De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Spurgeon’s ’Pastorale adviezen’ VIII

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Spurgeon’s ’Pastorale adviezen’ VIII

11 minuten leestijd

Tenslotte komen wij bij wijze van spreken helemaal op de begane grond, als de vraag gesteld wordt, hoe de dominee in het midden van zijn gemeente en voorts ook in de wereld als zodanig heeft te verkeren. Dus kort gezegd: De dominee in de dagelijkse omgang. Wie Spurgeon enigermate kent, zal zich nauwelijks verwonderen, als hij hem zijn afkeer hoort uitspreken tegen allerlei 'ambtelijk air, plechtigdoenerij, dikdoenerij en aanmatigend optreden'. Het is zijn gefundeerde overtuiging, dat men niet eenvoudig en natuurlijk genoeg kan zijn. Laat de gezant niets anders zijn dan een mensenkind. Hoe eenvoudig was de Heere Jezus niet!'

Hij merkt dan o.a. op, dat onderwijzers en dominees vaak iets eigenaardigs over zich hebben. Ze zijn, maar dan in een verkeerde zin, 'niet als andere mensen'. Hun gereserveerde houding lijkt vaak op die van een ooievaar, diep in gedachten verzonken. Soms zijn ze in kleding, toon, manieren zo volmaakt dominee, dat er van de mens niets meer overblijft. Zeker hoogkerkelijk Engels predikant droeg ook bij vacantie in Zwitserland nog altijd zijn baret. Het doet mij denken aan zeker Hollands predikant, die vacantie nemende in een badplaats, ononderbroken in het zwart paradeerde!

Spurgeon, humorist als altijd, verfoeit de zgn. ambtelijke stijfsel en geeft zulke collega's de raad, zich liever eerst zevenmaal te gaan wassen in de Jordaan. Hij is van oordeel, dat de gemiddelde arbeider weleens daarom een afkeer kan hebben van dit soort dominees vanwege hun gemaakte en onmannelijke manieren. Hij releveert een gezegde van de beroemde Baxter: 'Het is een grote fout, dat de vertrouwelijke toon in onze preken zo vaak gemist wordt. Willen wij de massa winnen voor het Evangelie, dan moeten wij vooral ook mensen zijn'.

Toch is een predikant, waar hij zich ook bevindt, altijd in functie. Er zijn in zijn leven nooit momenten denkbaar, waarop de Heere hem niet vragen kan: 'Wat doet gij hier, Elia? ' De boog moet zo nu en dan ontspannen worden, maar wij behoeven de péés niet door te snijden. Wanneer de geest afgemat is en van streek raakt, is rusten evenmin ledigheid als slaap.

Dan zegt hij: Een dominee moet buiten de preekstoel een gezellige man zijn, een mens onder de mensen. Laat ons toch alle air afgelegd hebben. De Meester ging naar een bruiloft, en at met tollenaren en zondaren. Wij mochten kindervrienden zijn. De Heere Jezus was dat ook. En kinderen ontdekken spoedig, wie hun vriend is. Een goed woord voor allemaal opent de harten. Een onvriendelijk mens, die niet de minste blijmoedigheid vertoont, is geen aanbeveling voor de blijde boodschap. Laat ons niet denken, dat neerslachtigheid het bewijs is van een ernstige levensopvatting. Frivoliteit komt niet te pas en oppervlakkig gepraat is er genoeg in de wereld, maar de vrucht des Geestes is blijdschap en deze is een ernstige aangelegenheid.

Wij worden gewaarschuwd, in een gezelschap niet alleen het woord te willen voeren. Wij zijn zo vaak alleen aan het woord. Maar ook in ons pastorale werk is het zo nodig dat wij tijd hebben, om de mensen hun hart uit te laten storten. Weinig mensen kunnen luisteren naar een ander. Het is het geheim der ware liefde, deze kunst te beoefenen. En maak geen verschil tussen hoog en laag, rijk en arm. Het is een verfoeilijke zaak, als men de gunst van de groten dezer wereld zoekt ten koste van de tijd, die men aan arme, zieke of ellendige stumpers onthoudt.

Bestraf, wederleg, vermaan als het te pas komt, maar doe het altijd met gematigdheid en in een geest van zachtmoedigheid, al mag dit geen afbreuk doen aan de kracht van onze argumenten. Het is nog altijd zo, dat men iemand het best overreedt, als men zijn hart gewonnen heeft. Tact is de wijsheid van het hart, heeft iemand eens gezegd.

