De doop met de Heilige Geest en de Pinkstergroepen IV
In het vorige artikel heb ik één en ander gezegd over de Heilige Geest en de gemeente. Deze dingen vinden we ook terug in Efeze 4. Paulus spreekt daar o.a. over de hemelvaart van Christus en over het geven van gaven aan de mensen (vs. 8). En als in één adem noemt hij vervolgens de ambten die Christus gaf; en dat tot volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing van het Lichaam van Christus (vs. 11 en 12).
De H. Geest komt dus blijvend wonen in de gemeente. Als we naar de kerk gaan komen we dus als het ware in het 'krachtenveld' van de H. Geest.
Maar dat betekent nooit dat we nu dus automatisch deel zullen hebben aan de Geest, eventueel zonder dat we het zelf merken. Integendeel, we kunnen deze Geest wederstaan (Hand. 7 : 51), bedroeven (Ef. 4 : 30), smaadheid aandoen (Hebr. 10 : 29), uitblussen (1 Thess. 5 : 19) enz.
Aan deze verschrikkelijke zonden maken we ons in wezen schuldig telkens als de kerkdienst bij ons niet de uitwerking gehad heeft van geloof en bekering. We zullen ons laten leiden of anders ons verharden.
Het is inderdaad wel een geweldig stuk om te geloven dat God Zelf, door Zijn Geest, blijvend is komen wonen onder de mensen. Wat kunnen we er een moeite mee hebben dit vast te houden, vooral als we zien op de gemeente en wat daar zo al omgaat.
Maar om er ons van te doordringen dat het toch echt waar is, heeft God bij de aanvang van deze (n.t.ische) bediening wonderen en kentekenen gegeven.
Bij tijd en wijle zal de Here nog wel weer eens van zulke tekenen geven; in een zendingssituatie bijv. Maar nu moeten we dat bijzondere niet als het normale voor gaan stellen; we moeten het niet in een systeem gaan persen.
Het bijzondere dient om de gemeente 'over-te-schakelen' op het nieuwe dat gekomen is; de gemeente moet over een drempel heen geholpen worden.
We mogen nooit zeggen dat soortgelijke tekenen en wonderen nooit meer terugkeren; de werkelijkheid door de eeuwen heen laat het ons wel anders zien.
Maar evenmin mogen we zeggen dat deze buitengewone gaven het één en het al zijn. Toen de tabernakel in de woestijn en de tempel te Jeruzalem ingewijd werden als de woonplaats Gods, toen kon Mozes daar niet ingaan omdat de heerlijkheid des Heren de tabernakel vervulde (Ex. 40 : 35); en in de tempel te Jeruzalem konden de priesters niet staan om te dienen, omdat de heerlijkheid des Heren het huis des Heren vervuld had (1 Kon. 8 : 11).
Maar dit alles betekent niet dat deze dingen van nu voortaan elk moment zouden herhaald worden.
Het feit dat God daar was komen wonen werd er door onderstreept en de beloften aangaande Zijn eeuwig Koninkrijk werden bevestigd en verzegeld door de (voor)tekenen die er mee gepaard gingen en af en toe nog gaan.
Het is om die reden dat het zingen van de Psalmen in de kerkdienst ons zo lief is. Deze Psalmen spreken van het verschijnen voor God, het aanschouwen van God in het heiligdom, waar men Zijn sterkte en Zijn eer mag zien, Zijn Naam mag verhogen.
We zijn van gedachte dat dit zo uitnemend rijke element in de Pinkstergroepen ontbreekt omdat daar de 'gemeente' uit het gezichtsveld verdwijnt. Wat betreft het komen van de Geest leggen zij uitsluitend de nadruk op het persoonlijke.
Dit wordt niet goedgemaakt door te wijzen op het feit dat men in de Pinkstergroepen toch ook z'n samenkomsten en prediking heeft.
