Een geestelijk testament II
Vorige week gaf ik een korte weergave van het artikel van prof. dr. A. A. van RuIer in het februari/maartnummer van Wapenveld over 'ultra-gereformeerd en vrijzinnig'.
In het kort vermeldde ik toen de 'ketterijen' die prof. Van Ruler in de ultraorthodoxie signaleerde. Voor de duidelijkheid volgen ze hier nog eens: de verinnerlijking van het werk van Christus met voorbijzien van het historisch gegevene van de heilsfeiten, het logische schema van de praedestinatieidee, de benadering van het zondaar-zijn van de mens, de ziekte van de twijfel als normaal, de absolute prioriteit die aan het gevoel wordt toegekend, miskenning van het werk van de Heilige Geest in Zijn gang door de eeuwen en de continenten, de houding tegenover de sacramenten, verabsolutering van eigen inzichten (verstarde confessionaliteit), de tyrannic van de geestelijke mens, de onderwaardering van het natuurlijke ten opzichte van het geestelijke, te weinig aandacht voor de ethiek en het ontbreken van een duidelijk zicht op de plaats en de taak van de kerk in de wereld.
Waarheidselementen
Heeft prof. Van Ruler gelijk? Dat is de vraag, die we in dit artikel onder ogen willen zien. Dan moet in de eerste plaats ja gezegd worden. Prof. Van Ruler wist terdege waarover hij het had. Ieder, die geen vreemdeling is in de Gereformeerde Gezindte, zal moeten beamen dat de symptomen, die door Van Ruler getekend worden, ook inderdaad zo voorkomen, al kan dat niet van alle delen van de Gereformeerde Gezindte zonder onderscheid worden gezegd. ledere predikant heeft in zijn gemeente echter wel te maken met vergroeiingen van datgene wat van oorsprong bepaald echt gereformeerd is, maar het juist vanwege die vergroeiingen niet meer is. Van Ruler heeft het van binnenuit gezien en erover geschreven. Hij is overigens niet de eerste die er over geschreven heeft. In feite zegt hij in dit artikel niet eens zoveel nieuws. Maar hij maakt de dingen wel heel erg doorzichtig. Hij neemt je mee naar het open veld, waar je het geheel krijgt te overzien en je niet tegen de details aan blijft kijken. Daarom wil ik beginnen met de waarheidselementen, die er in dit artikel van Van Ruler liggen, ten volle te honoreren. Want inderdaad zijn er in onze Gereformeerde Gezindte vergroeiingen en scheeftrekkingen van bepaalde gereformeerde noties. Neem bij voorbeeld de verabsolutering van eigen inzichten. Het is de schuld en de schande van de Gereformeerde Gezindte dat eigen inzichten vaak zó worden verabsoluteerd, dat de kerkelijke verbrokkeling tot in het oneindige is en wordt doorgezet. Werden we dezer dagen nog weer niet met onze neus gedrukt op een dergelijke verenging en verabsolutering? Ik bedoel de schorsing van de voorzitter van de Mbuma zending omdat hij het gewaagd had inzichten, waarvoor hij zelf sinds jaar en dag pal had gestaan, prijs te geven en openlijk te zeggen dat hij vaccinatie geoorloofd achtte? Dit loutere feit betekende dat men hem niet als voorzitter van de Mbuma zending handhaven kon. Een beschamende zaak. Een schrille bevestiging ook van wat prof. Van Ruler over dit onderwerp schreef. De strijd om de waarheid kan inderdaad verengd worden tot een strijd voor eigen inzichten. Wie dan niet voor honderd procent aan die inzichten beantwoordt, moet vallen. Op deze wijze krijgt de strijd voor de waarheid iets sectarisch. Dat wil niet zeggen dat je van de weeromstuit nu opeens maar verschrikkelijk relativerend en genuanceerd moet gaan doen. Maar een beetje onderlinge verdraagzaamheid zou binnen de Gereformeerde Gezindte geen kwaad kunnen. Er zijn zoveel dingen waarover te vuur en te zwaard gestreden wordt, waarin de Schrift zelf, de leer van de kerk, de confessie niet in het geding is. Een strijd om uiterlijkheden ook vaak. Om kleding en uiterlijke gedragsregels is er soms al onderling wantrouwen en zelfs een twijfelen aan eikaars genadestaat.
