’Het Heilig Pinksterfeest’ van Hadrianus Visscherus II
Waarom op het Joodse Pinksterfeest?
Een van de eerste kwesties waarmee Visscherus in zijn uitleg van Handelingen 2 te maken kreeg, is de vraag, waarom uitgerekend op het Joodse Pinksterfeest door de Heere Jezus Christus de Geest is uitgestort.
Zijn antwoord is, dat op dat feest te Jeruzalem vele mensen plachten aanwezig te zijn, en de apostelen met hun prediking er dus velen hebben kunnen bereiken, wat duidelijk naar de wil en de bedoeling van God is geweest. Met dit éne antwoord heeft Visscherus echter niet volstaan, hij heeft gemeend er nog meer over te kunnen zeggen. Werd dit Feest niet gevierd op de 50e dag na Pasen? En was Pasen niet het Feest waarop door de Jood de uittocht uit Egypte werd herdacht? En was het niet precies op de 50e dag na de uittocht dat door God aan Israël op de Sinaï de Wet werd gegeven? Visscherus heeft gemeend dat de verbanden hier voor het grijpen liggen. Hij trekt enkele fraaie parallellen. Allereerst die tussen de Wetgeving op de Sinaï èn de Uitstorting van de Geest. Bij de eerste gebeurtenis ging het om de Wet, bij de tweede om het Evangelie. Bij beide gebeurtenissen waren er machtige tekenen: bij de Wetgeving donder, bliksem en rook, bij de uitstorting van de Geest wind, vuur en een spreken in andere talen. Wat aan de Sinaï werd neergeslagen werd in Jeruzalem weer opgericht. Betoonde God daar zijn toorn, hier zijn genade. En dan, er is ook de parallel tussen de Uittocht van Israël uit Egypte èn de Opstanding van Jezus Christus uit de doden, in beide gevallen is God verlossend opgetreden. En ten derde: zoals Uittocht en Wetgeving tot elkaar in relatie staan, zo ook de Opstanding van de Heere Jezus Christus en de Uitstorting van de H. Geest. Tenslotte is er ook nog dit: het Joodse Pinksterfeest was behalve een feest van herdenking, namelijk van de Wetgeving, ook een offerfeest: e eerstelingen werden gebracht. Het christelijke Pinksterfeest evenzo, ook toen waren er de eerstelingen:3000 mensen kwamen tot bekering.
De lering die Visscherus hieruit trekt is vierderlei. Duidelijk is dat het Pinksterfeest een Feest is dat met recht in de christelijke kerk gevierd wordt. Op dié dag heeft God iets groots gedaan. Wel is het waar dat de uitstorting van de Geest een buitengewone is geweest, die alleen de apostelen ten deel is gevallen, maar de vrucht ervan — zo zegt de schrijver — strekt zich nog uit tot op de dag van vandaag over de hele heilige, algemene christelijke kerk. Christus' naam zou niet bekend geworden zijn onder de volken, was er niet geweest de dienst der apostelen, die daartoe bekwaam moesten worden gemaakt door de H. Geest. Kersttijd is de Hoogtijd van de Vader (die zijn Zoon gaf). Paastijd die van de Zoon en het Pinksterfeest de Hoogtijdag van de H. Geest. Maar er is nog meer, uit het samenvallen van de uitstorting van de H. Geest met het Joodse Pinksterfeest mag ook worden afgeleid, dat het hoogste doel van God en al zijn werken de grootmaking is van Zijn heilige Naam. Alle volken moeten die Naam leren kennen. Hij wil dat Zijn eer verbreid wordt onder alle natiën. Verder: hoezeer gaat het God om ons heil. Zij zijn daar gekomen in Jeruzalem, de vele feestgangers en zie, dan vervult God de apostelen met zijn Geest, en velen komen tot bekering. En tenslotte: met zorg kiest God de tijden en gelegenheden uit. Juist wanneer er zovelen zijn in Jeruzalem gebeurt het grote wonder. Jezus zelf was ook al steeds met de grote feesten naar Jeruzalem gegaan, en Paulus zal dat later ook doen, zij hebben de scharen gezocht, de velen, om ze allen met het Evangelie te bereiken.
De toepassing die Visscherus hieruit trekt ligt voor de hand. Een feestdag als Pinksteren moet worden gevierd. Christenen mogen die dag niet in ijdelheid doorbrengen op markten en bij feesten, zoals helaas 'de mestvarkens van de duivel' doen — een uitdrukking die aan Augustinus is ontleend. Pinksterfeest moet worden gevierd ter ere Gods. Dan moet worden uitgebannen de zuurdesem van de zonde. H. Geest èn zonde, die kunnen niet samengaan. Gelijk de rook de bijen verdrijft, zo verdrijft de H. Geest de zonde. Laat de wonderwerken van God niet aan u voorbijgaan. Zoekt niet uw eigen eer, maar leert God de eer geven van alles. Gelijk de engelen deden in de kerstnacht. En tot slot, laten herders en leraren — in navolging van God zelf — acht geven op de tijden en de gelegenheden. Zij behoren daar vooral te zijn waar hun dienst nuttig is, waar de oogst groot is. Doch niet alleen zij hebben de roeping te stichten en te vermanen, alle christenen zullen dat moeten doen. Pas zo kunnen wij rein zijn van het bloed van onze medemensen.