Allereerst wezen we er al op, dat de prediking en het getuigen bij hen, om zo te zeggen, aan het Woord, Christus, de tweede Persoon al voorbijgegaan zijn om zich nu vooral te richten op de derde Persoon, de H. Geest en Zijn gaven. Maar er is nog iets.
In de Pinkstergroepen wordt diegene alleen als ambtsdrager erkend van wie het vaststaat dat hij ook met de H. Geest gedoopt en vervuld is.
In de roomse kerk hebben we ook hier weer precies het tegenovergestelde; de priesterwijding is in wezen nooit meer ongedaan te maken.
En nu is het natuurlijk waar dat een 'onbekeerde' ambtsdrager in wezen nooit een goede ambtsdrager kan zijn. Maar zo is het overigens ook met een huisvader. We doen daar niets van af, maar wel is het zo, dat God daar niet van afhankelijk is; God kan ze niettemin als instrumenten gebruiken.
Wat we hier bedoelen te zeggen willen we met een voorbeeld proberen duidelijk te maken.
Als we de kerk vergelijken met een ziekenhuis, dan is het bij de Pinkstergroepen zo, dat de met de Geest vervulde ambtsdrager de geneesheer is. En hij gebruikt allerlei middelen en instrumenten om het gestelde doel te bereiken.
Maar naar onze overtuiging is het zo, dat de H. Geest Zelf de geneesheer is en dat Hij de ambtsdragers als Zijn instrumenten en hun dienst als een middel hanteert om het doel te bereiken.
Dit is natuurlijk een enorm verschil.
’Les extremes se touchent’ zeggen de Fransen; de uitersten raken elkaar.
We hebben het nu over uitersten gehad, en inderdaad heeft het er ook hier veel van weg dat de Fransen met hun zegswijze gelijk hebben.
In de roomse kerk gaat de toepassing van het heil min of meer automatisch; de gewijde handelingen van de priester werken ex opero operate.
Maar we komen hier angstig dicht bij in de buurt als er gesteld wordt dat de met de Geest vervulde ambtsdrager de 'geneesheer' (zie boven) is.
En als we nu even dat (roomse) woord 'automatisch' vervangen door het (Pinkstergroepen) woord 'methodistisch', dan gaan we er iets van zien.
De twee uitersten komen langs een totaal verschillende weg; de één via de gemeenschap, de ander via het persoonlijke, de enkeling, maar zij komen beiden dicht bij elkaar uit; bij de mens namelijk. De één bij de tot priester gewijde mens en de ander bij de door de Geest vervulde mens, maar beiden bij de mens.
Onze gedachten gaan uit naar het dwingende, het hartstochtelijk meeslepende in gebeden en zingen; naar het plotselinge van de bekering. Allemaal trekken die we in de Pinkstergroepen tegenkomen, waar toch het 'methodisme' hier en daar tot zoiets als een systeem uitgegroeid is.
Veel te veel hangt er, naar onze mening, af van de persoon van de voorganger. Het moge dan wat overtrokken gezegd zijn, maar bij de Pinkstergroepen is het zo, dat de met de Geest vervulde voorganger als zodanig de H. Geest meebrengt. God heeft het 'uit-handen-gegeven' en het tóebetrouwd aan de Geest-vervulde voorganger. Dit 'uit-handen-geven' kwamen we ook al tegen bij de roomse kerk. Daar geschiedt dat eens en voor altijd aan de in apostolische successie elkaar opvolgende bisschoppen na Petrus. De kerk valt min of meer samen met de H. Geest.
In de Pinkstergroepen hebben we hetzelfde; alleen heeft dit 'uit-handen-geven' niet plaats doordat het eens en voor altijd gegeven wordt aan de gemeenschap, de kerk, maar aan een enkeling. En dan nog niet aan die enkeling eens en voor goed, maar in elk apart geval voor de dienst aan de Heer is een nieuwe vervulling met de H. Geest nodig (Torrey, a.w. blz. 102).