Zo zouden meer facetten genoemd kunnen worden, ook wanneer het gaat om de inhoud van de prediking; b.v. de permanente achterdocht in bepaalde kringen van de Gereformeerde Gezindte als het evangelie, het aanbod van genade voluit gepredikt wordt, als de prediking christocentrisch is, als het verbond in het blikveld komt, als ten aanzien van de sacramenten ook de eis gehoord wordt en zó de sacramenten van hun vrijblijvend karakter worden ontdaan, als de beloften onvoorwaardelijk gepredikt worden. Dit alles vormt een duidelijk bewijs dat er in de Gereformeerde Gezindte ten aanzien van de gereformeerde religie ontsporingen en vergroeiingen te signaleren zijn. De grandeur van de Reformatie is soms ingeruild voor een verzameling van eigen opvattingen.
De vraag is inmiddels wel of het gewettigd is hier van ketterijen te spreken. Want nogmaals, alle symptomen door Van Ruler in zijn artikel genoemd hebben een gereformeerde wortel. Dat beseft hij zelf ook wel. Daarom begint hij ook steeds met de waarheidselementen, die er in al die vergroeiingen aanwezig zijn te honoreren. Hij valt om zo te zeggen telkens eerst de ultra-orthodoxen in de armen, om ze daarna te krachtiger van zich af te schudden. Maar daarom gaat het me toch te ver als Van Ruler in al deze gevallen van ketterijen spreekt. Eenzijdigheden en vergroeiingen zijn nog geen ketterijen. Dat zeg ik niet om deze vergroeiingen goed te praten of wat af te zwakken, maar wel om aan te geven dat in de ultra-orthodoxie de kernwaarheid, die achter al deze vergroeiingen zit, tot in de Schrift zelf terug gaat. Want, om eens een paar voorbeelden te noemen, uiteindelijk moet Christus ook innerlijk gestalte in mij krijgen. Uiteindelijk blijft er de waarheid van de dubbele praedestinatie. Uiteindelijk blijft er het vreemdelingschap van de kerk in de wereld. Uiteindelijk blijft er de diepe beleving van het zondaar-zijn van de mens. En uiteindelijk blijft er de spanning tussen het natuurlijke en het geestelijke.
Diagnose en therapie
Dit alles brengt me toch op enkele kritische noties ten aanzien van het artikel van prof. Van Ruler. De vraag rijst of het inderdaad wel alleen de vergroeiingen zijn die hij op het oog heeft gehad. Is hij al snoeiende ook niet bezig geweest een stuk echt gereformeerd leven af te kappen? Ik zou hier bijvoorbeeld willen noemen de kwestie van de toeëigening van het heil. Toegegeven, er is een prediking waarin men niet voluit het evangelie laat doorklinken en waarin men de norm gaat leggen in de beleving van de wedergeborenen, met het gevolg dat men de zielen van de hoorders vaak in het duister laat. Maar Van Ruler laat ons in zijn artikel toch wel wat in de mist als het gaat over de vraag hoe een zondaar het door Christus aangebrachte en verworven heil gaat horen en verstaan. Met andere woorden, wat betekent het als Paulus zegt, dat het God behaagd heeft Zijn Zoon in hem te openbaren? Dan is er toch wel terdege sprake van het innerlijke werk van de Geest, waardoor het objectieve van de heilsfeiten innerlijk wordt uitgewerkt. Dan ligt het heil inderdaad niet in de mens zelf maar in Christus, maar inmiddels krijgt Christus toch wel innerlijk gestalte in de mens. Het aangebrachte heil vraagt om innerlijke toepassing. Of wat te denken van het diepe woord van de apostel in het N.T.: toen ik Hem zag viel ik als dood aan Zijn voeten. Krijgen deze aspecten van het evangelie niet bevindelijk gestalte in het geloofsleven?
