hoort het vermaan. Geen bidden zonder leren. De mensen zijn daarvan vaak niet gediend. In nood en angst vragen ze wel eens: bid voor me. Zo was het in de oorlogsdagen, die velen van u zich nog herinneren. Toen werden er bidstonden gehouden. Niet leren, niet preken? Wat een dwaasheid. Hoe kunnen wij uw zaak voor God behartigen, als wij Gods zaak bij u niet mogen behartigen. Dat geldt ook omgekeerd. Eerst bidden, dan leren. Het vermaan wordt in het gebed voorbereid. Het wordt ontdaan van alle boosheid en hardheid. Het is aan ons leren te merken of het bidden er aan voorafging. Denk daar eens om, in gezin en gemeente. De biddeloosheid, die zich breed maakt moest ons eigenlijk de woorden van vermaan op de lippen doen besterven. Velen spreken onvervaard door, en merken dit niet; de hoorders blijkbaar evenmin. Zondigen tegen de Here noemt Samuël het, en daarmee is het geoordeeld.
Maar ik zal u de goede en rechte weg leren. Straks gaat het volk weer zijns weegs. Welke weg? Waar gaat het met hen heen? En langs welke weg denken ze het doel te bereiken? Zij menen: dat zit wel goed; wij hebben nu een koning, we gaan een welvarende en eervolle toekomst tegemoet. Is dat de goede, de rechte weg? Zijn het voor Gods aangezicht geen kromme wegen? Het moet ons geleerd worden, wat de goede en de rechte weg is; wij weten het niet en willen er niet van weten. Leren is doen weten. Zó weten, dat we het doen. Een weg is er om die te gaan. De goede en rechte weg leren we gaan. Er zijn mensen, die voorgeven de goede weg te weten, die hem een ander uitduiden, maar ondertussen een eigen weg gaan.
De goede weg is de weg van Gods geboden en beloften. De rechte weg loopt op God aan. Hij stelt zich in Zijn Woord aan ons voor: Ik ben de Here uw God. Hierheen. De hele wet is een: hierheen. Rechtuit, naar Hem toe. Die weg leert Samuël aan Israël, aan een hardleers volk. Dit is de weg, wandelt daarop. En tot vandaag toe horen we die stem achter ons: Dit is de weg, wandelt daarop.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 mei 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 mei 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's