Overigens behoeven we niet zo terughoudend te zijn. De dolste dingen van de wereld dienen zich aan door de tegenwoordige massa-media. En zullen wij, gezanten, dan zwijgen? Zal Christus niet aan het woord komen? Moet het beste ter wereld verzwegen worden? In onze conversatie kan één enkel woord, door ons te pas ' gesproken, aanleiding worden tot bekering van een mens, die we door onze preken nooit bereiken konden. Predik het Woord tijdig en ontijdig, vermaant de apostel. Eens stond ik op het voorbalcón van de stadstram, toen een plotselinge rembeweging van de bestuurder mij met nog enkele passagiers bijna voorover deed tuimelen. De bestuurder sprak met een olijke glimlach: Wie staat, zie toe, dat hij niet valle, mijnheerl Waarop ik repliceerde: 'U moet het helemaal goed zeggen: Wie méént te staan, zie toe, dat hij niet valle. Dat is een woord uit de bijbel, uit het Nieuwe Testament'. Er ontstond een kort gesprek, waarin ik beloofde, over deze tekst te zullen preken a.s. zondag, als hij, vrij zijnde, ook in de kerk wilde komen. Hetgeen hij beloofde. 'Werp uw brood uit op het water, en gij zult het vinden na vele dagen.'

Vélen zullen soortgelijke ervaringen te berde kunnen brengen, want nog altijd geldt de belofte: 'Mijn Woord zal niet ledig tot Mij wederkeren'.

Een predikant behoort een behoorlijke bibliotheek te hebben. Studie blijft een vereiste, om fris te, blijven. Maar hoe moet het nu, wanneer men studieboeken nodig heeft, maar men heeft geen middelen, om ze aan te schaffen?

Dit probleem deed zich in de vorige eeuw nog meer gelden dan in de onze. Spurgeon adviseert: De kerken behoren er in te voorzien, want, zegt hij, een goede theologische bibliotheek is een onmisbaar element van de toerusting tot het ambt en daarom ook van de uitrusting der gemeente als zodanig. Spurgeon wil in elke pastorie dus een pastorie-bibliotheek, die telkens weer behoort te worden aangevuld met nieuwe standaardwerken. Aangezien vooral deze laatste erg duur plegen te zijn, is hier o.i. veel voor te zeggen. Ik denk b.v. aan grote encyclopedieën en, om eens iets te noemen, bv. een complete Luther-uitgave. Er zou veel meer te noemen zijn.

Een electrische locomotief kan nu eenmaal niet rijden zonder stroom; maar dan dienen ook onder advies of verantwoorde controle de allerbeste boeken te worden aangeschaft. Hierbij denk ik weer aan een 'Synopsis purioris' of aan een complete Kittel, het machtig Nieuwtestamentisch hulpmiddel. Ik weet, dat dit alles gemakkelijker voorgesteld kan worden dan in praktijk gebracht. Maar denk u eens in, met welk een juichkreet een theologisch candidaat, in een gemeente beroepen, zulke standaardwerken zou begroeten, als hij door de kerkeraad in de nog verder wellicht ongemeubileerde studeerkamer geleid, zulk een verrassing zou vinden.

Voor persoonlijk initiatief zou altijd nog een goede marge overblijven. Hoewel ook daarvoor geldt: Multum, non multa; Niet het vele is goed, maar het goede is veel. Het meestal toch al niet zo hoge bedrag, dat men kan uittrekken, dwinge tot zelfbeheersing. Maar een boekenbon is voor de gemiddelde predikant meestal een aangenaam cadeau.

Natuurlijk kunnen vooral niet te ver van elkander afwonende ambtgenoten elkander ook af en toe een boek lenen, over en weer. Maar laten ze zich dan aan de termijn houden, waarop ze het ook weer terugbrengen. Wie een geleend boek terugvraagt, zei eens iemand, maakt van een vriend een vijand. Het is, althans in deze vorm gezegd, overdreven, maar toch zit er wat in. Menigmaal raakt men uitgeleende boeken namelijk kwijt.

Eén geweldige bibliotheek bezitten wij allen: De Bijbel! 

Spurgeon zegt: U kunt zich nooit genoeg daaruit wapenen. Weest als David, met slinger en steen, volmaakt toegerust tot de strijd. En tenslotte: De Bijbel is — met alle eerbied voor goede commentaren! — de beste uitlegger van zichzelf. Men kan het gebrek aan hulpmiddelen aanvullen door veel te denken, want gelovig denken is met eerbied de gedachten Gods nadenken.

Tenslotte geeft hij nog deze raad: Houdt uw ogen open! Men moet van alles en allerlei willen lezen. De krant, het nieuws, de gebeurtenissen in de wereld, maar ook de natuur: Wat zeggen u de bloemen, de leliën, de rozen, en zelfs de mieren? Heeft de wind niet een stem, en de dauw op het veld, is ze niet een prediking voor u? 'Een bos is een bibliotheek, een korenveld een boek vol wijsheid.' Vergelijkenderwijs gesproken zijn de meeste boeken maar arm. Denkt eens aan Guido Gezelle's vers: 'Mij spreekt de blomme een tale'.