Ondanks alle instemming waarmee ik de vele gedachten van Van Ruler las, blijven er toch ten aanzien van de toepassing van het heil wel vragen bij mij over. Ik vraag me af of de Schriftuurlijk-bevindelijke prediking zelf het toch ook niet soms ontgelden moet. De kwestie, waarop één en ander vast zit, is naar het me voorkomt de verhouding van Woord en Geest. De Geest werkt op de wijze van het Woord. Dat kan niet genoeg onderstreept worden. En Van Ruler zegt het zelf meerdere malen, dat de mens het Woord met betrekking tot zichzelf moet gaan horen. Maar de vraag rijst of Van Ruler inmiddels toch niet te veel gewicht geeft aan de zelfwerkzaamheid van de mens. Dat de mens in zijn zondaar-zijn dader is van zijn daden beaam ik met Van Ruler. Daarin is de mens inderdaad actief. Hij ontplooit zijn activiteiten, zijn rebellie, zijn opstand tegen God. Maar hoe ligt dat inzake de verlossing? Is daar ook ruimte voor eigen activiteit van de mens? Of is het — in de toepassing en toeëigening van het heil — de Geest die gewillig maakt, zodat de mens er toch zelf helemaal buiten valt en alles genade is? Soms kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat in Van Rulers denken een stuk synergisme meespeelt, dat wil zeggen dat hij de mens zelf een functie geeft in de toepassing van het heil. Ik weet wel, op het moment dat die gedachte al lezende bij je opkomt, stapt Van Ruler weer over op het sola gratia, het alleen door genade. Maar in dit opzicht blijft Van Rulers betoogtrant toch iets tweeslachtigs houden. Je voelt je toch in een andere sfeer, wanneer het gaat over roeping, verkiezing, wedergeboorte, bekering, rechtvaardiging, dan wanneer je de Reformatoren leest. Daarom, al neem ik de diagnose van Van Ruler serieus, dan kom ik met de therapie toch niet altijd goed uit. Hoe werkt de Heilige Geest het heil uit in de mens? Op dit punt laat het betoog van Van Ruler ons toch wat in de steek. Laat Van Ruler toch soms de Geest niet teveel opgaan in het Woord, in de prediking van het evangelie, in plaats dat hij de Heilige Geest ziet als de hanteerder van het Woord, zodat het Woord instrument van de Geest is, waarmee de Heilige Geest toepassend werkt in de gemeente?
De zonde
Een punt, dat me de laatste jaren in toenemende mate bezig hield bij het bestuderen van de publicaties van prof. Van Ruler, is de zonde. Ik meen dat hier toch een manco ligt in zijn theologie, dat ook in het onderhavige artikel naar voren komt. Van Ruler spreekt meestal zeer getemperd over de zonde. Overwegend is bij hem de vreugde over het heil, over de aangebrachte verlossing. Dat trekt hij door naar de ganse schepping, naar de wereld, naar de cultuur. Het leven komt bij hem te staan in theocratisch perspectief. Hij denkt vanuit het einde, vanuit de volle glorie van het Rijk. De theocratie is het hoopvolle perspectief voor heden en toekomst, dat zijn basis heeft in de overwinning van Christus op de machten. De schepping en de verlossing mogen worden gevierd in de volle breedte van het leven.
Op zich is het altijd weer meeslepend om Van Ruler deze evangelische, theocratische tonen te horen aanslaan. Maar is het in de realiteit van het leven van een mens en in de spanning van cultuur en wereldleven, zoals die zich voor Gods, Aangezicht voltrekken, bijbels legitiem om de zonde als het ware naar achter te schuiven? Er blijft enerzijds in het leven van een Christen toch warempel nog wel de strijd tegen de wereld, de zonde, het eigen vlees. Paulus bleef tot het laatst strijden met zijn zondige natuur. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods! Al is een Christen in principe verlost — totaal verlost! — hij leeft niet altijd op de toppen van het geloof en van de hoop. En daarom, het zich zondaar weten en blijven weten — hoe dieper men graaft hoe meer gruwel men ontdekt zelfs — dat alles komt bij Van Ruler toch niet voldoende uit de verf. Het zondaar worden in de bevindelijke zin van het woord, voor Gods Aangezicht, functioneert onvoldoende en het zondaar blijven met al de strijd daaraan verbonden komt evenmin duidelijk uit de verf.
Ditzelfde manco, als het gaat om de zonde, treffen we in Van Rulers theologie aan wanneer het gaat over de wereld en de cultuur. De theocratische gedachten van Van Ruler zijn ongemeen boeiend en imponerend. Ik kan niet anders zeggen dan dat zijn gedachten mij altijd sterk hebben aangesproken. Maar op een be paald moment ontdek je dat het bijbels gegeven van de wereld-die-in-het-boze-ligt zó overspoeld is door het denken vanuit de verlossing, dat de kijk op mens en wereld te optimistisch, te zonnig wordt. Dat de zonde een macht is, die tot het eind van de tijd — in verhevigde mate zelfs — z'n uitwerking doet gevoelen, komt bij Van Ruler op de achtergrond.