Allen eendrachtig bijeen
Het woordje 'allen' in het begin van Hand. 2 heeft aanleiding gegeven tot verschillende interpretatie. De vraag is of het genomen moet worden voor al de twaalf apostelen of voor een bredere kring van discipelen of zelfs voor heel de Jeruzalemse gemeente. Visscherus kiest voor eerste. Het woord 'Galileeërs' in vers 7 zegt hij — terecht — kan alleen maar slaan op de twaalf apostelen. Bovendien, zij alleen waren het die de belofte van de H. Geest ontvangen hadden. Met nadruk wijst Visscherus af de voorstelling die gegeven werd door 'die van het Pausdom'. Visscherus had prentjes gezien waarin je ziet voorgesteld de Jeruzalemse gemeente bijeen op de Pinksterdag: Maria in het midden, op een troon, met een krans van licht om haar hoofd, als een ware koningin. Hartgrondig verfoeit hij deze voorstelling, zó is het in ieder geval niet geweest!
Het griekse woord dat voor 'eendrachtig' gebruikt wordt wijst, zegt hij, op een innerlijke en geestelijke overeenstemming. Men was één in het geloof, één in de leer, maar ook in wandel en omgang. De vroegere rivaliteit was geheel verdwenen, er was niet meer een strijd om de voorrang. Uit dit alles is te leren, allereerst, dat het de plicht der christenen is om God te dienen in een vergadering der gelovigen, met andere woorden in zijn huis. Helaas, er zijn er die dat niet doen, thuisblijven. Zij houden het, zoals zij zeggen 'met de bakker en de brouwer'. Anderen zijn er die wel samenkomen maar niet daar waar Gods Woord zuiver gepredikt wordt, zij zoeken aparte vergaderingen van verderfelijke secten. En dan zijn er ook die zo nu en dan eens naar de kerk komen, 'nu eens bij hop en dan weer bij gras', bij voorbeeld alleen op de feestdagen. Ook zijn er die heel de kerk en haar diensten voor onnodig houden. Wij hebben immers een bijbel in huis, zeggen zij, en hebben wij daaraan niet genoeg, waarom dat aanhoren van al die preken. Toch zijn ze mis, ook zij! Er is het Woord van God zelf dat ze weerlegt. Het geloof is uit het gehoor, zegt de apostel, en Gods wil is nu eenmaal om door de dwaasheid der prediking de mensen te zaligen. Bovendien, het is onbehoorlijk ondankbaar te zijn.
Hier te lande geeft God volop tijd en gelegenheid en dat mag niet worden versmaad. De kaars van het Evangelie staat op de kandelaar in onze steden en dorpen. Zeg niet te gauw dat je alles al weet, wij moeten allen nog dagelijks leren en daarin toenemen. Bovendien, niet alleen om te wéten kom je in de kerk, ook om vermaand, bestraft, vertroost en gesterkt te worden. Anderen moet je proberen mee te krijgen naar Gods huis, neem ze als het ware bij de arm. Het is meer dan eens gebeurd dat een 'wulps wereldkind', een sectarier of een libertijn uit nieuwsgierigheid of om te spotten in de kerk kwam en met een 'overtuigd gemoed' naar huis ging. Het horen van het Woord brengt groot gewin. Zalig zijn zij die het Woord horen, het geloven en het bewaren!
Een tweede lering uit de tekst is, dat wij allen eensgezind moeten zijn, te weten in de leer des geloofs en der zaligheid. Neen Visscherus kan het niet eens zijn met hen die dit afzwakken, aandringen op wat zij noemen 'moderatie' (gematigdheid). Je moet niet zo nauw kijken met de leer, zeggen ze, er moet vrijheid zijn. Het volk vermanen tot godzaligheid, liefde, vrede en eendracht, zonder ketterijen en dwalingen te weerleggen — zo redeneren zij — is meer dan voldoende. Zij lijken wel kooplui, die loven en bieden, geven en nemen. Maar zo gaat het nu eenmaal niet met de waarheid. 'Religie' is een woord dat in de grondtekst van 'binden' komt, de waarheid bindt! Het is waar, wij moeten vrede houden met alle mensen — maar er staat bij: zoveel mogelijk is. Het moet dus mogelijk zijn. Van de religie zal geen 'mengelmoesje' mogen worden gemaakt. Het komt aan op de ware eendracht. Maar daar steunen dan ook Kerk en Republiek op. Wij horen een en hetzelfde Woord, eten van een en hetzelfde brood en drinken van een en dezelfde wijn, laten onze harten dan niet verdeeld zijn. Zo kan men geen kind van God zijn. Leeft er twist in uw hart, u bent geen christen. Er moet eens een koning geweest zijn die op zijn sterfbed zijn zonen bij zich riep, hij gaf ze stuk voor stuk een bundeltje pijlen in de hand en vroeg ze dat op de grond kapot te slaan, wat hun niet lukte, het bundeltje was te sterk; daarna nam hij uit dat bundeltje één pijl, en nog een pijl, aan al zijn zonen een pijl en vroeg hen toen hetzelfde te proberen, wat nu natuurlijk wel lukte — kijk, zei hij toen: zo sterk is de eendracht en zo zwak is de tweedracht.
Een les ook voor de kerk, de gemeente. De God des vredes zij met u, het land zal sterk zijn en vooral: de kerk zal bloeien.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's