De doop met de Heilige Geest en de Pinkstergroepen
II
Men zal het in de Pinkstergemeenten nooit beamen en we nemen zonder meer aan dat men dit ook niet bedoelt, maar in feite komt het er toch op neer, dat men de H. Geest losmaakt van Christus en Hem daarmee ook losmaakt van het Woord.
Al lezende krijgt men telkens de indruk dat de H. Geest, volgens de Pinkstergroepen, iets gaat doen, wat Christus Zelf nu juist ontkent. De H. Geest gaat van Zichzelf spreken en Christus zegt juist: Hij zal van Zichzelf niet spreken. Hij zal Christus verheerlijken; want Hij zal het uit het Zijn (Christus) nemen en zal het aan mensen verkondigen (Joh. 16:13 en 14).
Precies hetzelfde, dat één-zijn, hebben we in de verhouding tussen de eerste en de tweede Persoon in de goddelijke Drieeënheid (Joh. 12:49).
Met Pinksteren is de 'christelijke' gemeente geworden tot een H. Geest-, een 'Pinkster'-gemeente.
Als we lezen over de werking van de H. Geest, dan zien we Hem met name 'zelfstandig' werken; het is niet zo dat door de H. Geest vooral de Vader met Zijn liefde en de Zoon met Zijn genade woont en werkt in het hart van de mens.
De H. Geest heeft in de Pinkstergroepen een andere plaats en functie gekregen als die welke in de apostolische zegenbede omschreven wordt als: de gemeenschap des H. Geestes. De Pinkstergroepen belijden in wezen dan ook wat anders over de H. Geest als de christelijke kerk in de apostolische geloofsbelijdenis: Ik geloof in de H. Geest. Ik geloof een heilige algemene christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen ...
* * *
Gaarne geloven we de Pinkstergroepen als zij in hun Antwoord aan de herv. kerk zeggen dat zij het stellen van een persoonlijke openbaring boven de waarheid in de Schrift en het afwijken van de algemene christelijke leer afwijzen (a.w. blz. 10). Toch menen we dat de Pinkstergroepen, zoals we zeiden, de H. Geest ook losmaken van het Woord. Later hopen we daar nog wat uitvoeriger op in te gaan.
Nu willen we er alleen maar op wijzen, dat er een duidelijk verschil is in de accenten die gelegd worden in hun prediking en getuigenissen, als we die zetten naast de prediking der kerk.
De verzoening met God, de gemeenschap met Christus wordt niet ontkend, maar wordt toch wel wat naar de achtergrond geschoven. Het bezield worden met de Geest, het begiftigd worden met verschillende (opzienbarende) Geestesgaven enz. staat veel meer op de voorgrond. Dat wat Christus van de 'Trooster' zei, springt er echt niet uit. De Here zei: Ik kom weder tot u; Ik zal u geen wezen laten. Ik ben met u al de dagen, en zovele uitspraken meer.
Dat zijn immers allemaal dingen die behoren tot het 'Wedergeboren-zijn' en met Pinksteren is er een 'plus' bijgekomen.
Dit sluit mede in, dat bij de Pinkstergroepen de bediening van de H. Geest veelmeer een 'stippellijn' is. In elk apart geval voor de dienst aan de Heer is een nieuwe vervulling met de H. Geest nodig (Torrey a.w. blz. 102).
Molenaar zegt ook, dat elke uitstorting (van de H. Geest) een keerpunt schept en hij spreekt dan ook van een herhaling van Pinksteren (Molenaar a.w. blz. 27). Volgens de Schrift is het veelmeer, dachten we, een 'dichte' lijn; zonder twijfel wel een lijn die telkens sterk op en neer gaat, maar dan toch een dichte lijn. De Schrift legt de nadruk op het 'blijven', al de dagen tot het einde toe.
In hun spreken valt niet het accent op Christus en die gekruisigd, maar op de (daar los van staande) H. Geest met Zijn gaven.
Nu is het zonder meer waar, dat zij zich beroepen kunnen op de Schrift als het over die Geestesgaven gaat. Ook daar lezen we van tongentaal, profetie, gaven der genezing enz. We geven toe dat wij, in onze verzakelijkte tijd, ook wel eens veel te weinig stilstaan bij bijv. de genezing op het gebed.
Maar ons bezwaar tegen de Pinkstergroepen richt zich hier tegen, dat bij hen deze tekenen geen gewisse kentekenen meer zijn, doch de aanvankelijke vervulling van dat wat beloofd was. Naar onze overtuiging waren deze wonderen en tekenen, die er vooral na Pinksteren geweest zijn en er ongetwijfeld bij tijd en wijle in alle tijden nog zullen zijn, zuivere Woordbediening, en bij de Pinkstergroepen is het veel meer het reeds in ontvangst nemen van die dingen die beloofd waren!
Op deze wijze is men bezig de H. Geest los te maken van het Woord, de belofte. Het station van het leven uit de belofte laat men achter zich; men reist verder door naar een plus, een toppunt.
We zouden deze Geestesgaven, de wonderen en tekenen willen vergelijken met de sacramenten der kerk. Het zijn inderdaad zichtbare tekenen en zegels, maar met grote nadruk blijven we spreken van zichtbare prediking. Ze zijn niet een aanvankelijke uitkering van dat wat God beloofde. Onze catechismus zegt er van, dat de sacramenten zijn zichtbare waartekenen en zegelen, opdat God ons door het gebruik daarvan de belofte des evangelies des te beter te verstaan zou geven en verzegelen (Znd. 25, antw. 66). Hier is dus geen sprake van het vervullen, doch slechts van het verduidelijken en bekrachtigen van de beloften.
Dat de Pinkstergroepen met hun gedachten veel meer de kant uit gaan van de vervulling van hetgeen beloofd was, blijkt, al uit het feit, dat zij van het ontvangen van de Geestesgaven een systeem gaan maken. Het alleen maar wedergeboren zijn wordt zoiets als een geestelijke 'achterlijkheid'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 mei 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 mei 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's