Dat het ook in de wereld en in de cultuur zal hebben te gaan om de levensheiliging heeft mijn ganse instemming. Dat deze overtuiging onder ons te weinig leeft beaam ik gaarne. De wereld moet gekerstend worden en levensheiliging is niet alleen een zaak van de binnenkamer, van het gebed, maar ook van het publieke leven. Ook daar wil God geëerd en gediend worden. Maar daar zijn dan ook de machten van de zonde, van de verwording, van het brute ongeloof, die aan de kaak gesteld moeten worden. Er is ook het bijbels gegeven aangaande de honden en de afgodendienaars, die niet in het koninkrijk zullen ingaan. Enerzijds is er het Rijk, jawel! Maar anderzijds zijn er degenen die het Rijk niet zullen beërven. Daarover zwijgt Van Ruler meestentijds. Vele stappen tever gaat het me bovendien, wanneer Van Ruler in zijn artikel opmerkt dat men als geestelijk mens met lust kan kijken naar een voetbalwedstrijd en dat men in het plezier dat men — oók als men tegen de dood aanleeft — daarin heeft, een moment van de heiliging vinden kan. Een dergelijke gedachte klinkt mij op z'n minst ketters in de oren, vooral als dan nog als voorbeeld Ajax-Feijenoord wordt genoemd, hetgeen direct te maken heeft met zondagsport. Met een tikje verbazing las ik in dit verband dat Van Ruler meent dat hij hier een bepaalde grondgedachte van de Reformatie, van Calvijn verder doortrekt. Een uitspraak die m.i. geen grond heeft.
Tenslotte
Ik zou in deze bespreking niet op details van het artikel van prof. Van Ruler ingaan. Daarvoor is het geheel te veel geladen en veelomvattend. Zoals gezegd zullen verschillende onderwerpen in de komende tijd breder besproken worden.
Ik heb gepoogd iets van de achtergronden van het artikel te laten voelen en daarbij prof. Van Ruler zo veel mogelijk recht te doen. De waardering voor wat hij geschreven heeft mag er zijn. Ik aarzel dan ook niet zijn artikel, dat voor een goede beoordeling geheel gelezen moet worden *, magistraal te noemen. Zijn meesterschap op het terrein van de theologie blijkt op alle punten. En wat hij gezegd heeft over de Gereformeerde Gezindte kan alleen maar nopen tot diepgaande bezinning. Een tweede is of Van Ruler in alle opzichten de juiste weg wijst, de goede therapie geeft voor de genezing van ziekteverschijnselen. De nodige piëteit ten opzichte van de onlangs overleden hoogleraar mocht niet verhinderen, dat in dit opzicht over het artikel enkele kritische vragen gesteld werden en lijnen aangewezen werden in Van Rulers artikel, die niet zo maar zonder meer tot in het hart van de Reformatie terug gaan. Daarom mag dit artikel niet zo maar kritiekloos worden overgenomen; wèl ter harte genomen.
Een laatste opmerking, die ik maken wil, betreft nog eens een keer het adres van dit artikel. Het is niet alleen voor de Gereformeerde Gezindte geschreven. Het ware te wensen dat de zaken zelf, waarom het Van Ruler in dit artikel gaat, in kerk en theologie volop aan bod zouden komen. Want in deze zaken zelf ligt het hart van de Reformatie. Wie dus al gereed stond om pijlen af te vuren naar de Gereformeerde Gezindte, waar allerlei zaken geestelijk verkeerd functioneren, doet er goed aan zich af te vragen of in eigen kring deze zaken überhaupt nog functioneren. Zouden vele delen van de kerk aan deze zaken zelf, d.w.z. de toeëigening van het heil en de levensheiliging, niet helemaal ontzonken zijn? Juist in dit opzicht is Van Rulers artikel ook niet minder dan een appèl.
Het artikel 'Ultra-Gereformeerd en vrijzinnig' in het febr./maart nummer van Wapenveld is te bestellen bij de administratie van Wapenveld, Arthur van Schendelplein 63, Delft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's