Op Pinksteren is echter God Zelf — blijvend — komen wonen in de gemeente door Zijn Geest. Wanneer in de kerkelijke weg Zijn Woord en Sacramenten worden bediend, is het God Zelf die ons daar (persoonlijk) aanspreekt; God Zelf is daar bezig door Zijn Geest en dit verkondigde Woord. Daar worden niet alleen maar getuigenissen afgelegd van hetgeen vroeger of nu plaats had en heeft, maar de levende God Zelf is 'hier en nu' met ons bezig en roept ons op om Zijn Woord aan te nemen en ons te bekeren.
Als Christus de zeventig discipelen uitzendt om te preken, zegt Hij tegen hen: wie u hoort, die hoort Mij; en wie u verwerpt, die verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, die verwerpt Degene Die Mij gezonden heef t (Luc. 10 : 16).
Nog op een ander punt zien we dat de twee uitersten, Rome en de Pinkstergroepen elkaar raken.
In de roomse kerk komen we telkens ook iets tegen van het 'triomfantelijke'. De pracht, de praal en luister die over alles uitgespreid ligt, hoort er echt al bij. De overwinning is hier en nu reeds bezig werkelijkheid te worden.
In de Pinkstergroepen vinden we iets dat er toch een beetje op lijkt.
Er is een aanvankelijke 'gearriveerdheid'; het hoort er zo bij, dat men alleen maar blij is en in een jubelende stemming verkeert. Met wat overdrijving gezegd: Men heeft het en men is er.
Deze overeenkomst hangt samen met een elkaar-raken dat we al signaleerden. We spraken over het punt dat men de H. Geest losmaakt van het Woord. Dit gebeurt als men het Woord (de belofte) gaat zien als een gepasseerd station en gaat komen in het stadium van het inlossen van dat wat beloofd was.
Bij Rome is dat duidelijk zo, als we letten op hun opvatting over de sacramenten. Die sacramenten zijn niet meer een zichtbare prediking, een onderstreping van de belofte, maar via de sacramenten worden de dingen zelf (die beloofd waren) al geschonken. Men heeft het geloof achter zich gelaten en is reeds aan het aanschouwen toegekomen. Vandaar dat triomfantelijke, die indruk van gearriveerd-zijn.
Hetzelfde kwamen we tegen bij de Pinkstergroepen, zij het in een totaal andere vorm. Het Woord, de tweede Persoon, heeft men achter zich gelaten en men is nu toe aan de derde Persoon. Men is gekomen aan het vervullen, het inlossen van dat wat het Woord beloofde.
Het element van het 'nog-niet' ontbreekt er zo aan, en dit zal toch altijd een wezenlijk deel zijn van het geloof dat aanneemt de dingen die alleen nog maar beloofd werden. Wat we missen, is de weerklank van het gebed waarin de Geest en de Bruid samenstemmen; het gebed dat tot Christus roept: Kom! (Openb. 22 : 17). Het is de Geest die dit tot Christus bidt; maar dan samen met de Bruid.
En een bruid is iemand aan wie reeds wel de belofte van het huwelijk gegeven werd, maar voor wie het gehuwd-zijn nog geen werkelijkheid geworden is.
We hebben deze twee uitersten zo één en andermaal naast elkaar geplaatst. Onze conclusie is, dat de weg der Schrift tussen deze twee doorloopt; met dien verstande dan, dat we van elk van beiden iets zullen moeten leren en meenemen. In onze kringen zal men, ondanks alles, zich toch op verschillende punten nauwer verwant gevoelen met de Pinkstergroepen dan met Rome. Dit ligt voor de hand. Moge deze uiteenzetting er toe dienen dat we toch ook, telkens opnieuw weer, leren luisteren naar, het spreken van de levende God Zelf, zoals dat in de kerkelijke verkondiging tot ons komt als een ondoorgrondelijk wonder van Gods ontferming.
Want dan zal, daar tegenover, onze geweldige verantwoordelijkheid gestalte krijgen als we ons geplaatst zien voor het gebed waarin God ons bidt, telkens wanneer Zijn Woord tot ons uitgaat: Laat u met God verzoenen.
Waddinxveen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's