Dan komt ook de — weer erg opmerkelijke — raad: Bestudeer ook uzelf. Een mens is a.h.w. een geheimzinnig boek, waarvan hij de helft niet gelezen heeft. Het moeilijkste boek, dat iemand ooit te lezen krijgt, is ons eigen hart.

Zo is het inderdaad. 'In raads'len wandelt de mens op aard'', heeft een Nederlands dichter gezongen. Maar het grootste raadsel is de mens, die tot zichzelf inkeert, maar wie kan zijn eigen hart doorgronden? Wie durft het? Alleen hij, die oprecht geworden is tegenover God en zichzelf, door het werk van de Heilige Geest, dat mysterieuze binnenwerk aan de hand van het Woord enigermate leerde kennen.

En wat ontdekken wij dan? Verdorvenheid en onwaardigheid, verkochtheid onder de zonde, soms tot onze schrik demonische diepten, afgronden, die ons doen huiveren. Maar, als het goed met ons is, toch ook wat Paulus karakteriseert als 'een vermaak in de Wet Gods naar de inwendige mens' een genadig gewerkte begeerte, om Gode in Christus welbehaaglijk te mogen zijn, een dankbaar erkennen, dat de Heere iets aan onze ziel 'gedaan' heeft, om met dè psalmist te spreken. En deze zelfkennis, waardoor wij onszelf telkens weer met smart onder de bestraffing des Geestes in de hand des Heeren mogen laten vallen, is van hoog belang, waar wij tot zielzorg van anderen geroepen worden. Wij zullen anderen beter begrijpen, naarmate de spiegel der zelfkennis uit Gods Woord ons meer en dieper aan onszelf ontdekt heeft. En ook anderen kunnen troosten met de vertroosting, waaronder wij naar het beroemde paulinische woord zelf van God vertroost zijn geworden.

In het pastoraat ontmoeten wij de meest verschillende mensen. Hier zijn geen algemene regels te geven, want het is fout, als wij van het Geesteswerk een nieuwe Wet gaan maken, omdat de Heilige Geest op onnaspeurlijk-persoonlijke wijze werkt. De allerdiepste kennis van ons eigen hart en dat van anderen zal voor ons hier altoos een verborgenheid blijven. Slechts Eén is er, die ons hart doorgrondt. En daarom kennen wij ook de laatste diepte niet van het werk des Geestes. Maar het pastoraat kan nooit omgaan buiten de Heilige Schrift. En de Geest brengt ons, — dat is Zijn authentieke werkwijze — altijd weer naar het Woord toe en maakt dat, het uit Christus genomen hebbende, tot levende werkelijkheid aan en in ons. Wij mochten veel bidden om wijsheid, wanneer de liefde van Christus ons dringt, want de Heilige Geest is de beste Psycholoog. Immers voert Hij altoos weer door overtuiging van zonde, gerechtigheid en oordeel tot Christus, die het einde der Wet is. Als wij dit voor ogen houden, zal de praktijk van ons werk, dat subtiele werk aan mensenzielen, ons steeds meer oefenen en ervaring geeft ons meer, dan veel wat op dit gebied in allerlei boeken geschreven wordt. En dan kunnen wij ons leven lang vooral veel leren van de eenvoudigen in het Koninkrijk Gods, die ons, wetenschappelijk gevormde mannen, vaak beschaamd maken door hun innig geloofsvertrouwen en hun getuigenis van de wegen des Heeren, waarvan zij bij ondervinding gewagen kunnen. Hoe vaak overkwam het mij, dat ik door slechts één treffend gezegde van een vader of moeder in Israël opeens de tekst wist, waarover ik de volgende zondag preken zou. Ontroering wekt inspiratie.

En ook 'zoekende' zielen geven ons vaak meer dan zij van ons vragen. Als wij ons liefdevol verdiepen in hun strijd, hun misvatting van het wezen der goddelijke genade, hun klachten, hun problemen, kan het zo vaak zijn, wanneer wij zelf van God geleerd worden, dat wij, hoe onbekwaam ook van onszelf, de rechte snaar weten te treffen, omdat hun geestelijke vragen de reflex van onze eigen strijd en van verkregen uitkomst blijken te zijn. In het samen bidden komt dit aan het licht. Over menig sterfbed zouden we nog kunnen spreken. Wij laten het hierbij.

Samenvattend: De 'Pastorale Adviezen' van Spurgeon zijn nog steeds voor ieder, die prediking en pastoraat bij de gratie Gods mag beoefenen, van bijzondere waarde. Ook al zet men hier en daar een vraagteken, één ding kunnen wij van hem in ieder geval geleerd hebben: Ons onderwijs moet er altijd en overal op uit zijn om zondaren te doen vluchten tot Jezus, opdat zij behouden worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Spurgeon’s ’Pastorale adviezen’ VIII

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's